ECLI:NL:PHR:2022:720

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 augustus 2022
Publicatiedatum
22 juli 2022
Zaaknummer
21/03164
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 445 SvCArt. 447 SvCArt. 437 SvArt. 451 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens formele tekortkoming

De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep omdat het hof oordeelde dat het hoger beroep te laat was ingesteld. De verdachte had zich op de laatste dag van de beroepstermijn bij het gerechtsgebouw gemeld en verklaard hoger beroep te willen instellen, maar er werd geen akte opgemaakt vanwege een ambtelijk verzuim.

De advocaat van de verdachte voerde aan dat het enkele verschijnen en de verklaring op de griffie voldoende was om het hoger beroep tijdig in te stellen, ook al ontbrak de akte. De procureur-generaal stelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door te oordelen dat het ontbreken van de akte het instellen van het hoger beroep op 11 september 2020 uitsloot.

De Hoge Raad overwoog dat het afleggen van een verklaring op de griffie voldoende is voor het instellen van hoger beroep en dat het ontbreken van een akte niet doorslaggevend is. Het hof had onvoldoende gemotiveerd vastgesteld of de verdachte daadwerkelijk een verklaring op de griffie had afgelegd. De conclusie van de procureur-generaal was dat het middel gegrond is en dat het vonnis van het hof moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen voor nieuwe behandeling.

De zaak betreft een cassatie tegen een niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens vermeende termijnoverschrijding, waarbij de formele vereisten van het instellen van hoger beroep centraal stonden. De Hoge Raad benadrukt de relativering van het belang van de akte en het belang van daadwerkelijke verklaring op de griffie.

Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis van niet-ontvankelijkheid en verwijst de zaak terug voor nieuwe behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03164 C

