ECLI:NL:PHR:2022:882

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2022
Publicatiedatum
30 september 2022
Zaaknummer
20/02187
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 437 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk aanwezig hebben van hennepkwekerij in gehuurd pand

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een taakstraf wegens het opzettelijk aanwezig hebben van een hennepkwekerij in een pand dat hij huurde. Het hof baseerde zijn oordeel op meerdere bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen van opsporingsambtenaren die een professioneel ingerichte hennepkwekerij aantroffen met 418 planten in de kelder van het pand. Ook werden poststukken met de naam van de verdachte in het pand gevonden.

De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts huurder was en geen significante rol had in de hennepkwekerij, en dat de kwekerij mogelijk door anderen werd beheerd. Tevens stelde de verdediging dat de verdachte geen sleutel van de kelder had en dat de verklaring van de verdachte bevestigd kon worden door het uitlezen van zijn telefoons. Het hof oordeelde echter dat de verdachte wel degelijk opzettelijk de hennepkwekerij aanwezig had, mede omdat hij toegang had tot het pand en wist van de kwekerij.

In cassatie werden twee middelen ingediend, waarvan het eerste niet als cassatiemiddel werd aangemerkt en het tweede berustte op een verkeerde lezing van het arrest. De procureur-generaal concludeerde dat er geen gronden waren voor vernietiging van het arrest en adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het beroep van de verdachte.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot taakstraf blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02187

Zitting12 juli 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

De rechtsgang in cassatie

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 6 juli 2020 wegens
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door zestig dagen hechtenis.
2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak 20/02186. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep onvoldoende met redenen is omkleed.
5. Het tweede middel klaagt dat het hof met een ontoereikende motivering is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte enkel de huurder van het pand is en dat niet is gebleken dat de verdachte een significante rol heeft gehad bij het telen van de hennep.
6. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

De bewijsconstructie van het hof

7. Voordat ik tot de bespreking van de middelen overga, zal ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weergeven.
8. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 19 januari 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand gelegen aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 418 hennepplanten en/of delen daarvan.”
9. De bewezenverklaring steunt op de volgende, in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen, bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij met nummer PL 1300-2017014097-1 van 19 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
Op donderdag 19 januari 2017 stelden wij, verbalisanten, een onderzoek in op [a-straat 1] te Amsterdam. Wij zijn naar de voorzijde van het pand gegaan om deze te betreden.
Uit liet keldergat zagen wij een fel licht schijnen. Wij zijn naar beneden gelopen en wij zagen een ruimte van ongeveer 1 meter x 3,5 meter met daarin een deuropening. In de ruimte zagen wij een stroomkast met diverse stroomkabels en schakelaars. Het geheel zag er erg professioneel uit.
Achter de deuropening zagen wij een ruimte van 9 meter x 3,5 meter. Wij zagen dat deze ruimte geheel gevuld was met bakken grond en wij zagen dat er in deze bakken hennepplanten stonden. In de kelder troffen wij dus een in werking zijnde hennepkwekerij aan.
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , had zicht op de voordeur. Ik zag dat er man aan kwam gelopen vanaf de openbare weg in de richting van de winkel. Ik zag dat de man onze kant op keek en direct weer omdraaide en van de winkel vandaan liep. Deze man bleek later genaamd te zijn: [verdachte] .
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , ben het pand in gelopen. In de kelder zag ik een in werking zijnde hennepkwekerij. Ik zag dat dit een zeer professioneel opgerichte hennepkwekerij was. Ik zag namelijk dat de hennepkwekerij computer gestuurd was.
De kweekruimte betreft een kelderverdieping. In totaal stonden er 418 hennepplanten.
Op de grond, achter de voordeur in de winkel, lagen een 2 tal enveloppen met daarop de naam: [verdachte] , [a-straat 1] te Amsterdam.
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL 1300-2017014097-15 van 5 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Middels een vordering identificerende gegevens zijn de personalia gevorderd van de huurder van perceel [a-straat 1] te Amsterdam.
Eigenaar is [betrokkene 1] .
Huurder per 1 april 2008 [verdachte] .
Bij navraag in de GBA is geconstateerd dat [betrokkene 1] de moeder is van de verdachte [verdachte] .
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL 1300-2017014097-11 van 20 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 januari 2017 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:
V: het pand, [a-straat 1] te Amsterdam, bent u hier eigenaar of huurder van?
A: huurder.
V: is de hennepkwekerij met uw toestemming aangelegd?
A: ja.
V: wie zijn er in het bezit van een sleutel van uw pand?
A: ik.”
10. Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:
“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat waaruit blijkt dat de verdachte pleger is van de hennepkwekerij. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte enkel de kelder van het pand ter beschikking heeft gesteld en – kort samengevat – niets te maken had met de hennepkwekerij. De verklaring van de verdachte is, gelet op de stukken in het dossier, ook niet onaannemelijk. Uit de MMA-melding blijkt immers dat er meerdere keren per dag mensen in en uit lopen en dat dit grote mannen zijn die rijden in dure auto’s. Bovendien heeft de verdediging gesteld dat de verklaring van de verdachte kan worden geverifieerd door de twee telefoons die bij hem in beslaggenomen zijn uit te lezen. Daar komt bij dat de verdachte niet beschikte over een sleutel van de kelder. De verdachte is enkel de huurder van het pand en niet gebleken is dat de verdachte een significante rol heeft gehad bij het telen van de kwekerij.
Het hof oordeelt als volgt. Op 19 januari 2017 werd een in werking zijnde, professioneel ingerichte hennepkwekerij aangetroffen in een bedrijfspand dat door de verdachte werd gehuurd. De verdachte beschikte ook over een sleutel van dit pand en achter de voordeur werd voor hem bestemde post aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat zich in het pand een hennepkwekerij bevond. Dat deze hennepkwekerij niet voor de verdachte toegankelijk zou zijn geweest omdat de verdachte niet zou hebben beschikt over een sleutel van de kelder, is niet gebleken. Naar het oordeel van het hof kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte op 19 januari 2017 opzettelijk een hennepkwekerij aanwezig heeft gehad. Het verweer dat in de MMA-melding wordt gesproken over meerdere personen in dure auto’s en dat door het uitlezen van de telefoons van de verdachte zijn verklaring kan worden geverifieerd, maakt dit niet anders. Het hof gaat dan ook voorbij aan deze verweren.”

Het eerste middel

11. Het eerste middel vormt geen middel van cassatie als bedoeld in artikel 437 Sv Pro. Blijkens de toelichting komt de onderbouwing van het middel in de kern immers slechts neer op een blote herhaling van stellingen en verweren waarop het hof gemotiveerd heeft beslist, zonder dat de steller van het middel precies aangeeft waarom de beslissing van het hof onjuist is of in welk opzicht de motivering van de beslissing onvoldoende zou zijn.

Het tweede middel

12. De toelichting op het tweede middel wijst uit dat de klacht zich richt tegen de motivering waarmee het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging [1] dat de verdachte – zo begrijp ik (de toelichting op) het middel – enkel de huurder van het pand was, geen significante rol heeft gehad bij het telen, niet beschikte over een sleutel van de kelder waarin de hennepkwekerij door anderen is gerealiseerd en (derhalve) alleen als medeplichtige kan worden aangemerkt. De stelling van de verdachte dat hij geen rol heeft gehad bij het telen, zou kunnen worden geverifieerd door zijn telefoon uit te lezen, waarop het nummer is te vinden van de degenen die de kwekerij verzorgden.
13. Als ik de toelichting op het middel dus goed begrijp, richt de motiveringsklacht van het middel zich tegen de veroordeling voor het opzettelijk
aanwezig hebbenvan de hennepkwekerij op de grond dat het hof met een ontoereikende motivering is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk
telenvan hennep.
14. Het hof heeft de verdachte echter niet veroordeeld voor opzettelijk
telen, maar voor het opzettelijk
aanwezig hebbenvan de hennepplantage in zijn pand. Het middel berust derhalve op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Daarmee komt de grondslag aan het middel te ontvallen.

Slotsom

15. Het eerste middel kwalificeert niet als een middel van cassatie in de zin der wet. Het tweede middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en kan niet tot cassatie leiden.
16. Het (resterende) middel kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro te ontlenen overweging.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In het middel en de toelichting wordt het standpunt/verweer dan weer aangeduid als