ECLI:NL:PHR:2022:868
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring ontucht en schennis eerbaarheid ondanks bewijsvoering en motiveringsklachten
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens ontuchtige handelingen met zijn minderjarige bediende en schennis van de eerbaarheid. Hij kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 180 uur. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest en voerde drie middelen aan.
Het eerste middel betrof het gebruik van niet letterlijk uitgewerkte versies van aangifte en politieverhoren als bewijs. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht deze originele processen-verbaal gebruikte en dat de klachten over denaturering en onvoldoende motivering faalden.
Het tweede middel betrof de bewezenverklaring van ontucht, waarbij volgens de verdediging onvoldoende steunbewijs was en de verklaringen inconsistent waren. De Hoge Raad bevestigde dat het hof de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar achtte en voldoende steunbewijs vond in getuigenverklaringen en verklaringen van verdachte zelf. Ook auditieve waarnemingen konden als steunbewijs dienen.
Het derde middel betrof de bewezenverklaring van schennis van de eerbaarheid, waarbij de verdachte ontkende zijn geslachtsdeel te hebben getoond. De Hoge Raad vond dat het hof terecht oordeelde dat de verklaring van verdachte niet als bekentenis kon worden aangemerkt, maar dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar was en voldoende steunbewijs aanwezig was. Klachten over de wijze van politieverhoor en kleurwaarneming faalden. Alle middelen werden verworpen en het cassatieberoep werd afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt in stand gelaten.