Conclusie
[eiser 1])
[eiser 2])
[eiser 3])
[eiseres 4])
[eiseres 5])
[eiseres 6])
Ampowerment)
Synergy)
[eiseres], in vrouwelijk enkelvoud)
[verweerster])
[verweerster] verhuurde een kantoorpand. De huurder, ook een B.V., raakte in moeilijkheden en haar aandelen worden op 17 december 2012 overgedragen. Vanaf dat moment zijn eisers in cassatie de (al dan niet indirect) bestuurders van de huurder. Nadat [verweerster] daags na de aandelentransactie te kennen gaf niet te willen instemmen met een hernieuwd voorstel tot beëindiging van de niet-tussentijds opzegbare huurovereenkomst, sloot de huurder op 27 december 2012 activa-passivatransacties met twee gelieerde vennootschappen. Als gevolg hiervan moest [verweerster] zich zien te verhalen op een lege vennootschap (de huurder). Het bewerkstelligen dan wel toelaten hiervan door de (indirecte) bestuurders van de huurder is aanleiding voor de onderhavige procedure. Het sluitstuk van een meer dan 6,5 jaar durend hoger beroep daarin - inclusief getuigenverhoren, diverse rapporten van partijdeskundigen, vier tussenarresten, het terugkomen van eerdere beslissingen en meerdere raadsheerwisselingen - is een einduitspraak waarin de aangesproken bestuurders aansprakelijk worden gehouden voor de schade die [verweerster] heeft geleden.
Volgens het gerechtshof is sprake geweest van onrechtmatig bestuur: [verweerster] is als enige schuldeiser van de huurder overgebleven en onbetaald gebleven, terwijl alle andere schuldeisers wel zijn betaald; activa met een waarde van ruim € 200.000,- zijn vervreemd tegen een symbolische prijs van € 1,-; voor een bestuurder moet zonder meer duidelijk zijn dat [verweerster] met lege handen zou komen te staan (er is geen verhaal en, vanwege het pluraliteitsvereiste, geen mogelijkheid om het faillissement aan te vragen); en er moet van worden uitgegaan dat de (indirecte) bestuurders wetenschap van benadeling hadden en een persoonlijk ernstig verwijt is te maken. Het gerechtshof oordeelt dat dit onrechtmatig bestuur heeft geleid tot schade bij [verweerster] ter hoogte van de misgelopen huur over de resterende huurperiode tot 1 maart 2015. Tot de schade behoren verder de boetes waartoe de huurder veroordeeld is (niet-gebruik en niet-tijdige betaling) en de kosten van de procedures die door [verweerster] tegen de huurder zijn gevoerd.
Het breed ingestoken principaal cassatieberoep van de (indirecte) bestuurders zie ik niet slagen. Daarmee wordt niet toegekomen aan het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de verhuurder. En kunnen de bestreden uitspraken in stand blijven.
1.Feiten
eerste tussenarrest) van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna ook: het
hof).
Nedstars) voor de periode van 1 maart 2010 t/m 28 februari 2015 voor een huurprijs die na indexatie per 1 januari 2013 € 53.004,35 (incl. btw) per kwartaal bedroeg. Deze huurovereenkomst kon niet tussentijds worden beëindigd en voorzag in boetes bij niet-nakoming door Nedstars van de op haar rustende verplichtingen als huurder.
[bestuurder 1]), bestuurder van Nedstars, heeft bij e-mail van 17 augustus 2012 aan [bestuurder 2] (hierna:
[bestuurder 2]), bestuurder van [verweerster] , laten weten dat Nedstars onverwacht een grote opdrachtgever is kwijtgeraakt en dat het daardoor in 2013 mogelijk problematisch zal worden om de huur volledig en op tijd te voldoen.
Acknowledge Benelux) en met Comaxx B.V. (hierna:
Comaxx), vennootschappen waarvan de aandelen indirect gehouden worden door Ampowerment en die indirect bestuurd worden door [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] . In beide gevallen bedroeg de koopprijs voor de activa en passiva € 1,-. [bestuurder 1] is in dienst getreden bij Comaxx.
Kortgedingvonnis) heeft de voorzieningenrechter [2] de vorderingen in conventie afgewezen en zijn Nedstars en Acknowledge Benelux in de proceskosten veroordeeld. In reconventie is Nedstars veroordeeld om aan [verweerster] te voldoen de bestaande huurachterstand van € 106.008,70, te vermeerderen met de contractuele boete per maand vanaf 1 januari 2013 tot aan de kalendermaand waarop Nedstars tot volledige betaling overgaat. De kosten van de procedure in reconventie zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
eindvonnis) heeft de rechtbank in conventie [eiseres] hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld (i) tot betaling van hetgeen waartoe Nedstars is veroordeeld bij het Kortgedingvonnis en bij het Kantonrechtervonnis, (ii) in de beslagkosten, (iii) in de proceskosten, en (iv) in de nakosten. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
b. Tweede tussenarrest en vervolg
tweede tussenarrest). [14]
c. Derde tussenarrest en vervolg
e. Eindarrest
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
subonderdeel 1.1.
