Conclusie
Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,
De Friesland Zorgverzekeraar N.V.,
de zorgverzekeraars. Verweerster wordt hierna verkort aangeduid als
de kliniek. [1]
1.Inleiding
restitutiepolis. [2] De zorgverzekeraars vinden de tarieven van de kliniek niet marktconform en weigeren op basis van hun vergoedingsbeleid het (in hun ogen) niet marktconforme gedeelte van het gefactureerde bedrag te vergoeden. In lijn met een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het hof dit onderdeel van het vergoedingsbeleid van de zorgverzekeraars in strijd geoordeeld met de Zorgverzekeringswet (Zvw) en het Besluit zorgverzekering (Bzv). De zorgverzekeraars zijn veroordeeld om de betrokken facturen alsnog volledig te betalen. Hiertegen komen de zorgverzekeraars in cassatie op, mijns inziens zonder succes.
2.Feiten
3.Procesverloop
het hof). Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van haar vorderingen, die zij heeft gewijzigd. In hoger beroep vordert de kliniek dat het hof:
voor recht verklaartdat [de zorgverzekeraars] aan verzekerden met een restitutiepolis die worden behandeld door [de kliniek] het marktconforme tarief moeten vergoeden, hetgeen concreet betekent dat het door [de kliniek] in rekening gebrachte tarief moet worden vergoed tenzij [de zorgverzekeraars] kunnen aantonen dat dit tarief niet redelijkerwijs passend is in de Nederlandse marktomstandigheden;
voor recht verklaartdat [de zorgverzekeraars], om aan te tonen dat een tarief niet redelijkerwijs passend is binnen de Nederlandse marktomstandigheden, de volgende uitgangspunten in acht moeten nemen:
voor recht verklaartdat het hoogste door [de zorgverzekeraars] gecontracteerde tarief voor een zorgprestatie in ieder geval nog passend is binnen de Nederlandse marktomstandigheden en dus moet worden vergoed aan verzekerden met een restitutiepolis;
[de zorgverzekeraars] veroordeelttot volledige betaling van de reeds ingediende declaraties volledig en aldus de openstaande factuurbedragen € [77.220,44] respectievelijk € [2.679,36] [6] te voldoen en, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis plaatsvindt, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
[de zorgverzekeraars] veroordeeltin de kosten van beide instanties.”
het arrest). [7] Ik vat de overwegingen die in cassatie nog van belang zijn, kort samen.
eerste stapziet op het vaststellen welke tarieven de overige zorgaanbieders voor eenzelfde behandeling (zorgvorm) in rekening brengen. Die tarieven vormen, indien zij onderling geen onredelijke verschillen vertonen, een bandbreedte van tarieven die in de Nederlandse markt voor een specifieke behandeling als marktconform kunnen worden beschouwd (rov. 5.10). [8] Als
tweede stapmoet worden beoordeeld of de hoogte van een ingediende declaratie onredelijk afwijkt van die bandbreedte. Dit vergt een individuele beoordeling van de ingediende declaratie (rov. 5.11). Het overweegt vervolgens waarnaar moet worden gekeken om te beoordelen welke tarieven in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend zijn (rov. 5.13-5.17).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1richt zich tegen de tweede stap van de door het hof geformuleerde tweestappentoets voor de beoordeling van de marktconformiteit van de vergoedingen.
Onderdeel 2bestrijdt het oordeel van het hof dat bij de vaststelling van marktconforme vergoedingen betekenis zou toekomen aan de tarieven die andere zorgverzekeraars vergoeden.
in verhouding tot de door overige zorgaanbieders voor gelijksoortige activiteiten berekende bedragen(cursivering toegevoegd door het College). Zoals hiervoor reeds overwogen, is het College van oordeel dat het enkele feit dat een nota behoort tot de 5% hoogste zorgnota’s niet automatisch betekent dat sprake is van een excessief hoge nota.
