ECLI:NL:PHR:2022:696

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2022
Publicatiedatum
12 juli 2022
Zaaknummer
21/00353
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 317 SvArt. 331 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek nader gedragsdeskundig onderzoek verdachte ondanks discussie over toerekeningsvatbaarheid

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin de verdachte is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens meerdere ernstige feiten, waaronder doodslag en bedreiging. De verdediging verzocht om een nieuw gedragsdeskundig onderzoek, stellende dat door het verstrijken van tijd de verdachte meer zou kunnen reflecteren, wat mogelijk tot een ander oordeel over zijn toerekeningsvatbaarheid zou kunnen leiden.

Het hof had dit verzoek afgewezen omdat de deskundigen hadden verklaard dat de kans klein was dat een nieuw onderzoek tot nieuwe inzichten zou leiden. De gedragsdeskundigen baseerden hun oordeel op een eerdere uitgebreide klinische observatie van dertien weken en een multidisciplinair rapport. Tijdens de zittingen werd bevestigd dat ondanks de mogelijkheid van meer reflectie, er geen aanwijzingen waren dat de situatie van de verdachte zodanig was veranderd dat een nieuw onderzoek noodzakelijk was.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. De conclusie dat de noodzaak van nader onderzoek niet is gebleken, is voldoende gemotiveerd. Wel merkt de procureur-generaal op dat de redelijke termijn is overschreden, wat strafvermindering kan rechtvaardigen. Het cassatieberoep wordt afgewezen, behoudens de duur van de gevangenisstraf die kan worden verminderd vanwege termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het verzoek tot nader gedragsdeskundig onderzoek wordt afgewezen; cassatieberoep wordt verworpen behalve voor de duur van de gevangenisstraf die wordt verminderd wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00353
Zitting12 juli 2022
(bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 19 januari 2021 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2020 bevestigd met aanvulling van gronden. Bij dat vonnis is de verdachte veroordeeld voor “
doodslag”, “
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, “
verkrachting” en “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Tevens is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met een bevel tot verpleging van overheidswege. Tot slot zijn de vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en is beslist op het beslag, een en ander zoals nader bepaald in het bevestigde vonnis.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.M.J. Comans, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3.
Het middel komt op tegen de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek een gedragsdeskundig onderzoek naar de verdachte te laten plaatsvinden. Het bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebracht standpunt dat door de betrokken deskundigen is bevestigd dat door het verstrijken van de tijd de verdachte meer mogelijkheid heeft gehad tot reflectie en dus een nieuw onderzoek kan leiden tot een ander oordeel betreffende de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

2.De voor het middel relevante feiten

2.1.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2020 volgt dat de raadsman van de verdachte daar voor het eerst het in het cassatiemiddel bedoelde verzoek heeft gedaan. Dit proces-verbaal houdt in:

De voorzitter deelt mede dat het openbaar ministerie en de advocaat-generaal in hoger beroep zijn gegaan. Hij deelt mede dat de raadsman van de verdachte op 24 februari 2020 bij appelschriftuur een onderzoekswens heeft ingediend.
(…)
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld zijn onderzoekswens toe te lichten. Hij deelt mede:
(…)Ik heb niet veel aan de appelschriftuur toe te voegen. Een observatie van 14 weken is ook een aantal maanden. Deze zaak leent zich voor een zorgvuldige beoordeling van mijn cliënt. Ik krijg de indruk dat de deskundigen, gezien de manier waarop zij bevraagd zijn, min of meer naar hun conclusie toe zijn geleid. Mijn inziens is ook mogelijk dat mijn cliënt volledig ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard. Het feit kwam voor mijn cliënt uit de lucht vallen en is hem volledig wezensvreemd. De zaak verdient het om meer mogelijkheden in kaart te brengen en te beproeven. Mijn precieze verzoek is om mijn cliënt voor 7 weken te laten observeren, met een mogelijkheid tot verlenging.
