AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging wegens onjuiste toepassing vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens seksueel binnendringen bij minderjarigen en kreeg een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met daaraan verbonden vervangende hechtenis. In cassatie werd geklaagd over de niet-naleving van art. 322 lid 3 SvPro, omdat het onderzoek bij gewijzigde samenstelling van het hof zonder instemming van partijen werd hervat in plaats van opnieuw aangevangen.
De Hoge Raad oordeelde dat het onderzoek op 8 april 2021 daadwerkelijk opnieuw was aangevangen, ondanks dat het proces-verbaal dit niet expliciet vermeldde, en dat de verdachte voldoende gelegenheid had gehad om zijn bezwaren te uiten. Daarom faalde het eerste middel.
Het tweede middel klaagde terecht over de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. Gelet op eerdere jurisprudentie is vervangende hechtenis niet toegestaan en kan gijzeling van gelijke duur worden toegepast. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest uitsluitend voor zover vervangende hechtenis werd toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd voor toepassing vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel, voor het overige verworpen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01956 M
Zitting31 januari 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 22 april 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” en 2. “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Ook heeft het hof een harde schijf onttrokken aan het verkeer en heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het bestreden arrest is vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.Het eerste middel
3.1
Het middel klaagt dat het hof, hoewel gewijzigd van samenstelling, op de zitting van 8 april 2021 het onderzoek ter terechtzitting heeft hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing bij tussenarrest van 7 oktober 2020, zonder dat blijkt van een hernieuwde aanvang van het onderzoek ter terechtzitting of instemming van de advocaat-generaal en de verdediging om daarvan af te zien.
3.2
De aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding houden, voor zover van belang, het volgende in:
- Op 24 september 2020 heeft er een regiezitting plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat als raadsheren tegenwoordig zijn mrs. Koning (voorzitter), Weerkamp en De Haan. Ook houdt dit proces-verbaal in dat de verdachte en zijn raadsman, mr. Bouwman, zijn verschenen. De zaak is door de advocaat-generaal voorgedragen, de verdachte is in de gelegenheid gesteld mondeling bezwaren tegen het vonnis op te geven, de raadsman heeft zijn onderzoekswensen toegelicht (met ook een korte toelichting van de verdachte wat betreft de Whatsapp-geschiedenis tussen hem en de aangeefster) en het proces-verbaal sluit af met de mededeling van de voorzitter dat de uitspraak op 7 oktober 2020 plaats zal vinden;
- Op 7 oktober 2020 heeft het hof, in eerdergenoemde samenstelling, een tussenarrest gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzitting van 24 september 2020, waarbij alle verzoeken van de verdediging door het hof zijn afgewezen. Het onderzoek is vervolgens heropent en geschorst voor onbepaalde tijd onder bepaling dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting;
- Op 8 april 2021 is de zaak inhoudelijk behandeld. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat als raadsheren tegenwoordig zijn mrs. Koning (voorzitter), Van Maanen en Schoonderwoerd en ook dat de verdachte en zijn raadsman, mr. Bouwman, zijn verschenen. Blijkens dit proces-verbaal is de zaak door de advocaat-generaal bij het hof voorgedragen en is de verdachte onmiddellijk na deze voordracht in de gelegenheid gesteld mondeling bezwaren tegen het vonnis op te geven. Vervolgens heeft het hof de korte inhoud van de stukken medegedeeld, is de verdachte gehoord, hebben de advocaat-generaal en de raadsman gerekwireerd resp. gepleit en heeft de verdachte het laatste woord gekregen. De voorzitter heeft het onderzoek daarop gesloten en medegedeeld dat uitspraak wordt gedaan op 22 april 2021;
- Op 22 april 2021 heeft het hof, in de samenstelling van mrs. Koning, Van Maanen en Schoonderwoerd, arrest gewezen naar aanleiding van het onderzoek van 24 september 2020 (onder vermelding dat het hof op 7 oktober 2020 een tussenarrest heeft gewezen) en 8 april 2021 en, overeenkomstig art. 422 SvPro, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
3.3
Artikel 322 houdtPro, voor zover van belang, het volgende in:
“1. Onverminderd het bepaalde in artikel 280, tweede en derde lid, wordt in alle gevallen waarin de schorsing van het onderzoek is bevolen, het onderzoek in de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip der schorsing bevond. 2. De rechtbank is ook bij toepassing van het eerste lid bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen. 3. De rechtbank beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.”