Allereerst: het hof ziet het onder 3.4.1 sub (i) hiervoor genoemde punt niet over het hoofd. Het hof onderkent immers dat met de activa-passivatransacties per 27 december 2012 ook passiva is overgedragen. Zie reeds het eerste tussenarrest, rov. 3.1 onder f:
passivaovereenkomsten (…) gesloten, (…) In beide gevallen bedroeg de koopprijs voor de activa
en passiva€ 1,--.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
Voorts: het subonderdeel ziet hier voorbij aan de kern van ’s hofs oordeel ter zake. Te weten dat door de activa-passivatransacties per 27 december 2012 het verhaalsvermogen uit Nedstars is verdwenen, aangezien op basis daarvan Nedstars ook activa met een waarde van ruim € 200.000,- heeft vervreemd [27] en de overnameprijs slechts een bedrag van € 1,- was, met als netto-effect dat tegen betaling van die symbolische prijs ook activa ter waarde van ruim € 200.000,- het vermogen van Nedstars heeft verlaten en zodoende buiten haar bereik is gebracht en gebleven. Dit terwijl de door Nedstars vanaf 1 januari 2013 verschuldigde huur niet is betaald (de huurovereenkomst met [verweerster] liep door tot 1 maart 2015) en Nedstars geen verhaal bood voor die voldoening aan [verweerster] (verhaal door [verweerster] op het vermogen van Nedstars is aldus feitelijk onmogelijk gemaakt), maar de overige schuldeisers van Nedstars wel zijn betaald. Daardoor werd [verweerster] als enige overblijvende schuldeiser van Nedstars uit hoofde van de huurovereenkomst dus kenbaar klem gezet bij gebreke aan verhaal, terwijl er evenmin mogelijkheid was voor haar het faillissement van Nedstars aan te vragen nu aan het pluraliteitsvereiste niet is voldaan. Kortom, aldus is [verweerster] in genoemde hoedanigheid, en voor [eiseres] als (indirecte) bestuurders van Nedstars kenbaar, met lege handen komen te staan en zodoende benadeeld. [28] Het voorgaande sluit in dat Nedstars na die transacties, waardoor zij in ’s hofs woorden een “lege” (“leeggehaalde”) vennootschap werd, niet langer activiteiten ontplooide. [29] Het hof betrekt daarbij ook dat [verweerster] het zijdens de Acknowledge-groep op 24 december 2012 (dus voorafgaand aan die transacties) aan haar gedane voorstel, om met inachtneming van bepaalde financiële toezeggingen in te stemmen met een beëindiging van de huurovereenkomst per 1 januari 2013, had verworpen. [30] M.i. is tussen dit een en ander geen speld te krijgen. De onder 3.4.1 sub (ii) t/m (iv) hiervoor genoemde punten kunnen daaraan naar de aard niet afdoen en maken ’s hofs bestreden overwegingen dus niet onbegrijpelijk.
Kort en goed: voor zover het subonderdeel hier al uitgaat van een juiste lezing van de bestreden overwegingen van het hof, en daarmee feitelijke grondslag heeft, loopt het vast op het voorgaande.
juist nietvoorafgaand aan de transactie zijn betaald (waarna ook nog eens activa ter waarde van € 200.000,- voor € 1,- zouden zijn verkocht). Betaling van deze vorderingen van schuldeisers (crediteuren en overlopende passiva) was nu juist één van de verplichtingen die de kopers in de activa-passivatransactie hebben overgenomen, aan welke verplichting ook is voldaan.
In rov. 14.1 van het eindarrest parafraseert het hof onder meer overwegingen in rov. 12.5.2 van het vierde tussenarrest. Specifiek de passage waar het hof, volgend op de verwijzing naar het Hoge Raad-arrest van 21 april 2017, [31] uiteenzet dat er naar het oordeel van het hof reeds voldoende grond is om aan te nemen dat de handelwijze van [eiseres] als onrechtmatig tegenover [verweerster] moet worden aangemerkt. Dit omdat door verkoop van de activa van Nedstars op 27 december 2012 volgens de bijlagen bij die overeenkomsten tegen betaling van € 1,- activa ter waarde van ruim € 200.000,- aan het vermogen van Nedstars is onttrokken. Terwijl alle andere schuldeisers zijn betaald, maar [verweerster] zich moet zien te verhalen op de leeggehaalde vennootschap (Nedstars). Waarmee verhaal door [verweerster] op het vermogen van Nedstars feitelijk onmogelijk lijkt te zijn gemaakt. Dit zou betekenen dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerster] door activa van Nedstars aan die vennootschap te onttrekken, waardoor verhaal voor [verweerster] illusoir werd. Zie daarover ook onder 3.4.2 hiervoor.
Waar het hof in deze parafrase in die rov. 14.1 de woorden “nadat alle overige schuldeisers waren betaald” gebruikt, brengt het niet tot uitdrukking dat deze overige schuldeisers volgens hem alle zijn voldaan voorafgaand aan de activa-passivatransacties per 27 december 2012. Ik lees dat bijvoorbeeld evenmin in die rov. 12.5.2 of in rov. 14.3 van het eindarrest. [32] Het hof brengt met die parafraserend bedoelde woorden in rov. 14.1 wel kortweg tot uitdrukking dat voldoening van deze overige schuldeisers van Nedstars - behoudens [verweerster] , de enige “overblijvende schuldeiser” - heeft plaatsgevonden en niet los gezien kan worden van die transacties, waarbij irrelevant is in hoeverre deze overige schuldeisers nog zijn betaald door Nedstars dan wel zijn betaald door de kopers volgend op en op basis van de gemaakte afspraken inzake die transacties. Dit strookt tevens met de kern van ’s hofs oordeel inzake die transacties als uiteengezet onder 3.4.2 hiervoor, waarbij het op dit specifieke punt logischerwijs erom draait dát al die overige schuldeisers van Nedstars wel zijn voldaan. Het hof kon dit dus ook in het midden laten zoals het daar doet, zonder dat zijn bestreden overwegingen daarmee onbegrijpelijk zijn. Wat het subonderdeel hier aanvoert, daarmee nog eens bevestigend dát al die overige schuldeisers van Nedstars wel zijn voldaan, kan daaraan naar de aard niet afdoen.
Kort en goed: voor zover het subonderdeel hier al uitgaat van een juiste lezing van de bestreden overwegingen van het hof, en daarmee feitelijke grondslag heeft, loopt het vast op het voorgaande.
