Conclusie
1.Feiten
- ...) Mr. Neophitou zond mij een kopie van het ID-bewijs van gedaagde [eiser] . Ik bevestigde hem dat dit inderdaad de persoon is die mijn broer aan mij introduceerde en mij op 23 januari 2016 vergezelde naar BMW Ekris tezamen met gedaagde [betrokkene 1] . Zoals ik op 10 januari 2020 daartoe bereid was, ben ik ook nu bereid dit onder ede te verklaren.
- Ik heb de foto ook aan mijn broer voorgehouden en ook hij bevestigt middels ondertekening van deze verklaring dat gedaagde [eiser] , de [eiser] is, waar ik over sprak in mijn aangifte van 4 juni 2016 en waarover wij spraken ter comparitie van 29 augustus 2018. (…)”
2.Procesverloop
Eerste aanleg
[eiser] NIET aanwezig was tijdens mijn bezoek, met [bestuurder 2] , aan de BMW dealer Ekris”, Dit zou volgens [eiser] aantonen dat, anders dan [bestuurder 2] verklaart, [eiser] niet bij Ekris aanwezig was. De door [eiser] overgelegde verklaring van [betrokkene 1] dat [eiser] niet aanwezig was tijdens het bezoek van [betrokkene 1] met [bestuurder 2] aan Ekris, acht het hof onvoldoende overtuigend. BMW Financial Services wijst er terecht op dat deze verklaring de mogelijkheid open laat dat [eiser] buiten is blijven wachten, zoals ook door [bestuurder 2] is verklaard. Dat [betrokkene 1] op 7 juli 2021 zijn handgeschreven verklaring nog eens heeft bevestigd, en verder heeft aangevuld, maakt dit niet anders. Bovendien blijkt uit de stukken dat [betrokkene 1] een hoofdrol heeft gespeeld in de verduistering van de BMW, zodat het hof ook om die reden zijn (korte) verklaringen minder geloofwaardig acht dan de gedetailleerde en consistente verklaringen van [bestuurder 2] . [eiser] heeft verder nog aangevoerd dat de personen die bij het afsluiten van de leaseovereenkomst bij Ekris aanwezig waren zich hebben moeten legitimeren, zodat BMW Financial Services precies kan weten wie er bij de afspraak van 23 januari 2016 aanwezig waren. Uit de verklaring van [bestuurder 2] volgt echter dat [eiser] buiten heeft staan wachten, zodat de omstandigheid dat [eiser] zich niet bij Ekris heeft gelegitimeerd geen afbreuk kan doen aan hetgeen [bestuurder 2] heeft verklaard.”
om de bovenstaande redenen” tot het oordeel gekomen dat BMW Financial Services is geslaagd in het bewijs dat [eiser] deel heeft uitgemaakt van de groep personen (bedoeld zal zijn de groep bestaande uit [eiser] , [bestuurder 2] en [betrokkene 1] ) [13] die gezamenlijk de BMW hebben verduisterd. In dit verband heeft het hof overwogen dat [eiser] ook in hoger beroep geen aanbod heeft gedaan tot het leveren van tegenbewijs en dat het hof geen aanleiding ziet om ambtshalve tegenbewijs op te dragen. Daarmee geldt, aldus nog steeds het hof, als bewezen dat [eiser] deel heeft uitgemaakt van de groep personen die gezamenlijk de BMW hebben verduisterd. [eiser] heeft volgens het hof verder onvoldoende gemotiveerd betwist dat ook voldaan is aan de overige voorwaarden van art. 6:166 BW Pro (rov. 5.11).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
bewustgezamenlijk optreden ten aanzien van de actie die de schade heeft veroorzaakt, is vereist. Onderdeel 2 heeft dus betrekking op het zojuist genoemde subjectieve criterium, dat relevant is in het kader van voorwaarde i. (randnummers 3.2 en 3.3 hiervoor). Onderdeel 3, ten slotte, voert aan dat het hof heeft miskend dat niet voldaan is aan de voorwaarde dat de kans op het aldus toebrengen van schade de groep personen, onder wie dus de aangesprokene, had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. Dit onderdeel stelt dus voorwaarde ii. aan de orde (randnummer 3.2 hiervoor).
bewustgezamenlijk optreden ten aanzien van de actie die de schade heeft veroorzaakt, in dit geval de verduistering, is vereist. Volgens het onderdeel kunnen de door het hof vastgestelde feiten niet de conclusie dragen dat ten aanzien van de verduistering sprake is van bewust gezamenlijk optreden. Van handelen in groepsverband ten aanzien van de verduistering zou dan ook geen sprake zijn geweest.
bewustheeft samengewerkt met [betrokkene 1] om de BMW te verduisteren. Zo heeft het hof als vaststaand aangenomen en van belang gevonden dat [eiser] [bestuurder 2] heeft voorgesteld aan [betrokkene 1] , dat [eiser] [bestuurder 2] en [betrokkene 1] heeft vergezeld in hun gang naar BMW-dealer Ekris, dat [eiser] en [betrokkene 1] ruzie hebben gekregen over het bedrag van € 6.000 (dat niet aan hen maar aan Clientview toekwam) en, niet in de laatste plaats, dat [eiser] al eerder samen met [betrokkene 1] betrokken is geweest bij het verduisteren van twee BMW’s van een andere BMW-dealer. Het hof hoefde niet nadrukkelijk te overwegen dat [eiser] bewust gezamenlijk met [betrokkene 1] heeft opgetreden (om de BMW te verduisteren); dit volgt al uit de genoemde omstandigheden.
op een lijn” kan worden gesteld met een exces. Uit de door het hof vastgestelde feiten (randnummer 3.10 hiervoor) volgt juist dat [eiser] er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat in elk geval [betrokkene 1] van plan was samen met hem de BMW te verduisteren.
Ladingdiefstallen-arrest, [33] waarin Uw Raad heeft overwogen dat voor aansprakelijkheid op de voet van art. 6:166 lid 1 BW Pro als vereiste geldt dat de aangesprokene wist of behoorde te weten dat het groepsoptreden de kans schiep op de in het concrete geval geleden schade.