U, voorzitter, zegt mij in de appelschriftuur gelezen te hebben over de mogelijkheid om eerst de deskundigen te vragen of zij het mogelijk achten om de verdachte nader te kunnen onderzoeken. Primair vraag ik om tot de modaliteit over te gaan als voorgesteld in de appelschriftuur en subsidiair aan de deskundigen te vragen of een onderzoek mogelijk is.(…)
Ik weet heel weinig van mijn cliënt. Indien wonder boven wonder mogelijk is na 14 weken een evenwichtiger advies te geven, dan is dat aan te bevelen. Er is al enige tijd verstreken sinds het vorige onderzoek. Je kan redeneren dat mijn cliënt in die tijd meer mogelijkheden heeft gehad om te reflecteren wat hem tot de feiten heeft bewogen. Er kan een verbetering zijn opgetreden, zodat hij beter aan een rapport kan meewerken. Het enige wat ik zeg is dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 januari 2020 lijkt te volgen dat ontoerekeningsvatbaarheid niet is uitgesloten. Er is sprake van een range waarin het oordeel moest worden geveld, van verminderde tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Het lijkt dat de deskundigen hun oordeel in het midden wilden laten maar een stevige kwalificatie moesten geven. Ontoerekeningsvatbaarheid lijkt ook tot de mogelijkheden gehoord te hebben.
U, voorzitter, zegt mij dat medewerking van mijn cliënt noodzakelijk is voor een nader onderzoek en dat het opvalt dat hij vandaag afstand heeft gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn. Ik heb hem gevraagd of hij achter de onderzoekswens in het appelschriftuur staat. Hij zei dat ik moest doen wat mij goeddunkt. Ik heb daarmee besloten dat hij kennelijk medewerking wil verlenen. U, oudste raadsheer, zegt mij dat er sprake is van een groter tijdsverloop vanaf het delict dan bij het vorige rapport. U vraagt mij of een nieuwe observatie dan niet nog minder duidelijke conclusies zal geven. Een gezond iemand die verder verwijderd is van een gebeurtenis, kan beter reflecteren, beter zien wat destijds zijn motieven en drijfveren waren en een beter begrip voor zijn gedrag krijgen. Ik zie niet in waarom dat voor een niet-gezonde geest anders zou zijn. Voor een jurist is dit een moeilijk gebied. Ik kan niet wijzen op onderzoeken waarmee ik kan bewijzen dat het zo is. Het is in ieder geval niet uitgesloten.
U, voorzitter, vraagt mij wat ik vind van het ter terechtzitting horen van de deskundigen. Dat zou wel een heel goed idee zijn, om afwijzing van mijn verzoek te voorkomen. Er moet misschien eerst een deskundige worden gehoord om te horen wat nader onderzoek kan uitwijzen.
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 oktober 2020 houdt vervolgens het volgende in over het verzoek:

De voorzitter hervat het op 2 oktober 2020 onderbroken onderzoek en deelt de overwegingen en beslissingen van het hof op de onderzoekswensen van de verdediging mede:Het hof merkt het verzoek van de raadsman aan als een verzoek op de voet van artikel 317 jo Pro. 331 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ertoe strekkende dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een daartoe bestemde kliniek. De maatstaf voor het oordelen over een dergelijk verzoek is of een klinische observatie noodzakelijk is. De wet schrijft voor alvorens een daartoe strekkend bevel te geven zowel de verdachte als een of meer deskundigen te horen. De verdachte is over onderhavig verzoek niet gehoord omdat hij afstand heeft gedaan van zijn recht op aanwezigheid bij de regiezitting.De verdachte is al eerder klinisch geobserveerd. Nadat in juli 2019 door gedragsdeskundigen zonder resultaat gepoogd is over hem te rapporteren, is hij ter klinische observatie vanaf 29 augustus 2019 gedurende zeven weken opgenomen in Teylingereind. De observatie is verlengd met zeven weken ten behoeve van een zogenaamde medicatie-trial. Het multidisciplinaire rapport is opgemaakt op 13 januari 2020 door psychiater [betrokkene 1] en GZ-psychologe [betrokkene 2] van Teylingereind.Subsidiair heeft de raadsman verzocht deze deskundigen schriftelijk te vragen of een tweede klinische observatie meer duidelijkheid kan verschaffen over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
