11. In deze zaak heeft het Hof overwogen dat art. 445, eerste lid, in samenhang met art. 447, eerste lid, SvC vereist dat hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring af te leggen op de griffie van het Gerecht, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt, die door de griffier en degene die de desbetreffende verklaring aflegt, wordt ondertekend. Hiervan is op 11 september 2020 volgens het Hof geen sprake geweest.
12. Deze overweging van het hof is mijns inziens voor tweeërlei uitleg vatbaar. Allereerst kan het zijn dat het hof met zijn overweging als zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte op 11 september 2020 wel een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht, maar dat van die verklaring geen akte is opgemaakt, zodat om die reden van het instellen van hoger beroep op 11 september 2020 geen sprake is geweest. Dat oordeel geeft gelet op het voorgaande blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien kan worden vastgesteld dat de verdachte op 11 september 2020 op de griffie een verklaring in de zin van art. 445, eerste lid, SvC heeft afgelegd, dan heeft de verdachte op 11 september 2020 immers rechtsgeldig hoger beroep ingesteld. Het ontbreken van de akte doet daaraan niet af.
13. Verder kan het zijn dat het hof met de hiervoor weergegeven overweging als zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte op 11 september 2020 niet een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht, zodat om die reden van het instellen van hoger beroep op 11 september 2020 geen sprake is geweest. In dat kader neem ik in aanmerking dat het Hof heeft overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat de verdachte zich op 11 september 2020 bij het gerechtsgebouw heeft gemeld. Daarmee heeft het Hof kennelijk het oog heeft op het als productie 2 aan de pleitnota van de raadsvrouw gehechte uittreksel van de registratielijst van de bezoekers van het Gerecht. Namens de verdachte is daarover aangevoerd dat hieruit blijkt dat de verdachte op 11 september 2020 aan de balie van het Gerecht is verschenen.
14. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich op 11 september 2020 bij het gerechtsgebouw heeft gemeld, maar heeft geen vaststellingen gedaan over de plaats waar of bij wie de verdachte zich heeft gemeld bij het gerechtsgebouw. Het heeft dus ook niet vastgesteld of de plaats waar de verdachte zich heeft gemeld de balie is waar hij geacht werd hoger beroep in te stellen. Daarbij merk ik op dat uit de omstandigheid dat de verdachte te kennen is gegeven dat hij voor het instellen van hoger beroep een advocaat nodig zou hebben, volgt dat de verdachte, toen hij zich meldde bij het gerechtsgebouw, te kennen heeft gegeven dat hij hoger beroep wilde instellen. Gelet hierop heeft het hof de mogelijkheid open gelaten dat de verdachte zich op de juiste plaats heeft gemeld om hoger beroep in te stellen en aldaar ook te kennen heeft gegeven hoger beroep te willen instellen. In dat licht bezien, komt het eventuele oordeel van het hof dat de verdachte op 11 september 2020 niet een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht mij zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk voor.
15. Kortom, indien het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte op 11 september 2020 niet een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht, zodat om die reden van het instellen van hoger beroep op 11 september 2020 geen sprake is geweest, dan komt dat oordeel mij niet zonder meer begrijpelijk voor. Indien het hof heeft geoordeeld dat de verdachte op 11 september 2020 wel een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht, maar dat van die verklaring geen akte is opgemaakt, zodat om die reden van het instellen van hoger beroep op 11 september 2020 geen sprake is geweest, dan geeft dat oordeel naar mijn mening blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
16. De klacht is terecht voorgesteld. Gelet op het voorgaande meen ik dat de overige klachten geen bespreking behoeven. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.