Conclusie
Inleiding
De overwegingen van het Gerecht en van het Hof
Het advies van psychiater [betrokkene 2] in 2017 was om (na een klinische behandeling) een ambulante dwangbehandeling jaarlijks te verlengen en voorlopig niet meer op te heffen. Hij achtte de recidivekans 100% zonder adequate behandeling.
Het wettelijk kader naar Curaçaos recht
Het middel en de bespreking daarvan
Uitleiding
unlawfulis, of in elk geval dient de rechter het nader te motiveren als hij zo een bevel wel geeft. Uit hetgeen ik onder het hoofd IV ‘Het middel en de bespreking daarvan’ heb uiteengezet, staat in het onderhavige geval echter (nog) niet vast dát de opgelegde tbs met verpleging van overheidswege niet overeenkomstig haar doel wordt tenuitvoergelegd en heeft het Hof nader gemotiveerd waarom het deze maatregel heeft opgelegd zonder daarbij voorbij te zijn gegaan aan het gebrekkige executiesysteem op dat vlak.
Brand tegen Nederland. [18] Die zaak betrof de Nederlandse ‘passantenproblematiek’ en is, zoals de steller van het middel zelf ook opmerkt, niet ‘één op één’ vergelijkbaar met de onderhavige situatie. Het Brand-arrest is echter niet zonder betekenis voor de feitelijke tenuitvoerlegging van de tbs met verpleging van overheidswege in Curaçao. De terbeschikkinggestelde Brand had door de nijpende capaciteitstekorten die zich toentertijd op het Nederlandse tbs-veld voordeden ruim veertien maanden als zogenoemde passant in een huis van bewaring moeten wachten voordat hij naar een tbs-kliniek kon worden overgebracht. [19] Het Europees Hof toonde tot op zekere hoogte begrip voor de plaatsingsproblematiek, maar constateerde ook dat sprake was van een structureel probleem waarmee de Nederlandse autoriteiten al jarenlang bekend waren en daarom voor hen voorzienbaar was. [20] Niet verlangde het dat de Staat in elk individueel geval er maar voor te zorgen heeft dat onmiddellijk tot plaatsing in de aangewezen tbs-kliniek wordt overgegaan. Er is ruimte voor een redelijke afweging tussen de verschillende belangen (het EHRM spreekt van een ‘reasonable balance’). Zo heeft enerzijds de terbeschikkinggestelde er belang bij zo snel mogelijk toegang te krijgen tot een instelling waar de sanctie passend kan worden tenuitvoergelegd, maar is het anderzijds door de capaciteitsdruk soms onvermijdelijk dat er enige tijd overheen gaat alvorens een plaats vrijkomt. Het Europees Hof merkt daarbij wel nadrukkelijk op dat een significante vertraging het welslagen van de behandeling binnen de wettelijke tweejaarstermijn [21] beperkt en een langer verblijf in detentie waarschijnlijker maakt. [22] Deze overwegingen moeten worden geplaatst tegen de vooropstellingen die het Europees Hof in het Brand-arrest formuleert: (i) er moet een verband bestaan tussen de grond van de vrijheidsbeneming en de plaats en condities waaronder de detentie ten uitvoer wordt gelegd [23] en (ii) de detentie van iemand met psychische klachten is in beginsel slechts rechtmatig als de detentie wordt geëxecuteerd in een ziekenhuis, een kliniek of een ander daarvoor geschikt instituut. Het ontbreken van een ‘reasonable balance’ in de zaak van Brand tegen Nederland, maakte dat de passantentermijn onrechtmatig werd bevonden. Deze onrechtmatigheid was gelegen in het uitblijven van een tijdige aanvang van de behandeling en niet in de vrijheidsbeneming op zich (de voortgezette detentie). Het oordeel van het Europees Hof luidt in die zaak dan ook dat art. 5, eerste lid, EVRM was geschonden. Bij deze zienswijze zijn kritische kanttekeningen geplaatst. [24] Deze komen er op neer dat het Europees Hof teveel nadruk legt op het belang van de betrokkene bij behandeling en (nagenoeg) voorbijgaat aan de primaire grondslag en de primaire doelstelling van de tbs met verpleging van overheidswege, die beide zijn gelegen in het beveiligingsaspect van deze maatregel, dat wil zeggen in de beveiliging van de maatschappij tegen iemand met een hoog recidiverisico. De behandeling die deze persoon in verband met zijn psychische stoornis nodig heeft, is wat betreft de intramurale tbs-maatregel daaraan secundair. [25] Bleichrodt en Vegter schrijven in hun handboek Sanctierecht (mijns inziens terecht): “Hoezeer het ook wenselijk is dat de behandeling in een daarvoor bestemde kliniek snel kan aanvangen, dat maakt naar onze mening nog niet dat het verblijf van de veroordeelde in een huis van bewaring strijdt met de primaire beveiligingsgrondslag van de door de rechter opgelegde maatregel.” [26]
L.B., § 96, and
Claes, § 98, cited above; see also
Hadžić and Suljić v. Bosnia and Herzegovina, nos. 39446/06 and 33849/08, § 41, 7 June 2011, where the Court held, on the basis of the findings by the Constitutional Court and the CPT, that the psychiatric annex of a prison was not an appropriate institution for the detention of mental health patients, and,
mutatis mutandis,
O.H., cited above, § 88, where the Court took into consideration the views of the Federal Constitutional Court on the appropriate institutions for persons placed in preventive detention).
Oukili, cited above, § 50;
Moreels, cited above, § 52; and
Plaisier, cited above, § 50; for examples of findings of “appropriate care”, see also,
mutatis mutandis,
Bergmann, cited above
,§§ 125-28, concerning a preventive detention centre, and
Papillo v. Switzerland, no. 43368/08, § 48, 27 January 2015, concerning an ordinary prison). Moreover, although the persistent attitude of a person deprived of his or her liberty may contribute to preventing a change in their detention regime, this does not dispense the authorities from taking the appropriate initiatives with a view to providing this person with treatment that is suitable for his or her condition and that would help him or her to regain liberty (see
De Schepper, cited above, § 48;
mutatis mutandis,
O.H., cited above, § 89; and
Swennen, cited above, § 80).
Lorenz, cited above, § 61).
Sy tegen Italië [29] nog het volgende:
Slotsom