Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klachtis gericht tegen rov. 5.16, waarin het hof heeft overwogen dat wanneer de man bij de verdeling van het saldo van de gemeenschappelijke bankrekening niet ‘gecompenseerd’ zou worden voor het feit dat hij wordt gekort op zijn AOW-uitkering, de vrouw uiteindelijk in een betere financiële positie komt te verkeren dan de man. De klacht betoogt dat de man in feitelijke instantie niet alleen heeft aangevoerd dat hij gecompenseerd diende te worden voor het AOW-tekort, maar ook dat het op de gemeenschappelijke spaarrekening aanwezige saldo diende om het ontbreken van zijn aanspraken op een aanvullend ouderdomspensioen te compenseren, terwijl de vrouw wel een regulier aanvullend ouderdomspensioen heeft kunnen opbouwen. Het hof had niet ongemotiveerd aan deze (essentiële) stellingen van de man voorbij mogen gaan. Het is onbegrijpelijk dat het hof, gelet op zijn oordeel ten aanzien van de compensatie van het AOW-tekort, niet ook eenzelfde compensatie toepast voor het ouderdomspensioen, aldus de klacht.
tweede klachtbetoogt dat het hof bij het bepalen van de inhoud van hetgeen partijen (stilzwijgend) zijn overeengekomen niet kenbaar is ingegaan op de essentiële stelling van de man dat dit saldo van de gemeenschappelijke bankrekening diende ter dekking van het risico dat hij geen inkomen zou hebben door ziekte en werkloosheid. Dit zou temeer gelden omdat de vrouw die bedoeling heeft erkend.
derde klachtbevat slechts een algemene voortbouwklacht en behoeft geen behandeling.