Zitting30 augustus 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij vonnis van 3 december 2020 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 28 augustus 2020. In dat vonnis is de verdachte wegens 1, 2 en 5 “diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit is gepleegd in een woning, meermalen gepleegd”, 4 “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit is gepleegd in een woning” en 3 en 6 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit is gepleegd in een woning, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het Gerecht beslissingen genomen over de vorderingen van benadeelde partijen, schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan de verdachte en de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf, een en ander zoals nader in het vonnis omschreven.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het hof dat het hoger beroep te laat is ingesteld getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet zonder meer begrijpelijk is, aangezien door de verdachte op 11 september 2020 hoger beroep is ingesteld.
4. Aan deze klacht is ten grondslag dat de verdachte op 11 september 2020 contact heeft gezocht met een advocaat die hem erop heeft gewezen dat hij diezelfde dag nog bij het Gerecht hoger beroep diende in te stellen en dat de verdachte dezelfde dag nog aan de balie van het Gerecht is verschenen en een verklaring heeft afgelegd dat hij hoger beroep wenst in te stellen tegen het bestreden vonnis. Daaraan doet volgens de steller van het middel niet af dat er geen akte is opgemaakt, aangezien het achterwege blijven daarvan te wijten is aan een ambtelijk verzuim.
5. Het bestreden vonnis houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De verdachte is ter terechtzitting van het Gerecht van 7 augustus 2020 verschenen. Op 28 augustus 2020 werd het vonnis ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Ingevolge het bepaalde in artikel 437, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet het hoger beroep in zo'n geval worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het Gerecht, derhalve uiterlijk op 11 september 2020. Daarnaar ter terechtzitting in hoger beroep gevraagd heeft de verdachte verklaard dat hij op 28 augustus 2020 bij de uitspraak van het Gerecht aanwezig was en dat de rechter had meegedeeld dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kon instellen. Het hoger beroep werd evenwel pas op 19 oktober 2020 door de verdachte ingesteld.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gebracht dat de verdachte zich, op telefonisch advies van mr. A.S.M. Blonk, kantoorgenote van mr. M. Verkade-van Hoek, op 11 september 2020 bij het gerechtsgebouw heeft gemeld met de intentie om hoger beroep in te stellen, maar dat hem toen door een ambtenaar van de Landelijke Beveiligingsdienst (LBD) is medegedeeld dat hij daarvoor een advocaat nodig heeft, waarop de verdachte onverrichter zake is vertrokken.
Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte zich op 11 september 2020 inderdaad bij het gerechtsgebouw heeft gemeld.
De raadsvrouw heeft primair betoogd dat het enkele verschijnen door de verdachte op 11 september 2020 met de intentie hoger beroep in te stellen met zich brengt dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. In subsidiaire zin heeft de raadsvrouw betoogd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Het Hof overweegt als volgt.
Het Hof verwerpt het primaire verweer van de raadsvrouw, aangezien artikel 445, eerste lid, in samenhang met artikel 447, eerste lid, Sv vereist dat hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring af te leggen op de griffie van het Gerecht, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt, die door de griffier en degene die de desbetreffende verklaring aflegt, wordt ondertekend. Hiervan is op 11 september 2020 geen sprake geweest.
[…]
Nu het appel te laat is ingesteld en voorts geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, kan de verdachte niet in zijn hoger beroep worden ontvangen. De verdachte zal dan ook in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.”
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De verdachte verklaart desgevraagd:
Het klopt dat ik bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig was. Dat was op 28 augustus 2020. De rechter zei dat ik 14 dagen de tijd had om hoger beroep in te stellen. Ik kwam nadien naar het Gerechtsgebouw om hoger beroep in te stellen. Ik weet niet meer op welke datum dat was. Toen ik kwam, zei een agent bij de ingang dat mijn advocaat moest tekenen voor hoger beroep. […]
De raadsvrouw deelt mede:
Cliënt heeft op vrijdag 11 september 2020 contact gehad met mijn kantoorgenoot, mr. Blonk. Hij had op dat moment nog geen advocaat. Wij wilden zijn zaak nog niet direct aannemen, dus mr. Blonk hoorde hem aan en adviseerde hem om diezelfde dag hoger beroep in te stellen. Vervolgens hebben we een tijdje niets meer van hem gehoord. Toen hij weer in beeld kwam, begrepen we van hem dat het hem niet was gelukt hoger beroep in te stellen, omdat iemand van de beveiliging tegen hem had gezegd dat hij geen hoger beroep kon instellen zonder advocaat. We hebben contact gehad met de griffie en begrepen daaruit dat cliënt inderdaad langs was geweest om hoger beroep in te stellen. Wij gingen er toen vanuit dat er hoger beroep was ingesteld, maar dat alleen de akte nog moest worden ondertekend. Wij hebben vervolgens het vonnis opgevraagd. Daar ging ook weer tijd overheen. Ik heb mij op 16 oktober 2020 gesteld als advocaat. Op de maandag daarna werd uiteindelijk de akte van hoger beroep ondertekend. […]
[…]
De moeder van de verdachte, ter terechtzitting aanwezig, wordt in de gelegenheid gesteld een verklaring af te leggen. Zij verklaart:
Ik was erbij op 11 september 2020. Wij kregen te horen dat een advocaat moest ondertekenen. […]
[…]
De raadsvrouw pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan de rechter overgelegde pleitnota, die in het dossier wordt gevoegd en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd, en voegt daaraan het volgende toe:
Wij hadden het vonnis niet en cliënt ook niet. Meestal wachten we totdat we het vonnis hebben voordat we actie ondernemen. Met betrekking tot de opmerking van de procureur-generaal dat het niet aannemelijk is dat de parketpolitie de verdachte onjuiste informatie heeft gegeven, merk ik op dat wel vaststaat dat cliënt hier is geweest op 11 september 2020 en dat voldoende aannemelijk is dat hij met een onjuiste mededeling is heengezonden.
[…]
De raadsvrouw dupliceert als volgt:
Uit de registratie van 11 september 2020 in combinatie met de mededeling van mijn collega mr. Blonk dat zij toen contact heeft gehad met cliënt, blijkt mijns inziens voldoende dat cliënt op die datum verkeerd is geïnformeerd. […]”
7. De door de raadsvrouw overgelegde pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“1. Bij uitspraak van 28 augustus 2020 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg cliënt veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren. Voorts heeft het Gerecht in Eerste Aanleg de tenuitvoerlegging van een eerder aan cliënt voorwaardelijk opgelegde straf gelast, te weten een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden.
[…]
3. Cliënt kan zich met dit oordeel niet verenigen en is derhalve in hoger beroep gekomen tegen bedoelde uitspraak.
4. De Akte Hoger Beroep is door cliënt ondertekend op 19 oktober 2020. Dit is evident te laat. Dit laat zich evenwel verklaren en wel als volgt.
5. Cliënt heeft op vrijdag 11 september 2020 terzake het inwinnen van juridisch advies contact opgenomen met het kantoor van gemachtigde. Hij heeft telefonisch gesproken met kantoorgenote mr. A. Blonk. Gelet op het feit dat, conform de telefonische informatie die mr. Blonk op dat moment van cliënt doorkreeg, te weten dat het vonnis dateerde van 28 augustus 2020, die dag ook tevens de laatste dag was dat hoger beroep ingesteld kon worden gelet op de daartoe gestelde wettelijke termijn van twee weken, heeft zij cliënt op dat moment geadviseerd direct in persoon naar het Gerecht te gaan om aldaar, conform art. 445 Sr Pro zelf hoger beroep in te stellen.
6. Dit advies heeft cliënt opgevolgd. Hij is op 11 september 2020 samen met zijn moeder naar het Gerechtsgebouw gegaan alwaar hij te kennen heeft gegeven wat het doel van zijn komst was. Aldaar is hem evenwel door een hem onbekend gebleven medewerker van het Gerecht medegedeeld dat hij zonder advocaat geen hoger beroep zou kunnen instellen. Hij is dan ook onverrichter zaken weer naar huis gegaan.
7. Nu cliënt in verband met zijn medische toestand nader juridisch advies wilde inwinnen heeft hij nadien wederom contact opgenomen met het kantoor van gemachtigde waarbij eerst toen duidelijk werd wat zich op 11 september had voorgedaan. Nu cliënt aangaf wel degelijk de wens te hebben gehad èn te handhaven in hoger beroep te komen van het vonnis van 28 augustus 2020, hebben diverse medewerkers van het kantoor van gemachtigde sedertdien getracht bij het Gerecht te achterhalen of aldaar bekend was dat cliënt die dag was verschenen.
8. Uiteindelijk, bij het herhaaldelijk achterwege blijven van enige relevante informatie […] heeft gemachtigde zich in persoon tot de receptie van het Gerecht gemeld op donderdag 8 oktober 2020 om 11.42 uur. Aldaar is toen gebleken dat cliënt inderdaad op 11 september 2020 aan de balie is verschenen, hetgeen blijkt uit (een uittreksel van) de registratielijst van alle bezoekers die het Gerecht bijhoudt in verband met de Covid-registratie (productie 2).
9. Art 445 Sr Pro bepaalt dat hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt op de griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg. Een nadere vorm waaronder deze verklaring afgegeven dient te worden wordt niet bepaald.
10. Cliënt stelt zich gelet hierop primair op het standpunt dat hij aan vermeld vereiste heeft voldaan nu hij aantoonbaar binnen de wettelijke termijn op het Gerecht een verklaring heeft afgelegd dat hij hoger beroep wenste in te stellen tegen het bestreden vonnis. Zijn aanwezigheid aldaar, nadat hij telefonisch hierover contact had gehad met een raadsvrouwe, kan bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan als een uiting van zijn wens om tegen het in deze zaak gewezen vonnis hoger beroep in te stellen.
11. Client heeft aldus tijdig, binnen twee weken na datum uitspraak, kenbaar gemaakt in hoger beroep te willen tegen de uitspraak.
12. De omstandigheid dat een medewerker van het Gerecht, althans een ambtelijk medewerker, hem toen -pertinent ten onrechte- heeft medegedeeld niet zonder advocaat in de gelegenheid te zijn hoger beroep in te stellen en niet de Akte instellen hoger beroep heeft doen opmaken, kan cliënt niet worden tegengeworpen.
[…]
24. Cliënt verzoekt Uw Hof hem dan ook te ontvangen in zijn hoger beroep.”
8. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- art. 445, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van Curaçao (hierna: SvC):
“Verzet wordt gedaan en hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht in eerste aanleg van elk rechtsgebied.”
- art. 447, eerste lid, SvC:
“Van iedere verklaring of indiening, als bedoeld in de artikelen 445 en 446, maakt de griffier een akte op, die hij met degene, die de verklaring aflegt of het bezwaarschrift inlevert, ondertekent. Indien deze niet kan tekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld.”
9. Ik stel voorop dat op grond van art. 445, eerste lid, SvC hoger beroep wordt ingesteld door het afleggen van een mondelinge verklaring op de griffie van het Gerecht door degene die het rechtsmiddel aanwendt. Van deze verklaring wordt op grond van art. 447, eerste lid, SvC door de griffier een akte opgemaakt die wordt ondertekend door de griffier en de degene die de verklaring aflegt, tenzij die niet kan tekenen. Daarbij verdient opmerking dat het opmaken van de akte in de rechtspraak van de Hoge Raad aanvankelijk als een substantiële vorm werd beschouwd. Het aanwenden van een rechtsmiddel geschiedde niet alleen door het afleggen van een verklaring door degene die het rechtsmiddel aanwendt op de griffie, maar omvatte ook het opmaken van de akte. [1] Nadien is de betekenis van de akte echter gerelativeerd, in die zin dat de akte niet langer doorslaggevend is maar is verworden tot een bewijsstuk. [2] Door het opmaken van de akte wordt zoveel mogelijk voorkomen dat onzekerheid bestaat over de vraag of een rechtsmiddel is ingesteld en tegen welke beslissing(en) dat rechtsmiddel zich richt. [3]
