ECLI:NL:PHR:2022:949

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2022
Publicatiedatum
14 oktober 2022
Zaaknummer
21/04906
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gemeenschappelijk spaarsaldo ex-samenlevenden met compensatie AOW-tekort man

De zaak betreft de verdeling van het saldo van een gemeenschappelijke bankrekening tussen ex-samenlevenden die geen samenlevingsovereenkomst sloten. De man en vrouw leefden van 1997 tot 2018 samen en bouwden een spaarsaldo van €625.000 op. De man vorderde de helft van het saldo nadat de vrouw een deel had overgemaakt naar haar eigen rekening.

De rechtbank wees de vordering van de man toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en bepaalde dat de man recht had op een groter deel van het spaarsaldo ter compensatie van zijn AOW-tekort door buitenlandse werkzaamheden. De vrouw kreeg het resterende bedrag toegewezen.

De man stelde cassatie in met klachten dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet ook gecompenseerd werd voor het ontbreken van aanvullend ouderdomspensioen en voor het risico van ziekte en werkloosheid, terwijl de vrouw wel aanspraken had opgebouwd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet duidelijk had gemotiveerd waarom deze compensaties achterwege bleven, terwijl het wel de AOW-tekortcompensatie toekende.

De Hoge Raad concludeert dat het arrest van het hof onvoldoende gemotiveerd is en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling waarbij ook de compensatie voor aanvullend pensioen en werkloosheidsrisico betrokken moet worden.

De procedure toont het belang van een zorgvuldige motivering bij de verdeling van gemeenschappelijke vermogensbestanddelen tussen samenwonenden, zeker wanneer sprake is van verschillen in pensioenopbouw en sociale zekerheidsrechten.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van compensatie voor aanvullend pensioen en inkomensrisico's.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04906
Zitting14 oktober 2022
(bij vervroeging)
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de man]
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
Deze zaak betreft een geschil over de verdeling van het saldo van een gemeenschappelijke bankrekening, welk saldo gedurende de informele samenleving van de man en de vrouw is opgebouwd. Het hof heeft geoordeeld dat uit de feiten en omstandigheden voortvloeit dat de man en de vrouw een stilzwijgende afspraak hebben gemaakt dat aan ieder de helft van het spaarsaldo toekomt, behalve wat betreft een bedrag ter compensatie van het AOW-tekort van de man door zijn werkzaamheden in het buitenland. In cassatie klaagt de man onder meer dat hij ook gesteld heeft dat hij via het spaarsaldo gecompenseerd diende te worden voor de omstandigheid dat hij, anders dan de vrouw, geen aanvullend ouderdomspensioen heeft opgebouwd.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
(i) Partijen hebben in 1995 een relatie met elkaar gekregen en samengewoond van 1997 tot mei 2018.
(ii) Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
(iii) Uit de relatie van partijen zijn in 2001 en 2005 twee kinderen geboren.
(iv) De vrouw heeft in 1997 op eigen naam een woning gekocht. In 2006 is deze woning verkocht. Na voldoening van alle kosten resteerde een netto verkoopopbrengst van circa € 199.000,-.
(v) Op 24 november 2005 hebben partijen een andere woning gekocht, waarbij zij ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn geworden van deze woning. Ten behoeve van de aankoop is onder andere een overbruggingskrediet afgesloten van € 125.000,-.
(vi) Ten tijde van de verbreking van de relatie was er een spaarsaldo aanwezig van € 625.000,- op een op beider naam staande spaarrekening bij de ABN AMRO.
1.2
De man heeft de vrouw gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland en onder meer gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 312.500,-, zijnde het bedrag dat de vrouw van de gezamenlijke spaarrekening heeft overgemaakt naar haar eigen rekening. Hieraan heeft de man ten grondslag gelegd dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de helft van het saldo van € 625.000,- dat op de gezamenlijke spaarrekening stond.
1.3
De rechtbank heeft bij vonnis van 22 januari 2020 [2] de vordering van de man toegewezen en de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 312.500,-, vermeerderd met wettelijke rente.
1.4
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden en heeft, voor zover in cassatie van belang, gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland vernietigt en bepaalt dat de vrouw recht heeft op de helft van het saldo van de gezamenlijke spaarrekening en dat de man het door hem geïncasseerde bedrag van € 320.754,62 dient terug te betalen aan de vrouw.
1.5
Na een op 20 mei 2021 gehouden comparitie van partijen, heeft het hof bij arrest van 7 september 2021 het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het hof heeft bepaald dat van het spaarsaldo aan de man toekomt een bedrag van € 365.663,50 en aan de vrouw een bedrag van € 259.336,50; het hof heeft de man tot betaling aan de vrouw van laatstgenoemd bedrag veroordeeld. Het hof heeft, kort samengevat, daartoe het volgende overwogen. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat het saldo op de spaarrekening is ontstaan alleen door zijn voeding van de rekening (rov. 5.15). Uit het feitelijke gedrag van partijen (hun handelen en niet-handelen) blijkt dat zij (stilzwijgend) zijn overeengekomen om het saldo van hun rekening gemeenschappelijk te laten zijn (rov. 5.14 en 5.15), behalve voor een bedrag van € 106.327,- [3] ter compensatie voor het feit dat de man wordt gekort op zijn AOW-uitkering wegens zijn werkzame jaren in het buitenland. Wanneer die compensatie niet plaatsvindt komt de vrouw uiteindelijk in een betere financiële positie te verkeren dan de man, en dit sluit niet aan bij de (stilzwijgende) afspraak dat zij al hun financiële middelen gemeenschappelijk wilden laten zijn (rov. 5.16).
1.6
De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De vrouw heeft verweer gevoerd. De man heeft een schriftelijke toelichting genomen, waarna de vrouw heeft gerepliceerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt met drie klachten op tegen het oordeel van het hof in rov. 5.14-5.16. De
eerste klachtis gericht tegen rov. 5.16, waarin het hof heeft overwogen dat wanneer de man bij de verdeling van het saldo van de gemeenschappelijke bankrekening niet ‘gecompenseerd’ zou worden voor het feit dat hij wordt gekort op zijn AOW-uitkering, de vrouw uiteindelijk in een betere financiële positie komt te verkeren dan de man. De klacht betoogt dat de man in feitelijke instantie niet alleen heeft aangevoerd dat hij gecompenseerd diende te worden voor het AOW-tekort, maar ook dat het op de gemeenschappelijke spaarrekening aanwezige saldo diende om het ontbreken van zijn aanspraken op een aanvullend ouderdomspensioen te compenseren, terwijl de vrouw wel een regulier aanvullend ouderdomspensioen heeft kunnen opbouwen. Het hof had niet ongemotiveerd aan deze (essentiële) stellingen van de man voorbij mogen gaan. Het is onbegrijpelijk dat het hof, gelet op zijn oordeel ten aanzien van de compensatie van het AOW-tekort, niet ook eenzelfde compensatie toepast voor het ouderdomspensioen, aldus de klacht.
2.2
