Conclusie
Nummer21/00009
Inleiding
De advocaat-generaal heeft het ingestelde cassatieberoep ingetrokken.
Het eerste middel
Met betrekking tot het verweer over de ‘uitvaardigende justitiële autoriteit ’
Het tweede middel
Vaststelling van de feitelijke toedracht ter zake de overlevering
NJ2009, 394, m.nt. A.H. Klip, ECLI:EU:C:2008:669), heeft het Hof van Justitie uiteen gezet wanneer sprake is van een ‘ander feit’. Het hof van Justitie overweegt daarin onder meer (r.o. 57):
1. Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie ervan in kennis stellen dat, in zijn betrekking met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toestemming geacht kan worden te zijn gegeven voor de vervolging, berechting of detentie met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, van de persoon wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt.
PbEGL 190) worden gesteld bij de overlevering van de opgeëiste persoon aan Nederland, zijn verbindend voor iedere persoon of instantie die in Nederland is belast met een publieke taak.”
“e) Strafbare feitenDit bevel heeft betrekking op in totaal 1 strafbaar feit.
Juzgado Central de instruccion no 006van 24 juli 2017 houdt in:
Audiencia Nacionalbij beslissing van 18 augustus 2017.
“e) Strafbare feitenDit bevel heeft betrekking op in totaal 2 strafbare feiten.
Uit aanvullend onderzoek is de verdenking gerezen dat de verdachte meerdere strafbare feiten heeft gepleegd.
/tijdstipwerd
op het parkeerterreinnabij het [A] een bestuurder van een personenauto beschoten. Deze bestuurder, genaamd
[aangever], raakte
hierbijgewond aan zijn rechterhand.
de verdachte[verdachte]
, geboren op [geboortedatum] 1960voor 100% herkend als degene die het schot
op hem heeftafgevuurd. Aanleiding zou een zakelijk geschil zijn tussen
[aangever]en de verdachte
[verdachte].
[aangever] heeft verklaard dat hij wegreed uit een parkeervak en een man wankelend zag lopen. Hij is gestopt en [heeft] zijn raampje geopend om de man te vragen of hij hulp nodig had. De man stapte op de auto toe en morrelde aan het achterportier. Daarop vroeg [aangever] aan de man wat ben je aan het doen? Hij zag vervolgens dat de man een stap naar voren deed en een vuurwapen op hem richtte. [aangever] gaf gas in zijn auto en reed weg op dat moment loste de man een schot.
Feit 1Artikel 289 i.v.m. artikel 45 Wetboek Pro van Strafrecht (poging moord), dan welArtikel 287 i.v.m. artikel 45 Wetboek Pro van Strafrecht (poging doodslag), dan welArtikel 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht (zware mishandeling), dan welArtikel 300 lid 1 en Pro 2 Wetboek van Strafrecht (mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge), dan welArtikel 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht (bedreiging)
Feit 2Artikel 317 lid Pro 1 i.v.m. artikel 45 Wetboek Pro van Strafrecht (poging afpersing)”.
Juzgado Central de instruccion no 006van 16 mei 2018 houdt in de Nederlandse vertaling in:
DISPOSITIEF
2 strafbare feiten” naast het eveneens vetgemaakte “
feit 2” (poging afpersing), ook “
feit 1”, waarna onder “Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit en toepasselijke wettelijke bepaling / wetboek:” bij feit 1 mede is vermeld “
Artikel 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht (bedreiging)”. Verder is de feitelijke omschrijving van feit 1 aangevuld ten opzichte van het eerdere EAB en blijkt daaruit dat de verdachte een vuurwapen op de aangever heeft gericht. Daaraan doet niet af dat de Spaanse uitvoerende rechterlijke autoriteit in haar beslissing van 16 mei 2018 de kwalificatie “afpersing” heeft genoemd. Het kaderbesluit schrijft niet voor dat in de beslissing van de uitvoerende rechterlijke autoriteit over de tenuitvoerlegging van het EAB de kwalificatie moet worden vermeld van het feit naar het recht van de uitvoerende lidstaat.
wijziging in de wettelijke kwalificatie tot gevolg heeftniet is toegestaan.” [12] Samengevat heeft het hof in de onderhavige zaak “nagelaten stil te staan bij de divergerende bestanddelen, de uiteenlopende strafbedreiging zowel als de wijziging in wettelijke kwalificatie”.