De verdachte heeft wel meegewerkt aan de eerdere klinische observatie, maar zegt in dat verband zich vrijwel niets van het tenlastegelegde te herinneren. Het zicht op de belevingswereld van [verdachte] is, zo stellen de onderzoekers, voorts beperkt gebleven als gevolg-van verschillende factoren: een sterke terughoudendheid van de verdachte – en bovendien inconsistentie – bij het geven van informatie, een beperkte zelfreflectie en een beperkt mentaliserend vermogen en sterke, bij de problematiek passende loochening, die mogelijk ook weer samenhangt met transculturele factoren zoals schaamte. Tot slot is de onderzoekers niet duidelijk geworden of ook het innemen van een procespositie een rol heeft gespeeld.De gedragsdeskundigen concluderen dat ten tijde van het delict sprake was van een niet nader te specificeren psychotische stoornis en van een stoornis in het gebruik van alcohol. De psychose ten tijde van het delict is vermoedelijk mede het gevolg geweest van middelengebruik maar mogelijk ook van een schizofrene ontwikkelingsgang. Beide onderzoekers hebben niet precies kunnen vaststellen wat er aan de hand is met de verdachte. Of sprake is geweest van algehele ontoerekeningsvatbaarheid zeggen de deskundigen ook niet te kunnen onderbouwen. Het advies is het tenlastegelegde tenminste in verminderde mate toe te rekenen, terwijl sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid of zelfs algehele ontoerekeningsvatbaarheid niet zijn uit te sluiten. Het klinisch gevoel is dat de toestand van de verdachte in de range van verminderd tot sterk verminderd toerekeningsvatbaar heeft gelegen. De deskundigen zijn over een en ander door de rechtbank uitgebreid gehoord.De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar was en heeft hem, naast TBS met dwangverpleging, een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar opgelegd. In geval van volledige ontoerekeningsvatbaarheid zou er geen wettelijke basis meer zijn om een gevangenisstraf op te leggen. Het door de raadsman gedane verzoek is – zo begrijpt het hof – ingegeven door de onduidelijkheid over de mate van toerekeningsvatbaarheid en het open blijven van de mogelijkheid dat de verdachte ten tijde van het delict geheel ontoerekeningsvatbaar was.Het hof acht, gezien de rapportage en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg waarbij de deskundigen reeds uitgebreid zijn gehoord, thans niet noodzakelijk dat nadere observatie plaatsvindt met als doel meer duidelijkheid te krijgen over de mate van (on)toerekeningsvatbaarheid.In zoverre wordt het (primaire) verzoek (vooralsnog) afgewezen.Niettemin ziet het hof in de vragen die ook bij de genoemde gedragsdeskundigen zijn blijven bestaan waar het gaat om de oorzaak van de psychotische stoornis en met name de mate van (on)toerekeningsvatbaarheid wel aanleiding om – gelet op het belang dat de verdediging daarbij heeft – de beide deskundigen ter schriftelijke beantwoording de vraag voor te leggenof er een reële kans is dat een tweede observatie van zeven weken, zo nodig maximaal te verlengen met nog eens zeven weken, eventueel door andere gedragsdeskundigen in een andere kliniek, meer duidelijkheid zal kunnen verschaffen over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het delict en in het bijzonder de mogelijkheid dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is geweest.
Bij een positieve beantwoording van de vraag verzoekt het hof de deskundigen tevens hun oordeel te geven over de vraagwaar een nadere klinische observatie zou moeten plaatsvinden en door wie er zou moeten worden gerapporteerd.
Het hof zal daartoe de zaak verwijzen naar de raadsheer-commissaris.Het hof zal het onderzoek ter terechtzitting schorsen tot 5 januari 2021 te 14.00 uur en de beide deskundigen zullen tevens voorde volgende zitting worden opgeroepen teneinde hen over zowel hun eerdere als hun thans nader gevraagde bevindingen te kunnen horen.Indien daartoe naar aanleiding van de bevindingen van de deskundigen of anderszins aanleiding bestaat, zal namens de verdachte op die volgende zitting het primaire verzoek kunnen worden herhaald, waarop het hof dan zal beslissen, en het onderzoek ter terechtzitting bij toewijzing ervan wederom zal schorsen.
