ECLI:NL:PHR:2022:775

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2022
Publicatiedatum
29 augustus 2022
Zaaknummer
21/02554
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over toepassing strafmaximum bij gewoontewitwassen en redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 juli 2016. Het hof legde een gevangenisstraf op van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Het eerste middel van cassatie betrof de klacht dat het hof ten onrechte het strafmaximum van artikel 420ter Sr, zoals dat sinds 1 januari 2015 geldt (acht jaar), toepaste terwijl het oude strafmaximum (zes jaar) van toepassing zou zijn geweest. De Hoge Raad oordeelde dat het verschil alleen in het strafmaximum ligt en dat het hof de straf binnen het oude maximum hield. Bovendien ontbrak een concrete onderbouwing waarom het hof uitsluitend het nieuwe artikel zou hebben toegepast. Daarom kon het middel niet tot cassatie leiden.

Het tweede middel betrof een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vanwege late indiening van stukken. De Hoge Raad stelde dat zolang uitspraak voor 21 oktober 2022 wordt gedaan, de vertraging gecompenseerd is. Dit middel faalde eveneens.

De Hoge Raad vond geen andere gronden voor vernietiging en verwierp het cassatieberoep. De uitspraak bevestigt dat bij feiten die zich over een overgangsperiode van wetswijzigingen uitstrekken, het toepasselijke strafmaximum zorgvuldig moet worden beoordeeld, maar dat het hof hier geen onrechtmatigheid beging.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor gewoontewitwassen met een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02554

Zitting13 september 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 9 juni 2021 de verdachte wegens 1.
"van het plegen van witwassen een gewoonte maken", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de door de rechtbank opgelegde straf voor de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest.
2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte (21/02556). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van Dongen, R.J. Baumgardt en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 420ter Sr zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2015 (strafmaximum acht jaar), terwijl het bewezen verklaarde feit is begaan in de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 juli 2016 en het hof derhalve toepassing had moeten geven aan artikel 420ter (oud) Sr (strafmaximum zes jaar).
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij – samengevat – in de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 juli 2016 van het witwassen van geldbedragen, een personenauto, een motorfiets, een kavel en een woning met zwembad een gewoonte heeft gemaakt.
6. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“(…)
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft in een periode van ruim drieënhalfjaar een gewoonte gemaakt van witwassen. De verdachte heeft onder andere grote geldbedragen, een auto, een motorfiets, een stuk grond en woning met zwembad op Curaçao witgewassen. Met zijn handelen heeft verdachte geprobeerd directe of indirecte opbrengsten van misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie en de belastingdienst. Dat levert een bedreiging op van de legale economie en vormt een aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel. Door het handelen van personen als de verdachte, wordt aan criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaft en wordt het genereren van illegale winsten uit criminele activiteiten in stand gehouden en bevorderd. Witwassen is een ernstig feit dat bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit in diverse vormen en om die reden de rechtsstaat ondermijnt.
Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en dat hij daarvan kennelijk het laakbare niet inziet.
Witwassen is een ernstig feit, waarop in beginsel met (gedeeltelijk) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur wordt gereageerd. Dat is ook in deze zaak noodzakelijk.
Mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de periode die sinds het plegen van de feiten is verstreken is, alles in aanmerking genomen, een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren in beginsel passend en geboden.
Overschrijding redelijke termijn
(…)
Dit brengt mee dat het hof van de gevangenisstraf van zestien maanden een gedeelte groot zes maanden voorwaardelijk zal opleggen.”
7. Het hof heeft voorts onder het kopje ‘Toepasselijke wettelijke voorschriften’ overwogen:
“De op te leggen straf is gegrond op artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht.”
8. Artikel 420ter Sr luidde tot 1 januari 2015:
“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
9. Met ingang van 1 januari 2015 luidt artikel 420ter lid 1 Sr:
“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.” [1]
10. Aan de stellers van het middel kan worden toegegeven dat het hof onder het kopje ‘Toepasselijke wettelijke voorschriften’ heeft verzuimd alle wettelijke bepalingen te vermelden zoals die golden ten tijde van het bewezen verklaarde feit. In dit geval zijn dat artikel 420ter (oud) Sr én 420ter Sr.
11. Het verschil tussen artikel 420ter (oud) lid 1 Sr en artikel 420ter lid 1 Sr zoals dit geldt vanaf 1 januari 2015 is uitsluitend gelegen in het gewijzigde strafmaximum. De door het hof opgelegde gevangenisstraf blijft echter ver onder het toepasselijke strafmaximum van zes jaren. De stellers van het middel hebben geheel in het midden gelaten op grond waarvan zij menen dat het hof (uitsluitend) toepassing heeft gegeven aan artikel 420ter Sr zoals dit geldt vanaf 1 januari 2015 en derhalve bij de strafoplegging een hoger strafmaximum in aanmerking heeft genomen dan daadwerkelijk van toepassing was. Gelet op de door het hof opgelegde straf is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep bovendien niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146,
NJ2013/241, rov. 2.6.2, bedoelde, in zo’n geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het – rechtens te respecteren – belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.
12. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden.

Het tweede middel

13. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
14. Namens de verdachte is op 21 juni 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 8 maart 2022 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf hoeft dit evenwel niet te leiden indien de Hoge Raad nog voor 21 oktober 2022 uitspraak doet, omdat de vertraging van de inzendtermijn dan wordt gecompenseerd door een voortvarende behandeling van het cassatieberoep.
15. Het tweede middel is tevergeefs voorgesteld.

Slotsom

16. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. Het tweede middel faalt.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Gewijzigd bij wet van 19 november 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het vergroten van de mogelijkheden tot opsporing, vervolging, alsmede het voorkomen van financieel-economische criminaliteit (verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit),