Conclusie
Remu c.s.en individueel als
Remurespectievelijk
GCN. Verweerster in cassatie wordt aangeduid als
Eneco Beheer.
1.Inleiding en samenvatting
Won), [1] die ook bekend staat als ‘de Splitsingswet’. Deze wet verplicht geïntegreerde energiebedrijven [2] om het netbeheer en de commerciële activiteiten te splitsen. Eneco heeft zich in rechte hiertegen verzet. Na uiteindelijk door de rechter in het ongelijk te zijn gesteld, heeft Eneco haar verzet tegen de splitsing gestaakt. Eneco is op 31 januari 2017 gesplitst. Het energiebedrijf Eneco is in maart 2020 aan een derde verkocht en op die datum feitelijk geprivatiseerd.
2.Feiten
Eneco Holding).
de koopovereenkomst). Deze overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
de Term Sheet) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Bijlage 2.3.a
het groepsverbod). Om dit verbod na te leven moesten geïntegreerde bedrijven worden gesplitst.
3.Procesverloop
primair
het hof). Bij arrest van 8 december 2020 [16] heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe onder meer het volgende overwogen:
toevoeging A-G] 2010 tot privatisering van het commerciële bedrijf over te gaan (en ook bij gebreke daarvan een Privatiseringsvergoeding verschuldigd zou zijn) vindt derhalve noch in de bewoordingen van de overeenkomst noch in het verdere feitenmateriaal voldoende steun.”
4.Inleidende opmerkingen
de minister) vereist. [17] In 2001 waren hiervoor beleidsregels vastgesteld. [18] op grond waarvan de minister instemming kon verlenen met de overdracht van maximaal 49% van de aandelen in een regionale netbeheerder aan een private partij.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
toepassingheeft gegeven aan de
Haviltex-maatstaf en tot een
andereuitleg had moeten komen. Het debat in feitelijke aanleg ging over de
vervullingvan een voorwaarde in een overeenkomst met betrekking tot de koopprijs, zoals men vaak ziet in geschillen over
earn-outregelingen bij overnames of een regeling waarbij een tweede deel van de koopprijs verschuldigd wordt als de verkochte onderneming wordt doorverkocht. [47] Dergelijke discussies zijn sterk feitelijk, waardoor in cassatie het accent op motiveringsklachten zal liggen. Dat is in deze zaak niet anders.
Onderdeel 2is gericht tegen het oordeel (in rov. 3.5.3, responderend op stellingen van Remu c.s.) dat de Won niet tot privatisering verplichtte en het oordeel (in rov. 3.5.4-3.5.7) dat er ook overigens onvoldoende aanknopingspunten zijn om de koopovereenkomst aldus uit te leggen dat Eneco de privatiseringsvergoeding verschuldigd is.
Onderdeel 3keert zich tegen het oordeel dat de door Remu c.s. gestelde vergoedingsplicht van Eneco ook niet kan worden gebaseerd op de aanvullende werking (rov. 3.6.1) en evenmin op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (rov. 3.6.3-3.6.4).
onder a.een klacht tegen het oordeel (in rov. 3.5.6) dat de Won ‘geen afbreuk’ deed aan de mogelijkheid om recht te doen aan de intentie van partijen aangaande de privatiseringsvergoeding. Paragraaf 11 stelt volgens de bewoordingen daarvan niet meer of andere voorwaarden dan dat sprake moet zijn van toekomstige wetgeving die een situatie moet hebben gecreëerd waarin Bijlage 2.3.a niet voorziet. Uit de tekst volgt niet dat de onvoorziene situatie moet zijn gelegen in de toekomstige wetgeving zélf of dat invoering van die wetgeving ‘afbreuk’ moet doen aan de intentie van partijen. Vervolgens klaagt het subonderdeel
onder b.dat het hof paragraaf 11 ‘te beperkt uitgelegd en toegepast’ heeft, door (in rov. 3.5.6) uitsluitend in zijn oordeel te betrekken dat Eneco Beheer jegens Remu c.s. niet tot een privatisering
gehoudenwas. Het subonderdeel leidt dit af uit de woorden ‘Dit laatste is niet anders’ waarmee rov. 3.5.6 begint, welke woorden volgens Remu c.s. (uitsluitend) verwijzen naar de laatste zinsnede van rov. 3.5.5 (‘noch wettigt zulks de gevolgtrekking dat Eneco jegens Remu c.s. tot een dergelijke privatisering was gehouden’). In het verlengde daarvan klaagt het subonderdeel
onder c.dat het hof heeft miskend dat splitsing op grond van de Won onvermijdelijk gepaard zou zijn gegaan met privatisering van het energiebedrijf van Eneco ‘omdat tussen deze beide concepten een oorzakelijk verband bestond’. Tegen deze achtergrond zou voor de uitleg van paragraaf 11 van de Term Sheet niet beslissend zijn dat de Won geen
verplichtingtot privatisering inhield:
feitelijkzou de voorgeschreven splitsing tot een privatisering hebben geleid, aldus Remu c.s..
verplichttetot (het zich inspannen voor) privatisering (rov. 3.5.2), de Won evenmin een verplichting tot privatisering meebracht (rov. 3.5.3), privatisering niet op financieel-economische gronden noodzakelijk was (rov. 3.5.4) en Eneco de vrijheid had om alternatieven voor privatisering te onderzoeken (rov. 3.5.5), heeft het hof kunnen oordelen dat deze enkele vermindering van de
kansop privatisering geen onvoorziene omstandigheid in de zin van paragraaf 11 was (rov. 3.5.6-3.5.7).
