Conclusie
1.Het cassatieberoep
doodslag”, “
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, “
verkrachting” en “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Tevens is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met een bevel tot verpleging van overheidswege. Tot slot zijn de vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en is beslist op het beslag, een en ander zoals nader bepaald in het bevestigde vonnis.
2.De voor het middel relevante feiten
De voorzitter deelt mede dat het openbaar ministerie en de advocaat-generaal in hoger beroep zijn gegaan. Hij deelt mede dat de raadsman van de verdachte op 24 februari 2020 bij appelschriftuur een onderzoekswens heeft ingediend.
De voorzitter hervat het op 2 oktober 2020 onderbroken onderzoek en deelt de overwegingen en beslissingen van het hof op de onderzoekswensen van de verdediging mede:Het hof merkt het verzoek van de raadsman aan als een verzoek op de voet van artikel 317 jo Pro. 331 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ertoe strekkende dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een daartoe bestemde kliniek. De maatstaf voor het oordelen over een dergelijk verzoek is of een klinische observatie noodzakelijk is. De wet schrijft voor alvorens een daartoe strekkend bevel te geven zowel de verdachte als een of meer deskundigen te horen. De verdachte is over onderhavig verzoek niet gehoord omdat hij afstand heeft gedaan van zijn recht op aanwezigheid bij de regiezitting.De verdachte is al eerder klinisch geobserveerd. Nadat in juli 2019 door gedragsdeskundigen zonder resultaat gepoogd is over hem te rapporteren, is hij ter klinische observatie vanaf 29 augustus 2019 gedurende zeven weken opgenomen in Teylingereind. De observatie is verlengd met zeven weken ten behoeve van een zogenaamde medicatie-trial. Het multidisciplinaire rapport is opgemaakt op 13 januari 2020 door psychiater [betrokkene 1] en GZ-psychologe [betrokkene 2] van Teylingereind.Subsidiair heeft de raadsman verzocht deze deskundigen schriftelijk te vragen of een tweede klinische observatie meer duidelijkheid kan verschaffen over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Bij een positieve beantwoording van de vraag verzoekt het hof de deskundigen tevens hun oordeel te geven over de vraagwaar een nadere klinische observatie zou moeten plaatsvinden en door wie er zou moeten worden gerapporteerd.
Het hof zal daartoe de zaak verwijzen naar de raadsheer-commissaris.Het hof zal het onderzoek ter terechtzitting schorsen tot 5 januari 2021 te 14.00 uur en de beide deskundigen zullen tevens voorde volgende zitting worden opgeroepen teneinde hen over zowel hun eerdere als hun thans nader gevraagde bevindingen te kunnen horen.Indien daartoe naar aanleiding van de bevindingen van de deskundigen of anderszins aanleiding bestaat, zal namens de verdachte op die volgende zitting het primaire verzoek kunnen worden herhaald, waarop het hof dan zal beslissen, en het onderzoek ter terechtzitting bij toewijzing ervan wederom zal schorsen.”
Voor onze conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid – inclusief een toelichting op de totstandkoming en een onderbouwing daarvan – wordt verwezen naar de rapportage van 13 januari 2020. In 13 weken onderzoek is alle mogelijke informatie van dat moment door het onderzoeksteam bijeen gebracht. Met de informatie die is verzameld zijn wij tot deze conclusies en de advisering gekomen. Wanneer er geen nieuwe informatie beschikbaar komt, zullen de conclusies en het advies door ondergetekenden ongewijzigd blijven. Er is ons inziens dan geen aanleiding voor een tweede observatie.
De voorzitter maakt melding van de volgende bij het hof ingekomen stukken:
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard voor het aan hem ten laste gelegde, zodat aan hem naast TBS met dwangverpleging geen straf kan worden opgelegd. Hij heeft verzocht de zaak aan te houden voor het laten doen van nader onderzoek – zoals eerder in Teylingeind heeft plaatsgevonden – indien het hof de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar acht.
”. [betrokkene 2] is ook ter terechtzitting in hoger beroep gehoord. Zij is bij het eerdere advies gebleven en ook ter zitting heeft zij verklaard dat de kans klein is dat nader onderzoek van de verdachte leidt tot nieuwe informatie en (andere) inzichten.Noch de brief van 13 december 2020, noch de verklaring van [betrokkene 2], noch hetgeen overigens ter terechtzitting naar voren is gebracht, geven derhalve aanleiding om tot nader onderzoek – al dan niet in de vorm van een herhaalde klinische observatie van de verdachte – te besluiten. Het hof acht zich ook overigens voldoende voorgelicht. Het hof acht nader onderzoek van de verdachte daarom niet noodzakelijk en wijst het verzoek van de raadsman daartoe af.”
3.De beoordeling van het middel
in feite” redengevend is geweest de mededeling van de deskundigen (in de brief van 13 december 2020) dat wanneer geen nieuwe informatie beschikbaar komt, de conclusies en het advies van die deskundigen ongewijzigd zullen blijven. Het hof miskent volgens de steller van het middel evenwel dat de deskundigen wel degelijk de mogelijkheid openhouden dat de verdachte in de tussentijd meer ruimte heeft gehad om over het delict en zijn gedrag na te denken en erover zou kunnen gaan praten. Dit blijkt uit de brief van 13 december 2020, waarin de deskundigen stellen dat dit in gedragskundige zin inderdaad mogelijk kan worden geacht en dat dit reden kan zijn voor aanvullend onderzoek. Het blijkt ook uit het verhoor van deskundige [betrokkene 2] als deskundige ter terechtzitting. Nu de wijze waarop verdachte zich presenteerde in de opmaat tot het eerste advies van belang is voor het advies, zou aldus meer inzicht in het ten laste gelegde door de uitlatingen van de verdachte tot een ander advies kunnen leiden. Tegen die achtergrond had het hof het (voorwaardelijk) verzoek tot het plaatsen in een kliniek ter observatie niet kunnen afwijzen, of althans is die afwijzing niet naar de eisen der wet met redenen omkleed, aldus de steller van het middel.
de deskundigen wel degelijk de mogelijkheid openhouden dat de verdachte in de tussentijd meer ruimte heeft gehad om erover na te denken en erover zou kunnen gaan praten” berust mijns inziens op een betrekkelijk selectieve lezing van hetgeen de deskundigen op geleide van vragen naar voren hebben gebracht in de brief van 13 december 2020 en bij het verhoor van een van hen ([betrokkene 2]) ter zitting. Kort gezegd houdt dat inderdaad in dat het zou kunnen dat de verdachte wegens het tijdsverloop meer ruimte heeft gehad voor reflectie. In de brief staat evenwel ook vermeld: “
Wanneer geen nieuwe informatie beschikbaar komt, zullen de conclusie en het advies door ondergetekenden ongewijzigd blijven.” De deskundige [betrokkene 2] verklaarde dat zij geen grote veranderingen verwacht. Op vragen van de raadsman of er door nader onderzoek een reële kans is dat er een inhoudelijke beoordeling van de psyche van de verdachte kan worden gemaakt, verklaarde zij: “
De omstandigheden moeten echt veranderen, wil die reële kans er zijn.” In het vraaggesprek daaraan voorafgaand blijkt dat zij van oordeel is dat die omstandigheden, gelet op wat zij ter zitting van de verdachte heeft gezien, niet zijn veranderd.
dat de kans klein is dat nader onderzoek van de verdachte leidt tot nieuwe informatie en (andere) inzichten”, in het licht van hetgeen ter zitting ter sprake is gekomen, geen onbegrijpelijke parafrase van de woorden van de deskundige. Het vervolgens (mede) daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de noodzaak van dat onderzoek (om die redenen) niet is gebleken, acht ik evenmin onbegrijpelijk.
4.Slotsom
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.