10. Als kan worden vastgesteld dat tijdig op de griffie een verklaring is afgelegd door degene die het rechtsmiddel aanwendt, dan staat het ontbreken van de akte met andere woorden niet langer in de weg aan het oordeel dat het rechtsmiddel is dat rechtsmiddel tijdig en rechtsgeldig ingesteld. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 27 januari 1981, voor zover hier van belang, het volgende:
“'s Hofs vaststelling, dat Mr Van Oostrum zich tijdig ter griffie van de Rb. heeft vervoegd voor het instellen van hoger beroep doch dat de aldaar dienstdoende ambtenaar toch heeft geweigerd de wettelijke voorgeschreven akte op te maken, is bezwaarlijk anders te verstaan dan dat Mr Van Oostrum toen aldaar een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in art. 450 aanhef Pro en onder a in verband met art. 449 eerste Pro lid Sv. Aldus blijkt uit 's Hofs vaststellingen, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. Daaraan kan niet afdoen dat door de weigering van de ter griffie dienstdoende ambtenaar het opmaken van een akte als bedoeld in art. 451 eerste Pro lid van genoemd wetboek achterwege is gebleven.” [4]
11. In deze zaak heeft het Hof overwogen dat art. 445, eerste lid, in samenhang met art. 447, eerste lid, SvC vereist dat hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring af te leggen op de griffie van het Gerecht, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt, die door de griffier en degene die de desbetreffende verklaring aflegt, wordt ondertekend. Hiervan is op 11 september 2020 volgens het Hof geen sprake geweest.
12. Deze overweging van het hof is mijns inziens voor tweeërlei uitleg vatbaar. Allereerst kan het zijn dat het hof met zijn overweging als zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte op 11 september 2020 wel een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht, maar dat van die verklaring geen akte is opgemaakt, zodat om die reden van het instellen van hoger beroep op 11 september 2020 geen sprake is geweest. Dat oordeel geeft gelet op het voorgaande blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien kan worden vastgesteld dat de verdachte op 11 september 2020 op de griffie een verklaring in de zin van art. 445, eerste lid, SvC heeft afgelegd, dan heeft de verdachte op 11 september 2020 immers rechtsgeldig hoger beroep ingesteld. Het ontbreken van de akte doet daaraan niet af.
13. Verder kan het zijn dat het hof met de hiervoor weergegeven overweging als zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte op 11 september 2020 niet een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht, zodat om die reden van het instellen van hoger beroep op 11 september 2020 geen sprake is geweest. In dat kader neem ik in aanmerking dat het Hof heeft overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat de verdachte zich op 11 september 2020 bij het gerechtsgebouw heeft gemeld. Daarmee heeft het Hof kennelijk het oog heeft op het als productie 2 aan de pleitnota van de raadsvrouw gehechte uittreksel van de registratielijst van de bezoekers van het Gerecht. Namens de verdachte is daarover aangevoerd dat hieruit blijkt dat de verdachte op 11 september 2020 aan de balie van het Gerecht is verschenen.
14. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich op 11 september 2020 bij het gerechtsgebouw heeft gemeld, maar heeft geen vaststellingen gedaan over de plaats waar of bij wie de verdachte zich heeft gemeld bij het gerechtsgebouw. Het heeft dus ook niet vastgesteld of de plaats waar de verdachte zich heeft gemeld de balie is waar hij geacht werd hoger beroep in te stellen. Daarbij merk ik op dat uit de omstandigheid dat de verdachte te kennen is gegeven dat hij voor het instellen van hoger beroep een advocaat nodig zou hebben, volgt dat de verdachte, toen hij zich meldde bij het gerechtsgebouw, te kennen heeft gegeven dat hij hoger beroep wilde instellen. Gelet hierop heeft het hof de mogelijkheid open gelaten dat de verdachte zich op de juiste plaats heeft gemeld om hoger beroep in te stellen en aldaar ook te kennen heeft gegeven hoger beroep te willen instellen. In dat licht bezien, komt het eventuele oordeel van het hof dat de verdachte op 11 september 2020 niet een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht mij zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk voor.
15. Kortom, indien het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte op 11 september 2020 niet een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht, zodat om die reden van het instellen van hoger beroep op 11 september 2020 geen sprake is geweest, dan komt dat oordeel mij niet zonder meer begrijpelijk voor. Indien het hof heeft geoordeeld dat de verdachte op 11 september 2020 wel een verklaring heeft afgelegd op de griffie van het Gerecht, maar dat van die verklaring geen akte is opgemaakt, zodat om die reden van het instellen van hoger beroep op 11 september 2020 geen sprake is geweest, dan geeft dat oordeel naar mijn mening blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
16. De klacht is terecht voorgesteld. Gelet op het voorgaande meen ik dat de overige klachten geen bespreking behoeven. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

Conclusie

17. Het middel slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. Melai/Groenhuijsen, art. 451 Sv Pro, aant. 4 (online, actueel t/m 1 augustus 2001).
2.Vgl. Melai/Groenhuijsen, art. 451 Sv Pro, aant. 5 (online, actueel t/m 1 augustus 2001). Zie ook R. Verheul & H.T. Pos,
3.Vgl. B.F. Keulen & G. Knigge,
4.HR 27 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7128,