ECLI:NL:PHR:2022:844

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
21 september 2022
Zaaknummer
21/02164
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36d SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beslissing onttrekking aan het verkeer mes wegens onvoldoende motivering

De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf wegens diefstal met geweld en werd tevens onttrekking aan het verkeer van twee inbeslaggenomen voorwerpen bevolen: hennep en een mes.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de motivering van de strafoplegging en de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen. De klacht over de hennep faalde omdat de Opiumwet het bezit van hennepgruis en hoeveelheden onder 30 gram verbiedt. De klacht over het mes slaagde echter omdat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het mes als verboden wapen kon worden aangemerkt.

Een aanvullend middel dat het arrest nietig zou zijn wegens onjuiste beëdiging van raadsheren werd verworpen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de onttrekking aan het verkeer van het mes en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van dat onderdeel.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de onttrekking aan het verkeer van het mes en wijst de zaak terug naar het hof.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02164

Zitting20 september 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 6 mei 2021 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van twee inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
Er bestaat samenhang met de zaak 21/02163. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Vervolgens is bij aanvullende schriftuur nog een aanvullend middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel is gericht tegen de motivering van de strafoplegging. Het bevat de klacht dat het oordeel van het hof, inhoudende dat het ongecontroleerde bezit van hennep en een mes in strijd is met de wet, onjuist en/of onbegrijpelijk is. Ten aanzien van de hennep wordt aangevoerd dat uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg volgt dat de hennep slechts hennepgruis was en dat niet is gebleken dat het meer was dan 30 gram. Ten aanzien van het mes wordt aangevoerd dat ieder huishouden in Nederland beschikt over één of meer messen, terwijl uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt of het mes als een verboden mes in de zin van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) kan worden aangemerkt.
5. Het hof heeft ten aanzien van het beslag het volgende overwogen:
“De hierna in het dictum te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit zijn aangetroffen, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.”
6. Het dictum van het bestreden arrest houdt het volgende in:
“Het hof:
[…]
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. 1 STK Hennep; G2098002;
2. 1 STK Mes.”
7. Uit de in het arrest aangehaalde wettelijke voorschriften kan worden afgeleid dat het hof deze beslissing tot onttrekking aan het verkeer heeft gebaseerd op art. 36b en 36d Sr.
8. Art. 36b, eerste lid, aanhef en onder 1°, Sr luidt:
“Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
1° bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld”.
9. Art. 36d Sr luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
10. Ik begin met de klacht over de motivering van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de hennep. Het oordeel van het hof dat de inbeslaggenomen hennep van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, is volgens de stellers van het middel onjuist en/of onbegrijpelijk omdat een nadere vaststelling ontbreekt omtrent de hoeveelheid hennep. Aangevoerd wordt dat uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg volgt dat het slechts hennepgruis was en dat niet is gebleken dat het meer was dan 30 gram.
11. Op grond van art. 3, aanhef en onder C, Opiumwet is het verboden een middel dat is vermeld op lijst II van de Opiumwet aanwezig te hebben. Op lijst II staat elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. Hennepgruis en hoeveelheden van minder dan 30 gram worden daarbij niet uitgesloten. Daarmee faalt de klacht.
12. Dan de klacht over de motivering van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het mes. Het oordeel van het hof dat het inbeslaggenomen mes van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, is volgens de stellers van het middel onjuist en/of onbegrijpelijk omdat een nadere vaststelling ontbreekt omtrent de aard en lengte van het mes. Aangevoerd wordt dat ieder huishouden in Nederland beschikt over één of meer messen en dat niet is vastgesteld dat het mes verboden is volgens de WWM.
13. Zonder nadere motivering, die in het bestreden arrest ontbreekt, is het oordeel van het hof dat het inbeslaggenomen mes van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet inderdaad niet begrijpelijk. [1] Het middel slaagt in zoverre.

Het aanvullende middel

14. Het middel bevat de klacht dat het arrest is gewezen door één of meer raadsheren die onjuist is of zijn beëdigd, zodat het arrest nietig dient te worden verklaard en de zaak naar het hof dient te worden teruggewezen.
15. Het middel faalt op de gronden als vermeld in de vordering tot cassatie in het belang der wet van de procureur-generaal van 13 september 2022 over onvolkomenheden bij de beëdiging van raadsheren(-plaatsvervangers) in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. [2]

Slotsom

16. Het middel slaagt ten dele en het aanvullende middel faalt.
17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1298, r.o. 2.3.