onderdeel 1.1oordeelt het hof ten onrechte dat voor het vaststellen van marktconforme tarieven een tweede stap nodig is waarbij de zorgverzekeraars een ‘individuele beoordeling’ van de declaraties moeten maken, en geen beleid mogen hanteren waarbij zij boven een bepaald bedrag iedere vergoeding uitsluiten. Volgens de zorgverzekeraars vergt de beoordeling of een voor vergoeding ingediende declaratie ‘in een individueel geval’ onredelijk hoog is geen individuele beoordeling van iedere ingediende declaratie. Een beoordeling ‘in een individueel geval’ aan de hand van een algemeen beleid met daarin een afkaptarief is toegestaan.
eerste rechtsklachthoudt voor onjuist de overweging dat zorgverzekeraars geen afkaptarief mogen hanteren. Na de bandbreedte van tarieven in kaart te hebben gebracht – de ‘eerste stap’ – mag de zorgverzekeraar bepalen welke prijs voor een bepaalde zorgvorm nog marktconform is en dat als afkaptarief hanteren. [22] Anders kan namelijk niet worden beoordeeld of een ingediende factuur excessief is ten opzichte van dat marktconforme tarief. [23] De
tweede rechtsklachtziet op de invulling van de ‘individuele beoordeling’. Volgens het middel heeft het hof miskend dat een individuele beoordeling niet een beoordeling aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval betekent (zoals de draagkracht of gezondheid van de verzekerde, of de omvang of expertise van de zorgaanbieder). Een individuele beoordeling behelst volgens het middel niet meer dan dat de zorgverzekeraar iedere individuele restitutienota moet toetsen aan het door haar per zorgvorm of op declaratieniveau bepaalde marktconforme tarief. [24]
eerste rechtsklacht. In rov. 5.10 heeft het hof geoordeeld dat de in het kader van de eerste stap in kaart gebrachte “
tarieven, indien zij onderling geen onredelijke verschillen vertonen, een bandbreedte van tarieven [vormen] die in de Nederlandse markt voor een specifieke behandeling als marktconform kunnen worden beschouwd.” Volgens de zorgverzekeraars staat het hen echter vrij om uit de binnen die bandbreedte vallende tarieven een tarief te kiezen dat zij marktconform achten. Die opvatting miskent mijns inziens dat naar het oordeel van het hof de in het kader van de eerste stap vastgestelde bandbreedte in zijn geheel marktconform moet worden geacht. Tegen die eerste stap richt het middel geen klacht, zodat die eerste stap in cassatie onbestreden is. In zoverre mist de eerste rechtsklacht belang.
marktconformtarief te vergoeden. De maximale vergoedingen voor door verzekerden met een restitutiepolis afgenomen zorg volgen dus de prijsontwikkelingen op de markt. [26] Als een afkaptarief geldt, blijven die prijsontwikkelingen grotendeels buiten beschouwing.
tweede rechtsklacht. Die berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist daarom feitelijke grondslag. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof namelijk niet geoordeeld dat een
individuele beoordelingeen beoordeling aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval betekent zoals bijvoorbeeld de draagkracht van de verzekerde. Het hof leidt rov. 5.11 als volgt in: “
[a]ls tweede stap moet worden beoordeeld of de hoogte van een ingediende declaratie onredelijk afwijkt van de hiervoor genoemde bandbreedte van tarieven voor eenzelfde behandeling. Dit vergt een individuele beoordeling van de ingediende declaratie.” Voorts bevestigt het hof aan het eind van rov. 5.11 dat de zorgverzekeraars bij niet marktconforme tarieven “
op individuele basis [moeten] aangeven waarom het individueel gedeclareerde tarief ten opzichte van de marktconforme bandbreedte excessief is”. Dit kan mijns inziens niet anders worden begrepen dan dat het hof met de ‘individuele beoordeling van de ingediende declaratie’ heeft bedoeld dat
per declaratiemoet worden beoordeeld of die in verhouding tot de door overige zorgaanbieders voor gelijksoortige activiteiten berekende bedragen onredelijk hoog is. [27] Indien het hof een beoordeling aan de hand van omstandigheden die aan de verzekerde of zorgaanbieder kleven voor ogen heeft gehad, zou een vergelijking met andere tarieven ook van beperkte relevantie zijn.
