Conclusie
adv.: mr. K. Aantjes
adv.: mr. B.H.M. Fleuren
werknemer) is tot oktober 2016 in dienst geweest van verweerster (hierna:
werkgever). Werknemer is bestuurder van een aantal oorspronkelijk aan werkgever gelieerde vennootschappen. De arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer is geëindigd door middel van een beëindigingsovereenkomst. Werknemer vordert dat werkgever wordt veroordeeld tot betaling van uit de beëindigingsovereenkomst voortvloeiende vergoedingen. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat op het aan werknemer te betalen bedrag een gedeelte ter grootte van € 75.000,- in mindering mag worden gebracht, omdat deze som al is voldaan doordat deze in mindering is gebracht op de schuldpositie van een vennootschap van werknemer in haar rekening-courantverhouding met werkgever. Het hof heeft dit oordeel bekrachtigd. Het principale cassatieberoep richt zich met diverse rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel. De klachten slagen niet, zodat het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van werkgever buiten bespreking kan blijven.
1.Feiten
PCH) en haar dochtervennootschappen (Pet Centre Shop B.V., Pet Centre Shop Huizen B.V., Pet Centre Shop Hilversum B.V. en Pet Centre Shop Almere B.V.), zijnde dierenartspraktijken met een commerciële insteek. Pet Products Holding B.V. (hierna:
PPH), de aan werkgever gelieerde Stichting Vrienden Dierenasiel Crailo en de Stichting Vrienden Dierenasiel Almere waren de aandeelhouders van PCH. Werknemer is enig bestuurder en aandeelhouder van PPH. PPH is bestuurder en enig aandeelhouder van Vepa B.V. (hierna:
Vepa).
[betrokkene 1]), onderhandeld over de financiële afwikkeling, met als doel om deze afspraken op te nemen in een vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer en een managementovereenkomst tussen onder andere Vepa (later PPH) en werkgever.
reservering ontslagvergoeding”.
- de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever met ingang van 1 oktober 2016 is beëindigd met wederzijds goedvinden op initiatief van werkgever;
- dat werkgever aan werknemer een ontslagvergoeding van € 72.049,- betaalt;
- dat werkgever aan werknemer € 22.997,97 netto betaalt aan openstaande vakantiedagen alsmede achterstallige indexering van zijn bruto maandsalaris, bijdragen aan de ziektekostenverzekering en kilometer- en reiskostenvergoeding;
2.Procesverloop
primairwerkgever wordt veroordeeld tot betaling aan werknemer van:
reservering ontslagvergoeding”. [Werknemer] heeft op 8 september 2016 aan [betrokkene 1] een e-mail gestuurd met daarin de vraag: “
Die vergoeding wilde je dan in de RC tussen [werkgever] en Vepa verrekenen en dan dat Vepa mij persoonlijk een lening zou geven? Graag hierover snelle actie want anders moet ik weer met lege handen op zitting komen en dat zal niet worden geaccepteerd denk ik.”[ [12] ] [Werknemer] heeft niet weersproken dat deze e-mail op de vermindering van de rekening courantschuld ziet. Daar komt bij dat tussen partijen in eerste instantie is gesproken over het uitbetalen van de ontslagvergoeding via de vennootschap van [werknemer]. Gelet op dit alles kan [werknemer] zich er niet op beroepen dat [werkgever] niet bevrijdend (aan de verkeerde) heeft betaald. Deze € 75.000,- moet dan ook in mindering worden gebracht op de vorderingen van [werknemer].”
grief Iis werknemer opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat op de aan werknemer toekomende bedragen een bedrag van € 75.000,- in mindering moet worden gebracht.
Beëindigingsvergoeding4.14 De kantonrechter heeft geoordeeld dat op de aan [werknemer] toekomende bedragen in verband met de hiervoor onder 3.8 genoemde boeking in de administratie van [werkgever] een bedrag van € 75.000,- in mindering dient te worden gebracht. [Werknemer] is het hier niet mee eens.
4.16 Aan [werknemer] kan worden toegegeven dat hij en Vepa andere juridische entiteiten zijn, maar dit staat verrekening niet in de weg. De verrekening is in het kader van de onderhandelingen tussen partijen over de arbeidsrechtelijke exit van [werknemer] aan de orde gesteld en door [ [betrokkene 1] ] geadministreerd, waarbij de over het bedrag verschuldigde loonbelasting aan de belastingdienst is voldaan. [Werkgever] mocht ervan uit gaan dat met deze verrekening bevrijdend aan [werknemer] was betaald. Uit de e-mail van mr. E van Schalk aan [werknemer] van 28 februari 2017 blijkt bovendien dat [werknemer] twee weken voorafgaand aan de overeengekomen essentialia van de vaststellingsovereenkomst de bedoeling had om de beëindigingsvergoeding via zijn persoonlijke vennootschap Vepa te laten lopen. Gelet hierop valt niet in te zien waarom de verrekening niet zou stroken met de bedoeling van de vaststellingsovereenkomst, zoals door [werknemer] is aangevoerd.”
