Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
RBL is niet verplicht het ledengeld te verdisconteren in de referentieprijs
onder 2.1is de uitleg door het hof van de contractuele verhouding tussen RBL en de melkveehouders volgens welke het in de eerste plaats aan RBL is om de melkprijs per referentiebedrijf vast te stellen en daarbij te corrigeren voor componenten die daarin niet thuishoren (in het bijzonder rechtsoverwegingen 4.13 en 4.16), onjuist respectievelijk onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Onder verwijzing naar de
Haviltex-maatstaf voeren de melkveehouders aan dat noch de leveringsvoorwaarden van RBL, noch de brief van 8 juni 2009, noch de informatie op de sheets die RBL telkens op de voorjaarsvergaderingen liet zien, noch enig ander stuk of enige andere uitlating iets inhoudt omtrent een vrijheid van RBL om de melkprijs per referentiebedrijf vast te stellen of te corrigeren.
Haviltex-maatstaf, volgens welke het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [6]
zondercorrectie zouden meetellen (rechtsoverweging 4.15). In dit verband heeft het hof onderzocht (a) de systematiek van nabetaling door RBL en de beweerde ‘nabetaling’ van ‘ledengelden’ door coöperaties (rechtsoverwegingen 4.17-4.18), (b) de inhoud en strekking van een (andere) tijdens de voorjaarsvergaderingen getoonde sheet (rechtsoverwegingen 4.19-4.21) en (c) de inhoud van e-mails gericht tot één van de melkveehouders, alsook van een uitlating van een medewerker van RBL tijdens de voorjaarsvergadering in april 2015 (rechtsoverwegingen 4.22-4.23). Volgens het hof leiden al deze stukken en uitlatingen niet alsnog tot een andere uitleg. Deze overwegingen van het hof behoren mijns inziens bij uitstek tot het domein van de rechter die over de feiten oordeelt. Ik kan niet inzien dat zij in strijd zijn met de
Haviltex-maatstaf, noch dat zij onbegrijpelijk zijn of onvoldoende gemotiveerd. De klachten van het subonderdeel treffen geen doel.
zelfwordt gebruikt voor de financiering van de onderneming van de coöperatie, zodat geen sprake is een vergoeding voor ‘het verstrekken van risicodragend kapitaal of financiering’.
risicodragend kapitaal. [8] Wat het hof niet in het midden laat is, zo lees ik het arrest, dat in verband met de jaarlijkse inhouding van ledengeld de melkveehouders die aan de coöperaties leveren, aan die coöperaties gelden verstrekken waaruit de bedrijfsvoering (gedeeltelijk) kan worden betaald. Volgens het hof brengt dit mee dat de hoogte van het ledengeld in beginsel niet zonder correctie in de berekening van het gewogen gemiddelde van de uitbetaalde en gepubliceerde melkprijzen in Nederland kan worden meegenomen, althans dat toepassing van een zodanige correctie aan RBL vrij stond. Dit oordeel is noch onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. De door het subonderdeel bedoelde stellingen doen aan dat oordeel niet alleen niet af, zij bieden daarvoor juist steun. Volgens die stellingen wordt het ledengeld immers pas uitbetaald na (wat neerkomt op) beëindiging van het lidmaatschap van de respectieve melkveehouders en gebruiken de coöperaties het ingehouden geld tot dat moment voor de financiering van hun onderneming. Op de poging van de melkveehouders om semantische discussies te openen over ‘ledengeld’ dan wel ‘uitgesteld betaald melkgeld’, ‘verstrekt kapitaal’ dan wel ‘gebruikt kapitaal’ en/of ‘kapitaal’ dan wel ‘financiering’, behoefde het hof niet te reageren.
nietmoet worden meegenomen in de berekening van de melkprijs. Echter, uit de berekening van Eisers volgt dat zij de ledengelden ten onrechte wel hebben meegenomen in de berekening.’
vertrouwendat RBL de component ledengeld bij de berekening van de referentieprijs mee zou nemen, maar ook dat RBL
zelfhet ledengeld zag als onderdeel van de nabetaling en daarmee van de melkprijs.
deel uitmaakt vande wel genoemde component ‘nabetaling’. Het hof heeft dit standpunt in rechtsoverwegingen 4.17-4.18 onderzocht en verworpen.
niet expliciet is gemaaktdat bij de berekening van de gemiddelde melkprijs van de referentiebedrijven het door de coöperaties toegekende ledengeld zou worden geëlimineerd. [17]
caring dairytoeslag (duurzaamheidstoeslag), maakt niet dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd. Naar het kennelijke oordeel van het hof kan uit de eliminatie van de
caring dairytoeslag niet iets worden afgeleid waarop de melkveehouders gerechtvaardigd hebben kunnen vertrouwen. Dat oordeel behoefde geen uitdrukkelijke motivering. Ik wijs er nog op dat RBL heeft toegelicht dat de door CONO aan sommige van haar leveranciers betaalde
caring dairytoeslag, geen direct verband hield met de hoeveelheid en kwaliteit van de melk. [18] (naar aanleiding van stelling v)
zelfervan uitging dat de referentieprijs het ledengeld omvatte, zij verwezen naar hiervoor 3.15.
zelf[melkveehouder 1] aan de hand van de melkprijzen/de nabetaling door de referentiebedrijven inclusief ledengeld kon controleren of RBL zich aan haar melkprijspolitiek hield. Volgens de klacht had het hof daarom zijn oordeel nader moeten motiveren.
hen allende uitleg dient te worden aanvaard dat het ledengeld van de coöperaties – hoewel het wordt ingehouden en zo de financiering van de onderneming van de coöperaties dient – bij de berekening van de referentieprijs moet worden meegeteld. Ik kan niet inzien in welke zin dit oordeel een nadere motivering zou behoeven. In dit verband merk ik nog op dat mij niet op voorhand ondenkbaar lijkt dat in verband met uitlatingen ten opzichte van een individuele melkveehouder in de verhouding tot die melkveehouder iets anders is gaan gelden dan ten opzichte van andere melkveehouders. Het standpunt dat dit geval zich hier voordoet, lees ik in de stukken echter niet.
Negatieve afwijking van de referentieprijs in de jaren 2014 en 2015 is toegelaten
Haviltex-maatstaf, dan wel zijn oordeel niet voldoende (begrijpelijk) hebben gemotiveerd door zich alleen op de leveringsvoorwaarden te baseren.
onder 3.3lees ik niet meer dan een herhaling van zetten.
onderdeel 4behoeft geen bespreking.