is, althans dat de zorgverzekeraars niet hebben aangetoond dat het
nietmarktconform is. Dat de kliniek, als het door haar gedeclareerde tarief marktconform moet worden geacht, mogelijk meer vergoed krijgt dan andere zorgaanbieders voor vergelijkbare zorgvormen is inherent aan de vergoedingssystematiek van art. 11 lid Pro 1, onder b, Zvw en art. 2.2 lid 2, onder b, Bzv. Bij behandelingen waarvoor geen (gemaximeerd) Wmg-tarief geldt, mag de zorgaanbieder immers zelf het tarief bepalen. Indien de kliniek meer vergoed krijgt dan een andere zorgaanbieder voor een bepaalde zorgvorm, dan is dat het gevolg van de keuzes van die zorgaanbieder voor het hanteren van bepaalde tarieven en niet een aanwijzing dat de vergoeding afhankelijk is gemaakt van individuele omstandigheden zoals de omvang of de expertise van de zorgaanbieder.
zorgverzekeraars vergoeden, maar slechts van welke tarieven andere
zorgaanbiedersvoor eenzelfde zorgvorm
in rekening brengen. Dit blijkt mede uit het feit dat de vaststelling van het marktconforme tarief door het opvragen van tarieven van andere zorgverzekeraars in strijd is met art. 6 lid 1 van Pro de Mededingingswet. Dat het hof dit obstakel in deze procedure niet relevant acht, neemt niet weg dat de zorgverzekeraars door het arrest geconfronteerd worden met een door de rechter voorgeschreven wijze van het vaststellen van marktconforme tarieven waaraan zij om mededingingsrechtelijke redenen niet kunnen voldoen.
zorgaanbiedersin rekening gebrachte tarieven. Het hof heeft in rov. 5.8 geoordeeld dat “(…)
alleen die kosten (mogen) worden vergoed die in verhouding tot het door de overige zorgaanbieders voor gelijksoortige activiteiten berekende bedrag – het door de zorgverzekeraars genoemde marktconforme tarief – niet onredelijk hoog zijn.” Ook in de eerste zin van rov. 5.10 bevestigt het hof dat de tarieven die overige zorgaanbieders voor eenzelfde behandeling in rekening brengen moeten worden vastgesteld. In rov. 5.13 e.v. gaat het hof nog uitdrukkelijk in op de vraag of gekeken moet worden naar de eigen gecontracteerde tarieven van zorgaanbieders of ook naar de tarieven van niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Het hof overweegt in rov. 5.18 voorts uitdrukkelijk dat de zorgverzekeraars niet gehouden zijn de gecontracteerde tarieven van hun concurrenten op te vragen, maar dat zij kunnen volstaan met een representatieve gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Anders dan het middel veronderstelt, is het hof er dus niet van uitgegaan dat het marktconforme tarief afhankelijk is van wat andere
zorgverzekeraars vergoeden.
nietheeft bepaald dat de zorgverzekeraars bij het vaststellen van de marktconforme vergoedingen de gecontracteerde tarieven van hun concurrenten moeten opvragen. De rechtbank oordeelde dat de zorgverzekeraars niet slechts hun eigen gecontracteerde tarieven in aanmerking moeten nemen, maar ook andere door (niet gecontracteerde) zorgaanbieders in rekening gebrachte tarieven, waarbij de zorgverzekeraars zich mogen beperken tot een representatieve groep zorgaanbieders.
het (…) Zilveren Kruis bekend is dat VGZ (waarmee Eisenhower geen contract heeft) ook het marktconforme tarief als maximum stelt bij vergoeding van restitutienota’s van niet-gecontracteerde zorgaanbieders.” Daaruit blijkt niet dat VGZ de declaraties van de kliniek als niet-marktconform heeft geweigerd te vergoeden. Zulks stellen de zorgverzekeraars wél uitdrukkelijk ten aanzien van zorgverzekeraar CZ, die in de bestreden rechtsoverweging evenwel niet wordt genoemd. Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de zorgverzekeraars niet gemotiveerd hebben weersproken dat VGZ en ONVZ de gedeclareerde kosten van de kliniek wél hebben vergoed.