3.4
Art. 322, derde lid, Sv bepaalt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank (en ingevolge art. 415 SvPro: het hof) bij hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond. In cassatie wordt aan een schriftuur waarin wordt geklaagd over de niet-naleving van art. 322, derde lid, Sv de eis gesteld dat wordt aangegeven in welk in rechte te respecteren belang de verdachte door de niet-naleving is getroffen. [1]
3.5
In de toelichting op het middel wordt als belang opgevoerd dat de verdachte op de regiezitting van 24 september 2020 naar aanleiding waarvan het tussenarrest van 7 oktober 2020 is gewezen inhoudelijk heeft verklaard over de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht. Volgens de steller van het middel bestaat er ernstige twijfel of de rechters in de samenstelling van 8 april 2021 wel op de hoogte waren van deze eerdere verklaring, te meer nu de zaak opnieuw is uitgeroepen. Dat het bestreden arrest wel is gewezen naar aanleiding van de zitting van 24 september 2020 zou die zorg niet wegnemen. Ook wordt betoogd dat de verdachte geen toestemming zou hebben gegeven als hij had geweten dat de gewijzigde samenstelling zijn verklaring niet zelf zou hebben gehoord, terwijl hij daarnaast verder zou zijn ingegaan op hetgeen op de vorige zitting door hem is verklaard. Door de niet-naleving van art. 322, derde lid, Sv hebben twee van de drie rechters - buiten weten van verdachte om - niet uit de mond van de verdachte zelf zijn verhaal kunnen horen, voor zover deze verklaring al zou zijn meegenomen.
3.6
De vraag die voorligt is of het onderzoek in de zaak tegen de verdachte op 8 april 2021 is hervat of opnieuw is aangevangen. Het proces-verbaal van genoemde zitting houdt niet in dat de officier van justitie en de verdachte is gevraagd in te stemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond, noch dat die instemming is verkregen. Genoemd proces-verbaal van de terechtzitting houdt wel in dat de advocaat-generaal de zaak heeft voorgedragen en dat de verdachte onmiddellijk na deze voordracht (opnieuw) in de gelegenheid is gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Uit het voorgaande volgt mijns inziens in voldoende mate dat het onderzoek ter terechtzitting op 8 april 2021 - op welke zitting de samenstelling van het hof was gewijzigd - opnieuw door het hof is aangevangen. Dat het hof in het bestreden arrest ook melding maakt van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2020 en het naar aanleiding van die zitting gewezen tussenarrest van 7 oktober 2020, doet hier niet aan af. Dat betreft een kennelijke misslag, die verbeterd kan worden gelezen.
3.7
De omstandigheid dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 april 2021 niet met zoveel woorden inhoudt dat het onderzoek op de terechtzitting hernieuwd is aangevangen hoeft bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. [2] De verdachte heeft op de terechtzitting van 8 april 2021 immers opnieuw de mogelijkheid gekregen om mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven (van welke mogelijkheid hij ook gebruik heeft gemaakt), terwijl de door hem op de regiezitting van 24 september 2020 afgelegde verklaring naar de kern genomen uitsluitend verband hield met de onderzoekswens van de verdediging ten aanzien van de Whatsapp-gesprekken.
3.8
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 ROPro ontleende motivering.
4.Het tweede middel
4.1
Het middel klaagt over de vervangende hechtenis die in het door het hof bevestigde vonnis aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel is verbonden.
4.2
Het middel is terecht voorgesteld. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 kan de Hoge Raad met toepassing van art. 6:4:20 SvPro bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 SvPro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.