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
(i) nimmer een betaling heeft plaatsgevonden en
(ii) de betaling in de administratie van Vepa niet terug te vinden is. [15]
geen bedrag is voldaan’, hetgeen het hof in het licht van de eerdere stelling van werknemer dat er ‘
geen geldstroom is ontstaan, noch (...) dit bedrag werkelijk is voldaan’ (MvG nr. 12) kennelijk heeft opgevat als de stelling dat er niet feitelijk een bedrag/geldstroom van werkgever naar Vepa is gegaan. Werknemer verbindt hieraan de gevolgtrekking dat geen sprake is van ‘vermindering’ van de schuldpositie van Vepa (MvG nr. 15). Het hof heeft deze stellingen terecht verworpen. Aan boeking c.q. verrekening in rekening-courant is immers inherent dat vermindering van een schuld kan plaatsvinden zonder feitelijke overgang van een geldsom (art. 6:140 BW Pro).
werkgeverinzake de rekening-courant met Vepa wel een creditpost ‘
reservering ontslagvergoeding’ ad € 75.000,- wordt vermeld. [16]
Subonderdeel II.2klaagt dat, voor zover het hof een en ander niet heeft miskend, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Daartoe wordt ten eerste aangevoerd dat de door het hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden niet de conclusie kunnen dragen dat sprake is van overeenstemming. Ten tweede betoogt werknemer dat het hof heeft nagelaten een drietal essentiële stellingen kenbaar in zijn beoordeling te betrekken, terwijl die stellingen tot een ander oordeel hadden moeten leiden.
Subonderdeel II.3berust op de veronderstelling dat volgens het hof werknemer bij werkgever het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt in te stemmen met verrekening (art. 3:35 BW Pro). Volgens het middel kunnen de door het hof genoemde omstandigheden dit oordeel niet dragen.
verrekening in eigenlijke zin, dat wil zeggen verrekening als bedoeld in art. 6:127 BW Pro e.v. Daarbij verklaart een schuldenaar jegens zijn schuldeiser dat hij zijn schuld met een vordering verrekent of doet hij een beroep op de delging van een schuld door een al voltooide verrekening. [17] Door de verrekening vallen schuld en vordering tot hun gemeenschappelijk beloop tegen elkaar weg. Hierin manifesteert zich de betalingsfunctie van verrekening. [18] Een partij is bevoegd tot verrekening als voldaan is aan de vereisten van art. 6:127 lid 2 BW Pro [19] : (i) de betrokken partijen zijn over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar (wederkerigheid); (ii) de schuldenaar heeft een prestatie te vorderen die beantwoordt aan zijn schuld (gelijksoortigheid); (iii) de schuldenaar is bevoegd tot betaling van zijn schuld; en (iv) de schuldenaar is bevoegd tot het afdwingen van de betaling van zijn vordering. Lid 3 geeft een aanvullend (negatief) vereiste: vordering en schuld mogen niet in van elkaar gescheiden vermogens vallen.
Art. 6:127 BW Pro is in beginsel van regelend recht, zodat partijen verrekening contractueel kunnen verruimen, beperken of uitsluiten. Een dergelijke contractuele verruiming kan ook bestaan in een afwijking van het wederkerigheidsvereiste. [20]
verrekening in algemene zin’). In een juridische procedure kan verrekening in algemene zin zich voordoen bij het vaststellen van de omvang van een geldvordering, bijvoorbeeld het vaststellen van de hoogte van een schadevergoeding, waarbij bepaalde posten in mindering op het schadebedrag worden gebracht. [21]
verrekening in processuele zin. In dat geval streept de rechter (op verzoek van een partij) in het dictum veroordelingen in conventie en reconventie tot hun gezamenlijk verloop tegen elkaar weg.
subonderdelen II.1, II.2 en II.3berusten op de lezing dat het hof getoetst heeft of voldaan is aan de vereisten voor verrekening in eigenlijke zin (art. 6:127 BW Pro). Ik meen dat zij daarmee falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
een deel van [de vordering] al is betaald doordat € 75.000,00 in mindering is gebracht op de rekening-courantschuld van Vepa aan [werkgever]’(rov. 4.7)
,zodat werkgever de aan werknemer toekomende bedragen
‘mag verminderen met de € 75.000,00 die in mindering is gebracht op de rekening courantschuld van Vepa aan [werkgever]’(zie dictum onder 5.2). De term ‘verrekening’ wordt daarbij door de kantonrechter niet gebruikt. Het gaat om een wijze van betaling door werkgever aan werknemer, ánders dan door verrekening in de zin van art. 6:127 BW Pro.
inbetalinggeving(art. 6:45 BW Pro) op, waarbij betaling kan plaatsvinden door middel van een andere prestatie dan de aanvankelijk verschuldigde. [24] Daarvoor is toestemming van de schuldeiser vereist. Het hof noemt een aantal omstandigheden: het bespreken en het administreren door de adviseur van werknemer van de verrekening in rekening-courant; het voldoen van loonbelasting; en de bij werkgever bekende bedoeling van werknemer om de vergoeding via zijn persoonlijke vennootschap Vepa te laten lopen. Gelet op deze omstandigheden heeft het hof kennelijk geoordeeld dat sprake was van (stilzwijgende) toestemming voor bevrijdende betaling door middel van een beroep op de verminderde schuldpositie van Vepa, althans van gerechtvaardigd vertrouwen op de schijn van toestemming daartoe.
subonderdelen II.4 en II.5berusten op de lezing dat het hof van oordeel is dat werkgever wordt beschermd door het bepaalde in art. 6:34 BW Pro en bestrijden dat oordeel met een rechts- en een motiveringsklacht.