2.3.
Op 13 december 2020 hebben de hiervoor genoemde deskundigen de hiervoor genoemde vragen van het hof schriftelijk beantwoord. Deze brief bevindt zich in het dossier en houdt onder andere het volgende in:

Voor onze conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid – inclusief een toelichting op de totstandkoming en een onderbouwing daarvan – wordt verwezen naar de rapportage van 13 januari 2020. In 13 weken onderzoek is alle mogelijke informatie van dat moment door het onderzoeksteam bijeen gebracht. Met de informatie die is verzameld zijn wij tot deze conclusies en de advisering gekomen. Wanneer er geen nieuwe informatie beschikbaar komt, zullen de conclusies en het advies door ondergetekenden ongewijzigd blijven. Er is ons inziens dan geen aanleiding voor een tweede observatie.
In het geval er geheel nieuwe informatie beschikbaar gekomen is ligt de situatie mogelijk anders. Uit het proces-verbaal van de zitting van 16 oktober 2020 maken ondergetekenden op dat de advocaat van betrokkene meent dat betrokkene zich mogelijk door het verstrijken van de tijd meer zou kunnen herinneren en daardoor beter zou kunnen reflecteren op het ten laste gelegde. In gedragskundige zin kan dat inderdaad mogelijk worden geacht en kan dat eventueel reden zijn voor een aanvullend onderzoek om deze informatie te onderzoeken.”
2.4.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 januari 2021 heeft de raadsman daar het in het cassatiemiddel bedoelde verzoek opnieuw gedaan en is een van de deskundigen op zitting gehoord. In dit proces-verbaal staat het volgende:

De voorzitter maakt melding van de volgende bij het hof ingekomen stukken:
(…)- een brief van [betrokkene 2] en [betrokkene 1], van 13 december 2020, inhoudende antwoorden van deze deskundigen op door het hof in het proces-verbaal van 16 oktober 2020 geformuleerde vragen;- een brief van [betrokkene 1] van 31 december 2020, inhoudende dat hij in verband met ziekte heden niet als getuige ter terechtzitting kan verschijnen.(…)Het hof gaat over tot het horen van de verschenen deskundige. (…)
De deskundige [betrokkene 2], (…) GZ-psycholoog, verklaart:Ik ben in staat om mede namens [betrokkene 1], psychiater, te verklaren. Buiten het onderzoek dat in de dubbelrapportage is beschreven, ben ik niet bij de verdachte betrokken geweest. Ik heb de rapportage voorafgaand aan de zitting bekeken en sta nog steeds achter de inhoud daarvan. De rapportage is wel van een jaar geleden, dus in die zin weten wij, rapporteurs, niet wat er in die tijd is veranderd. Naar aanleiding van wat vandaag is besproken en de reacties die de verdachte heeft gegeven valt mij op hoe de verdachte zich presenteert. Dat hij weinig wil en kan vertellen komt overeen met zijn houding tijdens de zitting bij de rechtbank en tot op zekere hoogte ook tijdens de observatie. De observatie vond wel in een andere setting plaats, waardoor er meer ruimte was om met elkaar in gesprek te komen en wij, rapporteurs, meer hebben gehoord. Ook toen was het wisselend: de ene keer kon hij meer vertellen dan de andere keer. De ene keer leek hij ook meer te willen vertellen en meer open te zijn. Wij zien dat als een onderdeel van zijn problematiek. Hij heeft veel moeite om te vertellen wat in hem omgaat, wat hem bezig houdt en wat zijn gevoelens zijn.De voorzitter zegt mij dat in het rapport staat dat er geen duidelijkheid is over wanen of bevelshallucinaties ten tijde van het delict en vraagt of er wel aanwijzingen waren voor wanen of hallucinaties tijdens het delict. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de verdachte ten tijde van het delict psychotisch en in de war was. Dat blijkt voornamelijk uit hetgeen de omstanders vertelden, de omstandigheden waaronder de verdachte door de politie is aangetroffen, hoe hij in de processen-verbaal is omschreven en hoe zijn gedrag op dat moment was. Hij vertoonde bizar gedrag en toonde buitensporig geweld. Zijn realiteitstoetsing leek niet in orde. Op het moment dat anderen hem aanspraken kwam hij niet bij zinnen, maar vertoonde hij alleen maar meer agressie. Dat zijn allemaal aanwijzingen voor psychotisch gedrag. Omdat wij met hem niet hebben kunnen spreken over wat er precies gebeurd is, hoe hij zich voelde, hoe hij gehandeld heeft en of hij belemmerd was in zijn keuzevrijheid, weten wij helemaal niet wat er in zijn hoofd is gebeurd. Wij weten dus niet of er sprake was van waanachtige gedachtes, hallucinaties of dat de verdachte opdrachten kreeg in zijn hoofd om bepaalde dingen uit te voeren, maar wij sluiten dat ook niet uit. Dat de gedragingen zo open en bloot hebben plaatsgevonden, is een duidelijke aanwijzing voor een psychotische toestand. Iemand die niet zo in de war is, zou zulke gedragingen doorgaans proberen te verbergen.
(…)De voorzitter zegt mij dat het oorspronkelijke advies van ‘ten minste verminderd toerekeningsvatbaar’ tijdens de zitting van de rechtbank in ‘sterk verminderd toerekeningsvatbaar’ is veranderd en vraagt mij waar dat verschil vandaan kwam. Vroeger hanteerden wij een vijfpuntsschaal voor ontoerekeningsvatbaarheid, waarin de schalen ‘verminderd’, ‘sterk verminderd’ en ‘volledig’ niet toe te rekenen stonden. In ons rapport hebben wij geschreven dat de feiten de verdachte in elk geval ‘verminderd’, mogelijk ‘sterk verminderd’ en ook mogelijk ‘volledig’ niet zijn toe te rekenen. De rechtbank heeft gevraagd waar de verdachte op een vierpuntsschaal zou moeten worden ingedeeld. Gezien de manier waarop de verdachte zich op dat moment presenteerde en gezien zijn problematiek komen wij eerder uit op ‘sterk verminderd’ dan op ‘verminderd’. Wij baseren het niet op hetgeen [verdachte] zelf kan vertellen over zijn handelen, gedachten, gevoelens en keuzes op dat moment.De voorzitter zegt mij dat uitvoerig uit het rapport naar voren komt dat niet precies kon worden vastgesteld wat er aan de hand is met de verdachte, dat daarvoor nadere diagnostiek nodig is en dat die nadere diagnostiek lijkt te zien op de vraag of schizofrenie of middelengebruik oorzaak is van zijn psychische ontregeling. Op de vraag van de voorzitter daarnaar, kan ik zeggen dat het onderscheid tussen schizofrenie ofwel middelengebruik als oorzaak van de psychische ontregeling wel relevant is voor de behandeling van de verdachte, maar niet relevant voor de vraag naar de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.De voorzitter houdt de inhoud van de brief van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] van 13 december 2020 voor. De deskundige verklaart:Toen wij, rapporteurs, de verdachte onderzochten, was hij niet acuut psychotisch. Hij was in de realiteit en in staat om over dingen te praten. Ik verwacht daar geen grote veranderingen in. Het zou kunnen dat hij nu meer ruimte heeft om erover na te denken en erover te praten, omdat er meer tijd overheen is gegaan. Tegelijk weten wij dat het reflecteren erg ingewikkeld voor hem is en dat daar behandeling voor nodig is. Ik denk dat hij het afgelopen jaar geen hulp heeft gehad, dus ik verwacht niet dat er meer reflectie heeft plaatsgevonden.
(…)De raadsman deelt mede:Ik heb met mijn cliënt besproken of hij bereid is zich aan medicatie te onderwerpen. Hij heeft mij nadrukkelijk gezegd dat hij daartoe bereid is. Ik wil weten of er sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Mijn insteek is dat daartoe alles beproefd dient te worden. Ik vraag nu aan de getuige of er, in weerwil van haar verklaring dat er vandaag geen aanwijzingen zijn voor een andere beoordeling, een reële kans is dat er een inhoudelijke beoordeling van de psyche van mijn cliënt kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door iemand anders hem te laten bezoeken of als mijn cliënt zich daadwerkelijk inspant?De deskundige verklaart:Wij, rapporteurs, hebben de verdachte behoorlijk vaak gesproken, zo’n acht à negen keer. In die tijd hebben we hier vaak met hem over gesproken. Tijdens deze gesprekken is er weinig beweging gekomen. De omstandigheden moeten echt veranderen, wil die reële kans er zijn. Wij hebben tijdens de vorige observatie de medicatie afgebouwd, omdat wij de indruk hadden dat de verdachte wat gesedeerd was en er vragen waren of zijn medicatie de juiste was. Toen zagen wij dat de verdachte wat actiever en levendiger werd, maar ook dat was wisselend. Hij vertelde wel iets meer, waardoor wij iets meer van hem wisten, maar uiteindelijk hebben wij toch geen heel uitgebreid beeld van hem gekregen.Wij denken niet dat sprake is van geheugenverlies. Wij weten niet precies wat de verdachte nog weet van zijn psychotische beleving. Er zijn andere casussen waarvan wij weten dat personen te maken hadden met geheugenverlies, maar dat is bij de verdachte niet zo.(…)De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:(…)Ik gun mijn cliënt een andere, nadere beoordeling. De mogelijkheid bestaat dat hij toch volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Er zijn aanwijzingen dat mijn cliënt lijdt onder zo een heftige problematiek dat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Het hof heeft de grote verantwoordelijkheid een goede beslissing te nemen. Ik doe een voorwaardelijk verzoek de verdachte ter nadere observatie te plaatsen in een kliniek voor de duur van zeven weken, zodat – ook al is die kans misschien niet levensgroot en ook al zijn er vraagtekens gerezen over de bereidheid van mijn cliënt daaraan mee te werken en over de vraag of bij gelijkblijvende omstandigheden een nieuwe conclusie getrokken kan worden – er toch een kans is dat tot een andere beoordeling van de mate van zijn toerekeningsvatbaarheid wordt gekomen. Bij dit dilemma moet het zekere voor het onzekere worden genomen. Wat zijn zeven weken op een mensenleven? Zo kan er wellicht toch licht in de duisternis verschaft worden.
2.5.
De uitspraak van het hof van 19 januari 2021 houdt het volgende in met betrekking tot de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en de afwijzing van het verzoek:

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard voor het aan hem ten laste gelegde, zodat aan hem naast TBS met dwangverpleging geen straf kan worden opgelegd. Hij heeft verzocht de zaak aan te houden voor het laten doen van nader onderzoek – zoals eerder in Teylingeind heeft plaatsgevonden – indien het hof de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar acht.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Met betrekking tot de verdachte is een Pro Justitia rapport opgemaakt op 13 januari 2020, door psychiater [betrokkene 1] en GZ-psychologe [betrokkene 2]. Dit rapport is tot stand gekomen na multidisciplinair onderzoek en (verlengde) klinische observatie van de verdachte gedurende in totaal dertien weken in Teylingereind. Het gedragskundig team adviseert daarin de verdachte het ten laste gelegde ten minste in verminderde mate toe te rekenen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de psychiater verklaard dat volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet kon worden onderbouwd. De rechtbank heeft geconcludeerd tot sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Op verzoek van het hof hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] schriftelijk vragen van het hof beantwoord. Zij verklaren in hun brief van 13 december 2020 dat in de dertien weken onderzoek alle mogelijke informatie bijeen is gebracht, op basis waarvan zij tot hun conclusies en advies zijn gekomen. “Wanneer geen nieuwe informatie beschikbaar komt, zullen de conclusie en het advies door ondergetekenden ongewijzigd blijven
”. [betrokkene 2] is ook ter terechtzitting in hoger beroep gehoord. Zij is bij het eerdere advies gebleven en ook ter zitting heeft zij verklaard dat de kans klein is dat nader onderzoek van de verdachte leidt tot nieuwe informatie en (andere) inzichten.Noch de brief van 13 december 2020, noch de verklaring van [betrokkene 2], noch hetgeen overigens ter terechtzitting naar voren is gebracht, geven derhalve aanleiding om tot nader onderzoek – al dan niet in de vorm van een herhaalde klinische observatie van de verdachte – te besluiten. Het hof acht zich ook overigens voldoende voorgelicht. Het hof acht nader onderzoek van de verdachte daarom niet noodzakelijk en wijst het verzoek van de raadsman daartoe af.

