Conclusie
adv.: mr. J.W.H. van Wijk
[de vrouw]
[de man]verweerders in cassatie
adv.: mrs. A. Knigge en T. van Tatenhove
koper. Verweerders worden aangeduid als:
de vrouwresp.
de man,gezamenlijk ook als:
verkopers. [1]
1.Feiten
de stichting) is rechthebbende op een appartementsrecht (hierna:
de woning) met betrekking tot een woning in het complex Pentagon aan de Penstraat in Curaçao (hierna:
het complex).
de overeenkomst), op grond waarvan de vrouw de economische eigendom van de woning verkoopt aan koper tegen een koopprijs van USD 780.000 (te betalen uiterlijk op de datum van levering, 29 maart 2018,
toev. A-G) (prod. 3 bij inl. verzoekschrift).
het addendum) (prod. 4 bij inl. verzoekschrift). Het addendum vermeldt als partijen de vrouw, de man en koper en is door respectievelijk namens deze drie partijen ondertekend. Het addendum bevat de volgende bepaling in aanvulling op de overeenkomst:
2.Procesverloop
GEA) gevorderd:
primair:verkopers hoofdelijk te veroordelen tot betaling van USD 156.000 aan koper, vermeerderd met rente;
subsidiair: vernietiging van de overeenkomst en veroordeling van verkopers tot betalen van USD 78.000, vermeerderd met rente.
Ad (i) – hoedanigheid man. Partijen twisten over de vraag of de man door middel van het addendum contractspartij is geworden (rov. 4.6). Naar de mening van het GEA kan koper zijn beroep op art. 6:263 BWC Pro niet mede doen steunen op de kwestie van de hoedanigheid van de man als contractspartij (rov. 4.7-4.10).
Ad (ii) – overbouw. Koper stelt dat de gemeenschappelijke ruimte van het terrein waarop de woning staat deels is gebouwd over de Steensteeg, die als openbare weg eigendom is van het Land Curaçao. Koper meent dat hij mocht verwachten dat het complex niet deels op de grond van een derde is gebouwd en dat, nu dat wel het geval blijkt te zijn, sprake is van non-conformiteit, en dat koper dus goede grond had om te vrezen dat de vrouw zou gaan tekortschieten in haar verplichting om de woning conform overeenkomst te leveren (rov. 4.11).
primairevordering van koper strekt tot betaling door verkopers van de contractuele boete en de terugbetaling van de waarborgsom. Voor toewijzing van beide onderdelen is vereist dat verkopers in verzuim zijn komen te verkeren. Verkopers zijn echter niet in verzuim geraakt, omdat koper zelf al in verzuim was (art. 6:61 lid 2 en Pro 6:266 BWC). Hieruit volgt dat de primaire vordering niet toewijsbaar is (rov. 4.21).
subsidiairevordering is gebaseerd op dwaling. Koper stelt dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten, althans niet onder dezelfde voorwaarden, als hij had geweten dat (onder meer) sprake was van overbouw (rov. 4.22).
het Hof), met conclusie tot vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van zijn oorspronkelijke vorderingen.
Koper heeft daartoe zes grieven voorgedragen. Met de grieven 1 t/m 4 is koper opgekomen tegen de afwijzing van zijn primaire vordering. Grief 5 was gericht tegen de afwijzing van zijn subsidiaire beroep op dwaling. Grief 6 bouwt voort op de voorgaande grieven.
EV-Hof) heeft het Hof het vonnis van het GEA bevestigd. Het Hof heeft daartoe als volgt overwogen.
grief 1de vraag betreft of de man partij is bij de koopovereenkomst. Het GEA heeft deze vraag (in zijn rov. 4.6-4.10) ontkennend beantwoord. Het Hof sluit zich daarbij aan, zodat grief 1 naar zijn oordeel faalt (rov. 2-2-2.6).
grief 2de Steensteeg betreft. Het GEA heeft geconcludeerd dat het Pentagoncomplex de aan de overheid toebehorende steeg heeft geoccupeerd. Het Hof heeft tijdens de descente niet kunnen constateren dat deze conclusie onjuist is (rov. 2.7). Het Hof oordeelt het niet nodig dat via een deskundigenbericht of bewijsopdracht klaarheid wordt gebracht over het al dan niet geoccupeerd zijn van de steeg, omdat de occupatie, indien daarvan wordt uitgegaan, al meer dan twintig jaren geleden heeft plaatsgevonden. De stichting kan zich dus jegens het Land op verjaring beroepen (art. 3:314 lid 2 jo Pro. 3:105 lid 1 BWC), zie HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309,
NJ2018/141 (
Gemeente Heusden), rov. 3.3.2-3.4. De vrouw en de man hebben ook zelf hierop gewezen, aldus het Hof (rov. 2.8).
Gemeente Heusden, indien deze rechtsvordering niet verjaard is op de voet van art. 3:310 lid 1 BW Pro, de steeg zou willen herstellen en de Pentagonmuur naar binnen verplaatst zou worden, valt niet in te zien dat het daardoor mogelijk ondervonden nadeel opschorting van de verplichtingen van [koper] rechtvaardigt, zoals het Gerecht oordeelde en waarbij het Hof zich thans aansluit.
2.10. Grief 2 faalt derhalve eveneens. De overige grieven hangen samen met de grieven 1 en 2 en delen hun lot.”
3.Ontvankelijkheid
nietover de subsidiaire vordering van koper heeft beslist. Een verzuim om te beslissen over een deel van het gevorderde leent zich voor herstel door middel van aanvulling van het vonnis door het Hof (art. 66a Rv-C, vgl. art. 32 Rv Pro-NL). In een dergelijk geval staat geen cassatieberoep open (art. 399 Rv Pro-NL), aldus verweerders (s.t., nrs. 1.5-1.6 en par. 3 (p. 6-10)).
afgewezen. Het overweegt immers expliciet dat ‘de overige grieven’ (waaronder grief 5, die ziet op de subsidiaire vordering) ‘samenhangen’ met de grieven 1 en 2 en daarom hun lot delen, waarna het Hof het tot afwijzing van de (primaire én subsidiaire) vorderingen strekkende vonnis van het GEA heeft bevestigd. Dat de gegeven motivering (‘samenhang’ met andere grieven) summier is en mogelijk niet juist of begrijpelijk is, doet daaraan niet af.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
primairdat dit oordeel met betrekking tot grief 5 (als begrepen onder ‘de overige grieven’) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Door te oordelen dat grief 5 samenhangt met de grieven 1 en 2 en daarom hun lot deelt, miskent het hof dat het
beoordelingskadervan de grieven 1 en 2 (opschorting) een ander beoordelingskader is dan dat van grief 5 (dwaling). De verwerping van een beroep op opschorting kan de verwerping van een beroep op dwaling dan ook niet (zonder meer) dragen. Het Hof heeft ten onrechte nagelaten afzonderlijk te beoordelen of de overeenkomst vernietigbaar was op grond van dwaling.
Voor het geval het Hof dit niet heeft miskend, klaagt koper
subsidiairdat het oordeel onbegrijpelijk is, nu – gelet op het verschil in beoordelingskader – niet valt in te zien dat grief 5 samenhangt met de grieven 1 en 2 en (wel zodanig dat) deze het lot van die grieven deelt. In ieder geval is het oordeel van het Hof niet of onvoldoende gemotiveerd, nu zonder (nadere) motivering niet voldoende duidelijk is waarop het Hof zijn oordeel baseert dat grief 5 samenhangt met de grieven 1 en 2 en hun lot deelt.
nadeelvan de overbouw geen opschorting rechtvaardigt (rov. 2.9), volgt dat ook het beroep op dwaling moet worden verworpen. Geklaagd wordt dat het Hof aldus blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Voor een succesvol beroep op dwaling is immers niet vereist dat degene die zich daarop beroept door het aangaan van de overeenkomst is benadeeld. Wel is vereist dat hij zonder de dwaling de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Uit het enkele gegeven dat het mogelijk door hem (in casu koper) ondervonden nadeel volgens het Hof geen opschorting rechtvaardigt, volgt (nog) niet dat hij zonder de dwaling de overeenkomst onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten en dat dus niet aan het bedoelde vereiste is voldaan, aldus het subonderdeel.
nietkan worden aangenomen dat koper zonder de dwaling, dus als hij van de overbouw op de hoogte was geweest,
de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, in het bijzonder nu (a) jegens het Land een beroep op verjaring kan worden gedaan (rov. 2.8) en/of (b) de woning waar het hier om gaat niet vlak bij de muur van het complex is gelegen (rov. 2.9). Voor dit geval verwijst het subonderdeel naar een zestal (hypothetische) omstandigheden (i-vi). Het klaagt
primairdat het Hof heeft miskend dat een of meer van die omstandigheden, afzonderlijk en/of tezamen, kunnen meebrengen dat koper de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten als hij van de overbouw op de hoogte was geweest.
Althansis zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom een of meer van die omstandigheden zulks in dit geval niet meebrengen. In ieder geval is het oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat het Hof geen (kenbare) aandacht heeft besteed aan de onder iii-vi genoemde essentiële stellingen van koper, aldus het subonderdeel.
samenhang’ tussen grief 5 en – naar ik veronderstel – de eveneens op de overbouw betrekking hebbende grief 2 bestaat. Het middel oppert drie mogelijke lezingen:
(a) grief 5 faalt op dezelfde gronden als grief 2 (subonderdeel 1.1) [12] ,
(b) de omstandigheid dat mogelijk ondervonden nadeel geen opschorting rechtvaardigt (rov. 2.9) staat ook aan een beroep op dwaling in de weg (subonderdeel 1.2), en
(c) de vaststelling dat sprake is van verkrijgende verjaring (rov. 2.8) en dat de woning niet vlak bij de muur ligt (rov. 2.9) brengt mee dat niet aannemelijk is dat koper zonder dwaling de overeenkomst niet (onder dezelfde voorwaarden) zou hebben gesloten (subonderdeel 1.3).
gedeeltelijketekortkoming – zoals in deze zaak is gesteld (non-conformiteit) – geldt de eis dat de tekortkoming de opschorting moet kunnen rechtvaardigen (art. 7:263 lid 2 BWC Pro). [13]
subonderdeel 1.1slaagt. Het Hof zal de aangevoerde feiten en omstandigheden na verwijzing alsnog moeten toetsen aan de hand van de vereisten van art. 6:228 BWC Pro.
tweede onderdeelbevat de voortbouwklacht dat gegrondbevinding van een of meer klachten van onderdeel 1 ook de beslissingen van het hof in rov. 2.11 en het dictum van EV-Hof aantast.