rov. 3.5.7ten onrechte heeft geoordeeld dat Remu c.s. aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat zij aan de contractuele regeling redelijkerwijs de betekenis mochten toekennen dat als gevolg van de invoering van de Won op Eneco een verplichting kwam te rusten om uiterlijk 31 december 2010 tot privatisering van het commerciële bedrijf over te gaan. De stellingname van Remu c.s. was, zoals ook aangevoerd in onderdeel 1, dat een ‘redelijke uitleg’ van de koopovereenkomst en de Term Sheet meebrengt dat privatisering moet worden geacht te hebben plaatsgevonden op 1 juli 2009, althans vóór 31 december 2010, omdat (i) Eneco jarenlang de Won heeft geschonden, althans (ii) zich tegen deze wet en de splitsing heeft verzet en daarom heeft verhinderd dat de splitsing en de (volgens Remu c.s. financieel noodzakelijke) privatisering vóór de vervaldatum zouden plaatsvinden. In die omstandigheden is het onbillijk als Eneco aan nabetaling van de privatiseringsvergoeding zou ontkomen, zeker omdat haar verzet tegen de splitsing ongegrond is bevonden en zij het commerciële bedrijf uiteindelijk voor € 4,1 miljard heeft (door)verkocht. In het licht van deze stellingen van Eneco zou de door het hof bereikte slotsom in rov. 3.5.7 (en daarop voortbouwend rov. 3.9) onjuist en onbegrijpelijk zijn. Bovendien zou het hof in strijd met art. 24 Rv Pro buiten de aan de vorderingen ten grondslag gelegde feitelijke grondslag hebben beslist.
rov. 3.5.4). Het hof had van Eneco een nadere onderbouwing daarvan moeten eisen, nu de feiten en omstandigheden in haar domein liggen.
rov. 3.5.4mede ten grondslag heeft gelegd dat in de stellingen van Remu c.s. niet besloten ligt dat de splitsing noodzakelijkerwijs een (onverwijlde) extra investering van € 400 miljoen in het commerciële energiebedrijf zou vergen. Remu c.s. voegen daaraan toe dat zij niet hebben gesteld dat dit bedrag het gevolg zou zijn geweest van de splitsing, maar die noodzakelijke investering niettemin ‘een relevante omstandigheid is op grond waarvan splitsing onvermijdelijk althans zeer waarschijnlijk privatisering tot gevolg zou hebben gehad.’ Onbegrijpelijk is dat het hof deze omstandigheid buiten beschouwing heeft gelaten, aldus de klacht.
.’
entire agreement clausein art. 16) en de vervaldatum was het resultaat van onderhandelingen. Het oordeel in rov. 3.6.1 gaat niet uit van een onjuiste rechtsopvatting omtrent wat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen en is overigens sterk verwerven met een waardering van de feiten. Het oordeel is, gelet op de door het hof gegeven uitleg van de overeenkomst in rov. 3.5.1 tot en met 3.5.7, alleszins begrijpelijk.
onder b. en c.zijn eveneens voortbouwklachten, terwijl de klacht
onder d. zelfstandige betekenis mist.
subonderdelen 3.3-3.5richten zich tegen rov. 3.6.3 en 3.6.4 van het bestreden arrest, waar het hof het beroep van Remu c.s. op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid verwerpt. Deze overwegingen luiden als volgt:
toevoeging A-G] is niet gebleken. Dat Eneco zich door middel van gerechtelijke procedures met een beroep op Europees recht heeft verzet tegen de door de Won voorgeschreven splitsing is niet als laakbaar aan te merken laat staan als onrechtmatig in de verhouding tot Remu c.s. Ook het feit dat het, zoals reeds overwogen, mede gelet op het geldend wettelijk kader (met name Gemeentewet en Wet financiering decentrale overheden) voor de hand lag dat Eneco in navolging van Essent en Nuon haar commerciële bedrijf zou afstoten brengt niet mee dat het Eneco jegens Remu c.s. niet vrijstond om alle strategische opties te onderzoeken en mede als gevolg daarvan niet uiterlijk 31 december 2010 (of korte tijd nadien) tot privatisering over te gaan. Het hof laat daarbij in het midden of de privatisering uiterlijk 31 december 2010 mogelijk was geweest, hetgeen de rechtbank in de gegeven omstandigheden uitgesloten achtte en waarover partijen van mening verschillen, en voorts of in dat geval de drempel van 50% van de balanswaarde van de Eneco groep zou zijn behaald. Het betoog van Remu c.s. dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Eneco Beheer zich op de contractuele vervaltermijn beroept wordt derhalve verworpen.”
subonderdeel 3.3.
subonderdeel 3.4dat het hof heeft nagelaten alle voor zijn beslissing relevante omstandigheden in aanmerking te nemen. Het subonderdeel verwijst
onder a.opnieuw naar voornoemde stellingname van Remu c.s. en de daarop gebaseerde klachten van de onderdelen 1.1 en 1.2.
Onder b.wordt aangevoerd dat het verzet van Eneco tegen de Won en het bepaalde in paragraaf 11 van de Term Sheet relevante omstandigheden zijn, die het hof in zijn oordeel over de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid had moeten betrekken. Anders dan het hof in rov. 3.6.4 oordeelde, zou ‘niet relevant althans niet doorslaggevend’ zijn dat Eneco niet laakbaar of onrechtmatig handelde door zich te verzetten tegen het groepsverbod.