3.De beoordeling van het middel

3.1.
In de toelichting op het middel voert de steller van het middel aan dat voor de afwijzende beslissing op het verzoek “
in feite” redengevend is geweest de mededeling van de deskundigen (in de brief van 13 december 2020) dat wanneer geen nieuwe informatie beschikbaar komt, de conclusies en het advies van die deskundigen ongewijzigd zullen blijven. Het hof miskent volgens de steller van het middel evenwel dat de deskundigen wel degelijk de mogelijkheid openhouden dat de verdachte in de tussentijd meer ruimte heeft gehad om over het delict en zijn gedrag na te denken en erover zou kunnen gaan praten. Dit blijkt uit de brief van 13 december 2020, waarin de deskundigen stellen dat dit in gedragskundige zin inderdaad mogelijk kan worden geacht en dat dit reden kan zijn voor aanvullend onderzoek. Het blijkt ook uit het verhoor van deskundige [betrokkene 2] als deskundige ter terechtzitting. Nu de wijze waarop verdachte zich presenteerde in de opmaat tot het eerste advies van belang is voor het advies, zou aldus meer inzicht in het ten laste gelegde door de uitlatingen van de verdachte tot een ander advies kunnen leiden. Tegen die achtergrond had het hof het (voorwaardelijk) verzoek tot het plaatsen in een kliniek ter observatie niet kunnen afwijzen, of althans is die afwijzing niet naar de eisen der wet met redenen omkleed, aldus de steller van het middel.
3.2.
De klacht dat het hof miskent dat “
de deskundigen wel degelijk de mogelijkheid openhouden dat de verdachte in de tussentijd meer ruimte heeft gehad om erover na te denken en erover zou kunnen gaan praten” berust mijns inziens op een betrekkelijk selectieve lezing van hetgeen de deskundigen op geleide van vragen naar voren hebben gebracht in de brief van 13 december 2020 en bij het verhoor van een van hen ([betrokkene 2]) ter zitting. Kort gezegd houdt dat inderdaad in dat het zou kunnen dat de verdachte wegens het tijdsverloop meer ruimte heeft gehad voor reflectie. In de brief staat evenwel ook vermeld: “
Wanneer geen nieuwe informatie beschikbaar komt, zullen de conclusie en het advies door ondergetekenden ongewijzigd blijven.” De deskundige [betrokkene 2] verklaarde dat zij geen grote veranderingen verwacht. Op vragen van de raadsman of er door nader onderzoek een reële kans is dat er een inhoudelijke beoordeling van de psyche van de verdachte kan worden gemaakt, verklaarde zij: “
De omstandigheden moeten echt veranderen, wil die reële kans er zijn.” In het vraaggesprek daaraan voorafgaand blijkt dat zij van oordeel is dat die omstandigheden, gelet op wat zij ter zitting van de verdachte heeft gezien, niet zijn veranderd.
3.3.
Hoe dan ook acht ik de vaststelling van het hof dat de deskundige heeft verklaard (ik citeer het hof) “
dat de kans klein is dat nader onderzoek van de verdachte leidt tot nieuwe informatie en (andere) inzichten”, in het licht van hetgeen ter zitting ter sprake is gekomen, geen onbegrijpelijke parafrase van de woorden van de deskundige. Het vervolgens (mede) daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de noodzaak van dat onderzoek (om die redenen) niet is gebleken, acht ik evenmin onbegrijpelijk.
3.4.
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1.
Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
4.2.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het cassatieberoep is ingesteld, terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft. Daarmee is de redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf.
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG