Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen voor het deel waarvoor verzoeker reeds is vrijgesproken waardoor requirant geen eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro heeft gehad”. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof de verdachte echter niet veroordeeld voor het deel van de tenlastelegging waarvoor de verdachte door de rechtbank was vrijgesproken (eerste gedachtestreepje), maar voor het deel van de tenlastelegging waarvoor de rechtbank de dagvaarding nietig heeft verklaard (tweede gedachtestreepje).
De rechtbank verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 1 onder het tweede gedachtestreepje nietig 3. Toch komt het hof voor dit tweede gedachtestreepje tot een bewezenverklaring. Hoe men alsnog tot deze bewezenverklaring is gekomen, is niet helder. Dit wordt niet nader toegelicht”.Vervolgens wordt in de schriftuur gesteld dat
“(…) het hof (…) in haar arrest [diende op te nemen] aan de hand van welke wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden men tot haar oordeel is gekomen. Zij volgt immers in dit geval niet het oordeel van de rechtbank op”. Blijkens de toelichting komt de onderbouwing van het middel er in de kern slechts neer op dat het hof niet nader heeft toegelicht hoe het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1, tweede gedachtestreepje, tenlastegelegde is gekomen, zonder dat de steller van het middel precies aangeeft waarom de beslissing van het hof onjuist is.