In de procesinleiding heeft de man gewezen op een aantal vindplaatsen waar (een uitwerking van) zijn stellingen te vinden is. Allereerst heeft de man verwezen naar 3.7 en 3.8 van de memorie van antwoord in principaal appel, waar de man – nadat hij had aangevoerd dat het spaarsaldo op de gemeenschappelijke rekening uitsluitend door hem was gevoed en derhalve volledig aan hem toekwam [4] - inderdaad heeft betoogd dat het spaarsaldo aan hem toekomt omdat het saldo nodig is ter compensatie van het ontbreken van opgebouwde aanspraken op ‘AOW, pensioen, netto reservering ingevolge de WULBZ en de reservering voor het werkeloosheidsrisico’. [5] In dat kader heeft de man ook aangevoerd dat de vrouw wél aanspraak kan maken op de door haar op reguliere wijze opgebouwde voorzieningen. Een uitwerking van deze stellingen is zoals de man ook aanvoert te vinden in 3.24-3.26 van de memorie van antwoord in principaal appel, de brief van 5 mei 2021 en in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. In de brief van 5 mei 2021 en de daarbij overgelegde producties is tevens aan de hand van berekeningen van [deskundige] uitgewerkt wat de waarde van de AOW-aanspraken en pensioenrechten van de vrouw zijn [6] , en wat de hoogte is van de reservering voor pensioenopbouw, AOW, de dekking voor het ziekterisico voor de eerste twee jaar en het werkloosheidsrisico van de man. [7]
2.3
Hoewel het hof de man compenseert voor het AOW-tekort, blijft een compensatie voor het ontbreken van aanvullend ouderdomspensioen achterwege. Uit de overwegingen van het hof volgt niet waarom het hof tot dit oordeel komt. Onduidelijk is of, en zo ja op welke wijze, het hof de stellingen van de man ten aanzien van het aanvullend ouderdomspensioen in zijn oordeel betrekt. Dit geldt temeer, nu het hof wel gemotiveerd ingaat op een zelfde soort betoog ten aanzien van het AOW-tekort en daarbij wél tot een compensatie komt. Gelet op het voorgaande had het hof niet aan de stellingen van de man voorbij mogen gaan dan wel is het oordeel van het hof niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
2.4
De vrouw voert in haar schriftelijke toelichting (onder 3.28) aan dat in de overwegingen van het hof reeds het oordeel besloten ligt dat het spaarsaldo van de gezamenlijke rekening niet bestemd was voor aanvullend ouderdomspensioen van de man. Dit zou volgen uit rov. 5.15, waarin het hof heeft overwogen dat geen der partijen het in zijn macht heeft om eenzijdig van een eerder op een gezamenlijke rekening opgebouwd saldo achteraf de bestemming, dus het spaardoel, te bepalen. Deze lezing van het arrest mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 5.15 overwogen dat het strijdig is met de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen samenlevenden beheerst om aan het einde van de langdurige samenlevingsperiode ‘de rekening te presenteren’ door achteraf te construeren wat een ieder – in de visie van één van de partners – had dienen bij te dragen aan de kosten van de huishouding. De overweging van het hof ziet dus niet op het achteraf geven van een bestemming aan een spaarsaldo, maar op het achteraf en eenzijdig verdelen van de kosten van de huishouding. Anders dan de vrouw betoogt, heeft het hof derhalve niet (impliciet) geoordeeld dat het spaarsaldo niet bestemd was voor het aanvullend ouderdomspensioen van de man.
2.5
De
tweede klachtbetoogt dat het hof bij het bepalen van de inhoud van hetgeen partijen (stilzwijgend) zijn overeengekomen niet kenbaar is ingegaan op de essentiële stelling van de man dat dit saldo van de gemeenschappelijke bankrekening diende ter dekking van het risico dat hij geen inkomen zou hebben door ziekte en werkloosheid. Dit zou temeer gelden omdat de vrouw die bedoeling heeft erkend.
2.6
Ook deze klacht slaagt op dezelfde gronden als de eerste klacht, omdat het hof niet gemotiveerd is ingegaan op de stellingen van de man. Voor zover de klacht opmerkt dat de vrouw heeft erkend dat er bewust voor ziekte en werkloosheid werd gespaard en dat dit volgt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, mist deze opmerking gedeeltelijk feitelijke grondslag. In het proces-verbaal is slechts te lezen dat de vrouw erkent dat bewust werd gespaard omdat de man niet verzekerd was voor werkloosheid. [8] Een erkenning dat ook werd gespaard voor ziekte, valt daarin niet te lezen.
2.7
De
derde klachtbevat slechts een algemene voortbouwklacht en behoeft geen behandeling.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 7 september 2021 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie het in cassatie bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 7 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8479, RN 2022/23, RFR 2022/6, rov. 2.
2.ECLI:NL:RBNNE:2020:441, JPF 2020/67.
3.Uit de berekening van [deskundige] volgt dat dit bedrag aan premies voor AOW afgedragen had moeten worden, zie de brief van mr. Braak d.d. 5 mei 2021, productie 10 (brief van [deskundige] van 1 november 2018, bijlage 1).
4.Memorie van antwoord in principaal appel onder 3.6.
5.Zie in dat kader ook het slot van rov. 5.12 van het bestreden arrest. Ik wijs erop dat onder 3.4 van de procesinleiding overigens wordt opgemerkt dat in 3.24-3.26 van de memorie van antwoord in principaal appel zou zijn uiteengezet waarom de effectenrekening het ‘pensioengat’ van de man niet dempt. Dit betoog is niet terug te vinden op de genoemde vindplaatsen. Daar is kort gezegd betoogd dat de man in 1999 een Flexibel Pensioenplan heeft afgesloten, dat vanaf 2001 slechts de minimaal verplichte inleg is betaald en dat het pensioenplan per september 2006 premievrij is gemaakt. Hieruit volgt dat de effectenrekening het pensioengat dus in ieder geval deels dempt. Overigens lijkt daarmee in de berekening van [deskundige] ook rekening te zijn gehouden, nu een bedrag van € 21.584,- voor ‘Bruto gespaard in een lijfrente’ in mindering wordt gebracht op de benodigde koopsom. Zie bijlage 2 bij de brief van [deskundige] van 1 november 2018 (productie 10 bij de brief van mr. Braak d.d. 5 mei 2021).
6.Uit de berekening van [deskundige] volgt dat het om een bedrag van € 204.190,- gaat. Zie de brief van mr. Braak d.d. 5 mei 2021, productie 9 (brief van [deskundige] van 4 mei 2021, bijlage 2 en 3).
7.Uit de berekening van [deskundige] volgt dat het gaat om bedragen van respectievelijk € 106.327, € 256.880,-, € 160.128,- en € 50.477,-. Zie de brief van mr. Braak d.d. 5 mei 2021, productie 10 (brief van [deskundige] van 1 november 2018).
8.Proces-verbaal, p. 9, waar de vrouw heeft verklaard: ‘Op de vraag van het hof of erover is gesproken dat een potje zou worden gespaard voor de toekomst, geef ik aan dat er bewust werd gespaard omdat [de man] niet verzekerd was voor werkloosheid. (…) Voor ziekte en arbeidsongeschiktheid had [de man] een verzekering. (…)’.