“Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere grondslag hanteert voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en tot andere beslissingen komt ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 21.993,85 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat – anders dan de officier van justitie en de politierechter – aannemelijk is dat door meerdere mensen is gekweekt en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom pondspondsgewijs moet worden verdeeld.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen nu geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdachte heeft enkel het pand ter beschikking gesteld en zou voor de eerste oogst € 2.000,00 ontvangen en voor latere oogsten een hoger bedrag van € 5.000,00 of € 10.000,00. Hij heeft echter nooit een bedrag ontvangen en wist niet dat er al geoogst was.
Oordeel van het hof
Ander strafbaar feit
Het hof heeft in de strafzaak (23-000105-19) tegen de betrokkene geoordeeld dat hij op 19 januari 2017 ongeveer 418 planten opzettelijk aanwezig heeft gehad. Gelet hierop, alsmede gelet op de indicatoren zoals weergeven hierna onder “Aantal oogsten”, in het bijzonder het aangetroffen kweekschema, en het onderzoek van Liander, is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene voorafgaand aan de in de strafzaak bewezenverklaarde datum, een ander strafbaar feit heeft begaan als bedoeld in artikel 36e, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof gaat ervan uit dat in de periode voorafgaand aan 19 januari 2017 de teelt van hennep heeft geleid tot in ieder geval één eerdere oogst.
Aantal oogsten
Uit het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel volgt dat in de aangetroffen hennepkwekerij omstandigheden zijn aangetroffen die duiden op een of meerdere opbrengsten uit de exploitatie van de hennepkwekerij. Aangetroffen indicatoren zijn onder meer:
- stof op de kappen van armaturen van de assimilatielampen;
- stof op de aanwezige elektra;
- stof op de afzuigslangen;
- twee knipscharen met daarop hennepresten;
- een kweekschema met daarop bij week 1 “19-10” en bij de datum 26-12 de tekst “Pluk”.
Daarnaast bleek uit onderzoek van de fraude-inspecteur van Liander dat van oktober 2016 tot 19 januari 2017 hennep is gekweekt en dat dus sprake was van één eerdere oogst. Op grond [van] voornoemde indicatoren en het onderzoek van Liander kan het niet anders dan dat er tenminste één eerdere oogst heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat de aangetroffen kweek ongeveer twee weken oud was en dat dit overeenkomt met het aangetroffen kweekschema, namelijk dat in december 2016 is geoogst.
De verklaring van de verdachte dat hij slechts € 2.000,00 voor een eerste kweek zou ontvangen en voor een latere kweek € 5.000 of € 10.000,00 acht het hof niet aannemelijk. Deze verklaring is op geen enkele wijze met enig concreet of verifieerbaar gegeven onderbouwd. Daar komt bij dat het hof het niet geloofwaardig acht dat de verdachte slechts € 2.000,00 voor een eerste kweek zou ontvangen, terwijl hij een aanzienlijk risico op ontdekking van de kwekerij zou lopen, en dat geen concrete afspraken zouden zijn gemaakt over de periode daarna. Evenmin ziet het hof aanleiding om over te gaan tot een pondspondsgewijze verdeling nu – voor zover al sprake zou zijn van een verdeling van de opbrengst – niets bekend is geworden over de wijze van verdeling.
Bruto opbrengst
In het pand stonden 418 hennepplanten. Op grond van het rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht van 1 juni 2016 (hierna: het BOOM-rapport) en het aantal planten per m2 zoals volgt uit het Rapport, is vastgesteld dat de opbrengst per plant 29,1 gram bedraagt. De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt dan 418 x 29,1 gram = 12163,8 gram.
De daadwerkelijke verkoopprijs kon niet worden vastgesteld. Het hof volgt daarom het BOOM-rapport op dit punt en gaat uit van een geldelijke opbrengst van € 4,07 per gram.
De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt dan:
12163,8 gram x € 4,07 = € 49.506,67.
Kosten
Het hof acht het aannemelijk dat de betrokkene ten behoeve van het verkrijgen van het wederrechtelijk voordeel kosten heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen.
De in mindering te brengen kosten per oogst zijn op basis van het BOOM-rapport als volgt:
- afschrijvingskosten € 300,00
- variabele kosten € 3.214,42
----------------------------------------------------
Totaal € 3.514,42
De verdediging heeft betoogd dat de factuur van € 4.376,19 van Liander geheel in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel nu deze kosten zijn voldaan. Het hof gaat ervan uit dat het volledige bedrag op de factuur door de betrokkene aan Liander is betaald maar brengt niet dit gehele bedrag in mindering op de bruto opbrengst. Aftrekbaar zijn immers alleen de kosten voor elektriciteit (“ongeregistreerd verbruik”) die betrekking hebben op de daadwerkelijk gerealiseerde oogst, dat wil zeggen het netverlies over de periode van de eerdere kweek. Uitgaande van een kweekperiode van tien weken per oogst op grond van het BOOM-rapport en één gerealiseerde oogst komt voor aftrek in aanmerking 10/12 x € 2.004,55 = € 1.670,46.
Totale kosten € 3.514,42 + € 1.670,46 = € 5.184,88.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het door de betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door het hof geschat op € 49.506,67 – € 5.184,88 = € 44.321,79.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 44.321,79.
Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de betrokkene te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 44.321,79 (vierenveertigduizend driehonderdeenentwintig euro en negenenzeventig euro cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 44.321,79 (vierenveertigduizend driehonderdeenentwintig euro en negenenzeventig euro cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bij niet betaling op 886 dagen.”