Voor zover het subonderdeel hier ervan uitgaat dat het hof het oog heeft op de periode tot eind 2012, waar het hof betrekt dat alle overige schuldeisers van Nedstars wel waren betaald (behoudens [verweerster] ), leest het subonderdeel de bestreden overwegingen van het hof verkeerd en mist het daarmee feitelijke grondslag. Het gaat het hof hier immers erom dat [verweerster] - schuldeiser van Nedstars uit hoofde van de tot 1 maart 2015 doorlopende huurovereenkomst, naar ten tijde van de activa-passivatransacties per 27 december 2012 kenbaar was - als enige schuldeiser van Nedstars niet werd voldaan, daar de door Nedstars verschuldigde huur vanaf 1 januari 2013 niet is betaald en Nedstars geen verhaal bood voor die voldoening aan [verweerster] , maar de overige schuldeisers van Nedstars wel zijn betaald. En dat dit, inclusief de corresponderende benadeling van [verweerster] als enig overgebleven schuldeiser van Nedstars, voorzienbaar was voor [eiseres] als (indirecte) bestuurders van Nedstars ten tijde van de activa-passivatransacties per 27 december 2012. Zie in dit verband reeds rov. 3.5 en 3.7.1 van het eerste tussenarrest, waar het hof samenvat wat [verweerster] verwijt aan [eiseres] als (indirecte) bestuurders van Nedstars (insluitend dat zij hebben bewerkstelligd dan wel hebben toegelaten “dat Nedstars per 1 januari 2013 niet meer kon voldoen aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst”). Waarop rov. 12.4.4 van het vierde tussenarrest aansluit. En in het verlengde daarvan ook het eindarrest.
Voor zover het subonderdeel hier wel uitgaat van een juiste lezing van de bestreden overwegingen van het hof, loopt het vooreerst erop vast dat het hof bij genoemde stand van zaken niet ook nog iets hoefde vast te stellen over na 2012 voor Nedstars ontstane verplichtingen die wel zijn voldaan, maar de huurverplichting jegens [verweerster] niet. In ’s hofs oordeel ligt immers besloten dat na 2012 alleen [verweerster] , de enig “overgebleven schuldeiser”, nog schuldeiser was van Nedstars (uit hoofde van de tot 1 maart 2015 doorlopende huurovereenkomst, die niet tussentijds opzegbaar was: zie rov. 3.1 onder a van het eerste tussenarrest). Wat ook strookt met de eigen stellingname van [eiseres] dat “[a]lle crediteuren van Nedstars tot en met december 2012 [zijn] betaald. Alleen met [verweerster] had Nedstars nog een duurovereenkomst, waarvan duidelijk was dat zij die na 2012 niet meer zou kunnen nakomen.” [33] Het onder 3.4.5 sub (i) hiervoor bedoelde punt baat [eiseres] dus niet. Hetzelfde geldt voor het onder 3.4.5 sub (ii) hiervoor bedoelde punt. [verweerster] was immers blijkens het voorgaande na 2012 - op basis van de tot 1 maart 2015 doorlopende huurovereenkomst - de enig overgebleven schuldeiser van Nedstars, zodat er geen sprake van kan zijn dat [verweerster] gezien die bankgarantie “eerder in een gunstiger positie [verkeerde] dan eventuele andere schuldeisers”.
Kort en goed: voor zover het subonderdeel hier al uitgaat van een juiste lezing van de bestreden overwegingen van het hof, en daarmee feitelijke grondslag heeft, loopt het vast op het voorgaande.
Zoals uiteengezet onder 3.4.6 hiervoor heeft het hof het oog op de situatie na 2012, waar het overweegt dat [verweerster] zich voor haar vordering op Nedstars uit hoofde van de tot 1 maart 2015 doorlopende huurovereenkomst moest zien te verhalen op een lege vennootschap: Nedstars had toen immers zelf geen middelen (actief) meer, noch activiteiten trouwens. Zie tevens onder 3.4.2 hiervoor. Daarbij betrekt het hof kenbaar mede dat Nedstars toen, als gevolg van de activa-passivatransacties per 27 december 2012, een “leeggehaalde besloten vennootschap” was bij gebreke ook aan enig verhaalsvermogen van Nedstars zelf. Alsmede dat de door Nedstars vanaf 1 januari 2013 verschuldigde huur niet is betaald en Nedstars geen verhaal bood voor die voldoening aan [verweerster] , maar de overige schuldeisers van Nedstars wel zijn betaald.
Daaraan doet naar de aard niet af dat [verweerster] op 27 december 2012, ten tijde van de activa-passivatransacties, geen opeisbare huurvordering op Nedstars had. Noch dat [verweerster] toen, dus op die datum, beschikte over een bankgarantie ter grootte van bijna de huur van het eerste kwartaal van 2013. Waarbij nog zij bedacht dat, naar het hof overweegt in rov. 9.2 van het derde tussenarrest, [verweerster] de zekerheid die de bankgarantie bood [34] - enkel voor ongeveer één huurtermijn van een kwartaal - kwijt zou zijn na het inroepen van die bankgarantie, zodat de mogelijkheid daartoe niet betekent dat [verweerster] niet zou zijn benadeeld. Evenmin is daarvoor relevant of haar in het kader van die transacties, op die datum, additioneel € 50.000,- tot € 60.000,- voor toekomstige huurvorderingen is aangeboden. Waarbij nog zij bedacht dat [verweerster] het in rov. 3.1 onder d van het eerste tussenarrest bedoelde voorstel dus heeft verworpen, naar het hof daar vaststelt.
Kortom, ’s hofs oordeel dat [verweerster] zich voor haar vordering op Nedstars uit hoofde van de huurovereenkomst moest zien te verhalen op een lege vennootschap valt niet als onbegrijpelijk aan te merken op basis van hetgeen het subonderdeel hier aanvoert onder 3.4.7 sub (i) t/m (iii) hiervoor, bezien naar 27 december 2012.
going concern) (boek)waarde van ruim € 200.000,- die daaraan in de overnameovereenkomsten is toegekend. Het valt in het licht van deze stellingen van [eiseres] (waarop het hof niet kenbaar respondeert) en de (ook door het hof onderschreven) noodzaak tot herinvestering ook niet in te zien dat volgens het hof ruim € 200.000,- aan activa is onttrokken of verkocht voor € 1,-.
Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat het hof in rov. 9.5.3 van het derde tussenarrest al bewezen acht niet alleen dat de ict-infrastructuur van Nedstars dermate verouderd was dat een onmiddellijke investering noodzakelijk was om de continuïteit van de dienstverlening aan haar klanten te kunnen waarborgen, maar tevens dat die herstructurering ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden kort na 13 december 2012. Oftewel voor althans rond de in rov. 3.1 onder c van het eerste tussenarrest bedoelde overdracht van de aandelen in Nedstars aan Synergy op 17 december 2012 (welke vennootschap ook Nedstars nieuwe bestuurder werd), en voor de activa-passivatransacties per 27 december 2012. Ten tijde van die laatste transacties was er aldus, in de werkelijke situatie als aangehouden door het hof, geen sprake van het moeten staken van de activiteiten van Nedstars vanwege die problemen met de ict-infrastructuur, nu deze toen inmiddels waren verholpen met genoemde herstructurering. Welk IT-bedrijf van Nedstars overigens is voortgezet in een pand van de Acknowledge-groep nadat Nedstars het van [verweerster] gehuurde pand heeft ontruimd per 1 januari 2013, naar het hof reeds vaststelt in rov. 3.1 onder g van het eerste tussenarrest. Dit een en ander betrekt het hof, waar het in de bestreden overwegingen - en bezien naar die datum van 27 december 2012, vanuit de werkelijke situatie - uitgaat van een waarde van ruim € 200.000,- van de op basis van die transacties overgenomen activa van Nedstars. Bij deze stand van zaken valt dit laatste niet als onbegrijpelijk aan te merken op grond van wat het subonderdeel hier aanvoert. En is het dus evenmin zo dat het hof daar “zonder meer” is uitgegaan van die waarde van ruim € 200.000,- van de overgenomen activa.
Kort en goed: voor zover het subonderdeel hier al uitgaat van een juiste lezing van de bestreden overwegingen van het hof, en daarmee feitelijke grondslag heeft, loopt het vast op het voorgaande.
subonderdeel 1.2.
subonderdeel 1.3.
eerste klacht. Het oordeel is voorts onbegrijpelijk, zo vervolgt het subonderdeel, omdat het hof - nadat de hele zetel inmiddels was vervangen - in zijn eindarrest (rov. 14.6) met zoveel woorden terugkomt van het doorslaggevende belang dat het aan de stand van het eigen vermogen had toegekend voor zijn bewijsoordeel in het derde tussenarrest, zonder terug te komen van zijn oordeel over het (daardoor) niet geslaagd zijn in het leveren van tegenbewijs door middel van het horen van getuigen. Dit is de
tweede klacht.
subonderdeel 2.1.
actiefvan Nedstars. Niet (ook) om Nedstars eigen vermogen per enige datum althans eind 2012/begin 2013 (bij het uitblijven van die transacties), wat iets anders is en waarop het hof nog wel nadruk legt in het derde tussenarrest (mede gelet op rov. 9.6.6-9.7) in het kader van het door [eiseres] te leveren tegenbewijs. Waar het hof overweegt in die rov. 14.4 dat met het voorgaande aan een deel van de eerdere overwegingen en beslissingen dan ook de grondslag komt te vervallen, en dat het van zijn beslissingen dient terug te komen, omvat dit dus ook die oordelen van het hof in het derde tussenarrest (rov. 9.6.6-9.7) inzake het eigen vermogen en het leveren van tegenbewijs waarop het subonderdeel doelt. Langs die weg maakt het hof zich daar, in het vierde tussenarrest en het eindarrest, tevens los van laatstgenoemde oordelen in het derde tussenarrest. Hetzelfde geldt voor ’s hofs oordelen in het derde tussenarrest over het (verder) leveren van tegenbewijs en het deskundigenbericht wat betreft het onrechtmatige handelen van [eiseres] jegens [verweerster] (zie mede rov. 9.8-9.9.2).
eerste klachtheeft [eiseres] geen belang. Reeds daarop loopt de klacht vast. Het hof baseert zijn vaststelling (zie het vierde tussenarrest en het eindarrest) dat de handelwijze van [eiseres] als onrechtmatig tegenover [verweerster] moet worden aangemerkt immers niet (mede) op de stand van het eigen vermogen van Nedstars per enige datum althans eind 2012/begin 2013. Daaraan doet niet af dat het hof in het derde tussenarrest nog nadruk legde op dat eigen vermogen, op welk oordeel de klacht het oog heeft. Zie onder 3.10.2-3.10.4 hiervoor.
tweede klachtloopt vast. Niet alleen is deze klacht gericht tegen datzelfde oordeel van het hof in het derde tussenarrest, waarover hiervoor. Anders dan de klacht veronderstelt, heeft het hof in rov. 14.6 van het eindarrest bovendien niet het oog op zijn tegenbewijsoordeel in het derde tussenarrest, maar op zijn te onderscheiden overwegingen in het derde tussenarrest (rov. 9.10.1-9.10.7) over de begroting van de schade die [verweerster] heeft geleden in geval van aansprakelijkheid wegen onrechtmatig handelen van [eiseres] jegens [verweerster] . Laatstgenoemde overwegingen bevatten geen bewijsoordeel van het hof als bedoeld in de klacht. [39] Zie onder 3.10.5 hiervoor. Voorts geldt dat waar het hof in rov. 14.4 van het eindarrest overweegt dat met het voorgaande aan een deel van de eerdere overwegingen en beslissingen dan ook de grondslag komt te vervallen, en dat het van zijn beslissingen dient terug te komen, dit tevens omvat de oordelen van het hof in het derde tussenarrest (rov. 9.6.6-9.7) inzake het eigen vermogen en het leveren van tegenbewijs waarop het subonderdeel doelt. Zie onder 3.10.2-3.10.4 hiervoor.
subonderdeel 2.2.
subonderdeel 3.1.
subonderdeel 3.2.
[zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Het voorgaande klemt temeer nu [eiseres] wat betreft de juridische aanvaardbaarheid van de activa-passivatransactie uit zorgvuldigheidsoogpunt zelfs mede is afgegaan op vooraf verkregen advies van externe adviseurs. In cassatie moet - minst genomen veronderstellenderwijs - ervan worden uitgegaan dat [eiseres] niet behoefde te twijfelen aan de deskundigheid van deze externe adviseurs, nu het hof daaromtrent niets heeft vastgesteld.
het onbetaald laten van één schuldeiser terwijl alle andere schuldeisers wel worden betaald (selectieve betaling) in combinatie met het verkopen van activa door het vennootschapsbestuur zonder dat de waarde van die activa terug vloeit in de onderneming (bijvoorbeeld door verkoop tegen een te lage prijs), moet worden beschouwd als onrechtmatig jegens die schuldeiser. Daardoor wordt immers de overblijvende schuldeiser klem gezet omdat er geen verhaal is, terwijl er ook geen mogelijkheid is het faillissement aan te vragen omdat aan het pluraliteitsvereiste niet is voldaan. Die schuldeiser komt dus met lege handen te staan.Voor een bestuurder moet dit zonder meer duidelijk zijn. Dat de bestuurder daarbij heeft gevaren op advies van een of meer door hem geraadpleegde deskundigen, maakt daarbij geen verschil omdat de eigen verantwoordelijkheid niet kan worden ontlopen via het inhuren van externe adviseurs. Dat zou er immers op kunnen neerkomen dat vrijwaring kan worden ingekocht.Er moet in een dergelijk geval daarom van worden uitgegaan dat de bestuurder wetenschap van benadeling had en dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt is te maken. Nu dit alles ook hier aan de orde is, heeft in deze zaak eveneens als vertrekpunt te gelden dat er sprake is geweest van onrechtmatig bestuur. Daarbij is naar het oordeel van het hof bepalend dat er activa met een waarde van ruim € 200.000,00 zijn vervreemd tegen een symbolische prijs van € 1,00, waardoor verhaalsvermogen uit de vennootschap is verdwenen. Anders dan [eiseres] meent, maakt het daarbij niet uit of dit een waardevol aandelenpakket betreft (zoals in de Hoge Raad-zaak van 21 april 2017) of activa met een zekere waarde. Evenmin brengt de omstandigheid dat de schuldeiser ook als het onrechtmatig handelen achterwege was gebleven, mogelijk zijn vordering niet had kunnen innen, mee dat er geen sprake is van onrechtmatig bestuur, zoals [eiseres] tevens hebben aangevoerd. Het bestaan van schade is weliswaar vereist voor het toewijzen van een vordering uit onrechtmatige daad, maar is niet bepalend voor het antwoord op de vraag of het gewraakte handelen als zodanig onrechtmatig is. Die vraag dient als eerste te worden beantwoord.”
subonderdeel 4.1.
Dit omdat de in het subonderdeel onder a t/m i genoemde stellingen van [eiseres] en oordelen van het hof erop neerkomen dat Acknowledge Benelux en Comaxx veel grotere financiële verplichtingen aangingen dan het verschil tussen de (boek)waarde van de activa en de passiva en daarmee een behoorlijk ondernemersrisico namen. En zij tegelijkertijd met hun aanbod aan [verweerster] ervoor zorgden dat [verweerster] in staat werd gesteld meer te ontvangen dan zij zou hebben gekregen als die transacties niet zouden zijn uitgevoerd en Nedstars eind 2012 of kort na 2012 failliet zou zijn gegaan, waarvan [eiseres] volgens het hof in het derde tussenarrest (rov. 9.5.6) op dat moment mocht uitgaan.
Voor zover het subonderdeel hier uitgaat van een andere lezing van ’s hofs bestreden overwegingen dan uiteengezet onder 3.22 hiervoor is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel hier wel uitgaat van een juiste lezing van die overwegingen strandt het ook. Dan ziet het eraan voorbij dat wat het aanvoert [49] niet maakt dat zonder nadere, ontbrekende motivering door het hof niet valt in te zien waarom het "zonder meer duidelijk" was dat [verweerster] door de activa-passivatransacties per 27 december 2012 benadeeld zou worden. Ik licht dat toe.
Voor zover het al zo is dat Acknowledge Benelux en Comaxx veel grotere financiële verplichtingen aangingen dan het verschil tussen de (boek)waarde van de activa en de passiva en daarmee een behoorlijk ondernemersrisico namen, geldt dat dit naar de aard niet afdoet aan (de kenbaarheid van) de benadeling van de overblijvende schuldeiser als bedoeld door het hof in de onder 3.21 hiervoor gecursiveerd weergegeven passage in rov. 14.3 van het eindarrest. Welke situatie het hof ook voor ogen heeft waar het vervolgens uitgaat van het onderhavige geval, dus de hier feitelijk voorliggende situatie. Dit een en ander volgt al uit de behandeling van subonderdeel 1.1, specifiek onder 3.4.2 hiervoor.
Ook het vervolg van hetgeen het subonderdeel aanvoert, behoefde het hof geen aanleiding te geven tot een nadere motivering. Bij die feitelijke situatie betrekt het hof immers dat ten tijde van die transacties [verweerster] het in rov. 3.1 onder d van het eerste tussenarrest bedoelde voorstel zijdens de Acknowledge-groep aan haar reeds had verworpen. [50] Ook daarop wees ik al onder 3.4.2 hiervoor. Verder lees ik in rov. 9.5.6 van het derde tussenarrest niet dat zonder die transacties Nedstars eind 2012 of kort na 2012 failliet zou zijn gegaan, althans dat [eiseres] daarvan ten tijde van genoemd voorstel mocht uitgaan. [51] Hoe dan ook laat wat daar wel staat onverlet dat [verweerster] kenbaar is benadeeld in die feitelijke situatie, als enige overblijvende schuldeiser van Nedstars zonder verhaalsmogelijkheid volgend op die transacties.
Voor zover het subonderdeel hier veronderstelt dat volgens het hof [eiseres] niet mocht afgaan op vooraf verkregen advies van externe adviseurs omdat de benadeling van [verweerster] “zonder meer duidelijk” moest zijn voor haar, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van ’s hofs bestreden overwegingen en mist het daarmee feitelijke grondslag. Zie onder 3.22 hiervoor.
Voor zover het subonderdeel hier wel uitgaat van een juiste lezing van die overwegingen strandt het ook. Uit die overwegingen blijkt niet alleen dat in de onder 3.23.1 hiervoor bedoelde feitelijke situatie die het hof voor ogen heeft, gegeven de samenhangende elementen daarvan, benadeling van [verweerster] als enige overblijvende schuldeiser van Nedstars voorzienbaar aan de orde is. Daaruit blijkt tevens dat het hof ter zake redeneert vanuit het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Wat er verder zij van het door [eiseres] vooraf verkregen advies van externe adviseurs waarop het subonderdeel hier doelt: aan die kenbaarheid van [verweerster] ’ benadeling voor [eiseres] als betrokken (indirecte) bestuurders van Nedstars kan dat advies-aspect dan niet afdoen, zodat dat het hof hoe dan ook geen aanleiding gaf die kenbaarheid van [verweerster] ’ benadeling nog weer nader te motiveren.
Overigens onderkent het hof dat advies-aspect in rov. 14.3. Maar staat dat volgens het hof dus niet in de weg aan het in de bedoelde situatie gegeven onrechtmatige karakter van het handelen van de bestuurder jegens de benadeelde schuldeiser. Het hof motiveert ook waarom het hiertoe komt: de eigen verantwoordelijkheid van de bestuurder ter zake moet niet ontlopen kunnen worden via het inhuren van externe adviseurs, wat erop zou kunnen neerkomen dat vrijwaring wordt ingekocht. Zie voor dit een en ander onder 3.22 hiervoor. Dit is alleszins navolgbaar en behoefde geen nog weer nadere motivering om niet onvoldoende begrijpelijk te zijn.
Gezien het voorgaande kan ik daarlaten de stelling van [eiseres] dat in cassatie - minst genomen veronderstellenderwijs - ervan moet worden uitgegaan dat zij niet behoefde te twijfelen aan de deskundigheid van deze externe adviseurs, nu het hof daaromtrent niets heeft vastgesteld.
subonderdeel 4.2.
Zoals uiteengezet onder 3.23-3.23.2 hiervoor, loopt subonderdeel 4.1 met de daarin vervatte motiveringsklachten vast. Hetzelfde lot treft het onderhavige subonderdeel, dat een rechtsklacht bevat. Voor zover dit subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van de bestreden overwegingen van het hof en daarmee feitelijke grondslag heeft, miskent het dat - gezien ook het door het hof genoemde Hoge Raad-arrest van 21 april 2017 [52] en hetgeen ik uiteenzette onder 3.21-3.23.2 hiervoor - de “in subonderdeel 4.1 genoemde stellingen van [eiseres] ” waarop het beroep doet hoe dan ook geen “relevante” omstandigheden zijn. Dus omstandigheden die in de weg zouden kunnen staan aan ’s hofs vaststelling dat [eiseres] wetenschap had van benadeling van [verweerster] en het hof daarom had moeten betrekken in zijn beoordeling ter zake (in het kader van de onrechtmatigheid van het handelen van [eiseres] als (indirecte) bestuurders van Nedstars jegens [verweerster] ). Het subonderdeel legt ook niet uit waarom dit anders zou zijn.
eerste twee klachten. Het oordeel is zonder nadere, ontbrekende motivering ook niet begrijpelijk in het licht van de vragen die het hof blijkens zijn derde tussenarrest had aan een door het hof te benoemen deskundige over - onder meer - de omvang en samenstelling van het eigen vermogen per eind december 2012. Met name valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom het hof die vragen niet meer had ten tijde van zijn eindarrest, dan wel op grond waarvan het die vragen beantwoord of niet meer nodig achtte. Dit is de
slotklacht.
[zonder verwijzingen in origineel, A-G]
[zonder verwijzingen in origineel, A-G]
subonderdeel 5.1.
subonderdeel 5.2.
begindecember 2012, zodat de uitgaven in december 2012 daarvan nog afgingen, waaronder in elk geval “de posten in b(i)-b(iv)” verderop in het subonderdeel. Dit punt valt voorts niet te verenigen met de stelling van [eiseres] dat de (alleen) door Acknowledge Benelux - blijkens de overnameovereenkomst waarop ook het hof zich baseert - ‘vrije’ overgenomen liquide middelen op 27 december 2012 € 4.081,- bedroegen.
Het subonderdeel ziet hier voorbij aan het volgende. Het hof neemt in rov. 14.9 tot “vertrekpunt” voor het bepalen van de “liquiditeitspositie” van Nedstars eind 2012 (het geheel van de inkomsten en uitgaven van de onderneming op dat moment, zie rov. 14.6) het gegeven dat er toen sprake was van een nog lopende onderneming met een jaaromzet van circa € 1,6 miljoen, een eigen vermogen van ruim € 600.000,- en € 200.000,- aan liquide middelen. Daarbij onderkent het hof met zoveel woorden dat dit “afgeronde getallen uit de administratie van de onderneming” zijn. Dat gezien de functie van de administratie en art. 3:15i BW moet worden uitgegaan van de juistheid van de administratie (dat die niet klopte wordt overigens ook niet met zoveel woorden gesteld door [eiseres] ). En dat alleen is gesteld door [eiseres] dat er nog correcties moesten plaatsvinden. Waarvoor ook alle aanleiding kan zijn, zeker nu er sprake is van een lopende onderneming waarin voortdurend verschuivingen plaatsvinden. Het gaat in deze zaak erom, aldus nog steeds het hof in rov. 14.9, vast te stellen “in hoeverre die verschuivingen van invloed zijn geweest op de liquiditeit eind 2012”. Daarop gaat het hof vervolgens in rov. 14.10-14.13 in (uitmondend in rov. 14.14), met inachtneming van die stellingname van [eiseres] Welke het hof daar niet onbegrijpelijk uitlegt, zie ook onder 3.29.2 hierna. [64] Kortom, anders dan hier ten grondslag ligt aan het subonderdeel, brengt het hof nergens in rov. 14.9 tot uitdrukking ervan uit te gaan dat de liquide middelen van Nedstars eind december 2012 afgerond € 200.000,- bedroegen.
post (i)voert het subonderdeel aan dat het hof op zichzelf terecht overweegt in rov. 14.10 dat relevant is welke (daadwerkelijk gedane) uitgaven verband houden met deze post. [65] Maar aangezien het hof (minst genomen veronderstellenderwijs) ervan uitgaat in rov. 14.13 dat Nedstars eind 2012 ‘schuldenvrij’ is, brengt dit oordeel mee dat alle relevante uitgaven (dus de uitgaven verband houdende met het exploitatieverlies van Nedstars over december 2012) daadwerkelijk zijn betaald. In het licht daarvan behoefde het buiten aanmerking laten van het gehele exploitatieverlies over december 2012 minst genomen nadere motivering.
Het subonderdeel loopt hier vast op een onjuiste lezing van die rov. 14.10 en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag. In de zin waarop het subonderdeel het oog heeft, doet het hof niet meer dan opmerken dat de eigen directeur en oprichter van Nedstars ( [bestuurder 1] ) op 3 december 2012 - dus begin december 2012 - schrijft dat de onderneming schuldenvrij is. Hierin valt op geen enkele wijze te lezen dat het hof ervan uitgaat dat alle uitgaven verband houdende met het exploitatieverlies van Nedstars over december 2012 daadwerkelijk zijn betaald. Dit geldt temeer nu [bestuurder 1] in de door het hof bedoelde e-mail aan [verweerster] laat weten dat er geen sprake is van
langvreemd vermogen, wel van kort vreemd vermogen. Want [bestuurder 1] rept daar weliswaar onder verwijzing naar de bijgevoegde balans per 1 november 2012 van het “gezond en schuldenvrij (vanuit de achteruitkijkspiegel bezien)” zijn van Nedstars, maar uit die balans blijkt dat per genoemde datum de post kort vreemd vermogen € 135.585,- bedraagt (per 1 januari 2012 was dat € 142.601,-). [66]
post (ii)voert het subonderdeel aan dat het hof deze overuren wel noemt in rov. 14.13, maar niet motiveert waarom het deze overuren niet in aanmerking neemt. Dit klemt temeer nu het hof in rov. 14.13 ervan is uitgegaan dat Nedstars eind 2012 schuldenvrij was en derhalve ook deze schuld was voldaan.
Het subonderdeel ziet hier eraan voorbij dat het hof in rov. 14.13 overweegt dat tegenover de te betalen overuren (en de omzetbelasting) ook een relevante omzet zal hebben gestaan. En dat zonder nadere toelichting, die ook in hoger beroep niet is gegeven, het ervoor moet worden gehouden dat dit de liquiditeit niet onevenredig kan hebben belast. Het hof doet dus wel degelijk meer dan het enkel noemen van deze overuren in rov. 14.13. Voor zover het subonderdeel hier nog veronderstelt dat het hof in rov. 14.13 ervan uitgaat dat Nedstars eind 2012 schuldenvrij was, mist het eveneens feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van rov. 14.13. Zie onder a hiervoor.
post (iii)voert het subonderdeel aan dat volgens het hof in rov. 14.13 dit totaalbedrag van een kleine € 38.000,- kon worden betaald uit de vooruit gefactureerde omzet (in plaats van uit de begin december 2012 beschikbare liquide middelen). Dit oordeel behoefde nadere motivering, omdat uit niets blijkt dat die omzet in 2012 is betaald; daaromtrent heeft het hof niets vastgesteld. Dat die omzet (vooruit) zou zijn betaald, behoefde ook nadere motivering in het licht (i) van ’s hofs oordeel dat de continuïteit van Nedstars in het laatste kwartaal van 2012 onvoldoende was gewaarborgd zonder de onmiddellijk noodzakelijke investering in de ict-infrastructuur waarvoor Nedstars de middelen niet had. En voorts (ii) van de stelling van [eiseres] dat klanten hun rekeningen niet meer zouden betalen of zouden verrekenen met schadeclaims bij het staken van de dienstverlening.
Ook hier strandt het subonderdeel. Dit nog daargelaten ’s hofs overweging in rov. 14.13 dat niet inzichtelijk is geworden waarom een lopende onderneming met een jaaromzet van meer dan € 1.500.000,- en € 200.000,- aan liquide middelen dergelijke relatief geringe kosten (genoemd totaalbedrag van een kleine € 38.000,-) niet zou kunnen dragen, met name ook niet nu Nedstars eigen directeur en oprichter ( [bestuurder 1] ) op 3 december 2012 ook nog eens schrijft dat de onderneming schuldenvrij is (waarover onder a hiervoor). Anders dan het subonderdeel hier veronderstelt, stelt het hof in rov. 14.10 immers vast dat de vooruit gefactureerde omzet van € 42.000,- niet leidt tot uitgaven, maar normaliter wel tot inkomsten in die orde van grootte, waarmee bij de beoordeling van de liquiditeitspositie rekening gehouden dient te worden. Het hof gaat daar dus ervan uit dat deze vooruit gefactureerde omzet in 2012 is betaald. En bouwt daarop voort in rov. 14.13, waar het overweegt dat genoemd totaalbedrag van een kleine € 38.000,- in ieder geval met de hiervoor bedoelde vooruit gefactureerde omzet van € 42.000,- betaald zou kunnen worden. De onder (i) en (ii) nog opgebrachte punten baten [eiseres] evenmin, zoals reeds volgt uit 3.28.2 hiervoor waarnaar ik kortheidshalve verwijs.
post (iv)voert het subonderdeel aan dat het hof in rov. 14.9-14.14 niet kenbaar in aanmerking neemt dat dit bedrag niet ter beschikking stond van Nedstars (c.q. niet beschikbaar was voor andere crediteuren dan [verweerster] ).
Dit biedt [eiseres] evenmin soelaas. Onder 3.29.1 hiervoor vatte ik samen wat het hof vooropstelt in rov. 14.9. Dat tot de daar door het hof bedoelde correcties als voorgestaan door [eiseres] ook behoort dat het bedrag van de bankgarantie niet ter beschikking stond van Nedstars (c.q. niet beschikbaar was voor andere crediteuren dan [verweerster] ), lees ik hier niet in het subonderdeel. Evenmin in de vindplaatsen die het subonderdeel hier noemt, die alle ook dateren van voor het vierde tussenarrest. [67] Bij deze stand van zaken valt niet als onbegrijpelijk aan te merken dat het hof in rov. 14.10-14.13 (uitmondend in rov. 14.14), bij beantwoording van de vraag in hoeverre de in rov. 14.9 bedoelde verschuivingen van invloed zijn geweest op de liquiditeit van Nedstars eind 2012, niet (ook) als een door [eiseres] voorgestane correctie heeft betrokken dat het bedrag van de bankgarantie niet ter beschikking stond van Nedstars (c.q. niet beschikbaar was voor andere crediteuren dan [verweerster] ). Kortom, ook in hetgeen het subonderdeel hier aanvoert, zie ik geen grond om aan te nemen dat ’s hofs oordelen in rov. 14.9-14.14 omtrent de omvang van de liquide middelen per eind 2012 nadere motivering zouden behoeven om begrijpelijk te zijn.
nietweggedacht - in overeenstemming met de daarin gemaakte afspraken de kosten inderdaad niet ten laste van Nedstars zijn gebracht of gekomen (hetgeen dan ook niet is tegengesproken door [eiseres] ), met zich zou brengen dat in de hypothetische situatie deze kosten ook zouden zijn gedragen door de investeerders.
Het subonderdeel mist hier doel, want ziet voorbij aan het volgende.
subonderdeel 5.3.
eerste twee klachtenin het subonderdeel stranden in lijn met subonderdeel 5.2 onder a, behandeld onder 3.29.1 hiervoor. Kort en goed: anders dan in zoverre ten grondslag ligt aan het onderhavige subonderdeel, brengt het hof nergens in rov. 14.9 van het eindarrest tot uitdrukking ervan uit te gaan dat het eigen vermogen van Nedstars eind december 2012 ruim € 600.000,- bedroeg. Dit behoeft geen verdere toelichting.
slotklachtin het subonderdeel ziet eraan voorbij dat ’s hofs overwegingen in het derde tussenarrest waarop het beroep doet (rov. 9.8, vragen a en d), betrekking hebben niet op de vervolgvraag naar de schadeomvang (die voorligt in rov. 14.5-14.14 van het eindarrest), maar op de te onderscheiden voorvraag naar de onrechtmatigheid van het handelen van [eiseres] als (indirecte) bestuurders van Nedstars jegens [verweerster] (die voorligt in rov. 14.2-14.4 van het eindarrest). Waarbij bovendien zij opgemerkt dat het hof in rov. 14.4 (in lijn met rov. 12.5.2 van het vierde tussenarrest) duidelijk maakt dat en waarom het terugkomt van genoemde overwegingen in het derde tussenarrest, waaraan de grondslag komt te vervallen. Zie ook onder 3.10.2-3.10.5 hiervoor. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
subonderdeel 5.4.
grond (1)geldt vooreerst dat, waar het hof in rov. 14.14 van het eindarrest overweegt dat ervan moet worden uitgegaan dat de investeerders de kosten van de ict-herstructurering voor hun rekening hebben genomen en er in zoverre dus sprake is geweest van een kapitaalstorting, het hof voortbouwt op rov. 14.11. En dat ’s hofs overwegingen in die rov. 14.11 in cassatie zonder vrucht zijn bestreden. Zie in het bijzonder subonderdeel 5.2 onder c, behandeld onder 3.29.3 hiervoor.
Voorts verdient opmerking dat het hof in rov. (14.11 en) 14.14, redenerend vanuit het hypothetische scenario met de activa-passivatransacties per 27 december 2012 weggedacht, juist niet ervan uitgaat dat de Acknowledge-groep (de investeerders) bereid waren ‘zomaar’ kapitaal te storten in een ‘uitzichtloos’ Nedstars. Integendeel. Zie wederom onder 3.29.3 hiervoor. Aan hetgeen het hof daar overweegt, doet naar de aard niet af ’s hofs eerdere observatie in rov. 9.10.5 van het derde tussenarrest dat de enkele omstandigheid dat Nedstars door de aandelenovername op 17 december 2012 onderdeel is gaan uitmaken van de Acknowledge-groep nog niet meebrengt dat deze groep gehouden was Nedstars aanvullende financiering te verstrekken. Dit nog daargelaten dat het hof nuanceringen daarop aanbrengt in rov. 12.6.1 van het vierde tussenarrest.
Overigens lees ik in de hier in het subonderdeel genoemde vindplaatsen geen stellingname zijdens [eiseres] die betrekking heeft op de schadeomvang (gegeven haar onrechtmatige handelen als (indirecte) bestuurders van Nedstars jegens [verweerster] ) alsmede de hypothetische situatie in dat verband (waarin die transacties worden weggedacht), die in de weg zou kunnen staan aan de hier door het subonderdeel bestreden overwegingen van het hof.
Gezien dit een en ander doet de in het subonderdeel bedoelde onbegrijpelijkheid van ’s hof oordeel vanwege grond (1) zich niet voor.
grond (2)geldt dat het subonderdeel hier voortbouwt op subonderdelen 5.1-5.3, die falen. Zie onder 3.28-3.30.2 hiervoor. Het onderhavige subonderdeel deelt dan ook in dat lot.
Voor zover het subonderdeel los daarvan nog aanvoert dat niet valt in te zien waarom Nedstars (zonder meer) in staat zou zijn geweest de volledige huur tot 1 maart 2015 te betalen, geldt dat het dit op geen enkele wijze uitwerkt [71] en bovendien voorbijziet aan wat het hof overweegt in rov. 14.5-14.14. De verwijzing in noot 92 bij het subonderdeel naar enkele vindplaatsen in een gedingstuk zijdens [eiseres] doet daaraan niet af.
Gezien dit een en ander doet de in het subonderdeel bedoelde onbegrijpelijkheid van ’s hof oordeel vanwege grond (2) zich evenmin voor.
subonderdeel 5.5.