ECLI:NL:PHR:2023:1140

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
23/01632
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep klaagster tegen beslagbeschikking in fraudezaak voedselketen

In deze zaak heeft de rechtbank Oost-Brabant de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv Pro in verbinding met artikel 552a Sv tegen een beschikking van de rechter-commissaris. De beschikking betrof beslaglegging op fysieke dossiers en een back-up van het ICT-systeem in het kader van een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen.

De klaagster, die geen verschoningsgerechtigde is, stelde cassatieberoep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat de klaagster geen rechtsmiddel heeft tegen de beschikking van de rechter-commissaris. Deze conclusie sluit aan bij eerdere conclusies in samenhangende zaken met vergelijkbare omstandigheden.

De Hoge Raad zal de klaagster daarom niet-ontvankelijk verklaren in het cassatieberoep. De zaak betreft een procedurele beoordeling van ontvankelijkheid en rechtsmiddelen tegen beslagbeschikkingen in strafzaken die samenhangen met een onderzoek naar fraude in de voedselketen.

De conclusie is van 19 december 2023 en is onderdeel van een reeks samenhangende zaken die gelijktijdig worden behandeld. De inhoud van de klaagschriften, processen-verbaal en beschikkingen is vrijwel identiek in deze zaken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de klaagster niet-ontvankelijk.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01632 Bv
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 7 maart 2023 de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv Pro, in verbinding met art. 552a Sv, tegen de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 98 Sv Pro van 30 augustus 2022.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01615, 23/01617, 23/01618, 23/01619, 23/01620, 23/01621, 23/01622, 23/01625, 23/01626, 23/01627, 23/01628, 23/01633, 23/01634, 23/01635, 23/01636, 23/01639, 23/01640, 23/01641, 23/01642, 23/01643 en 23/01644. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beklag.

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Het cassatieberoep is naar mijn oordeel niet-ontvankelijk. De redenen daarvoor heb ik opgegeven in mijn conclusie in de zaak van de medeklager [medeklager], onder nummer 23/01617. [1]

3.Conclusie

3.1
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het middel dat strekt tot cassatie van de bestreden beschikkingen in deze twee samenhangende zaken is afkomstig van dezelfde cassatieadvocaat en is gelijkluidend. Daarnaast is de inhoud van de klaagschriften, de processen-verbaal van de gelijktijdige behandeling daarvan in raadkamer van 2 april 2021 en 7 februari 2023 en de bestreden beschikkingen van de rechter-commissaris en de rechtbank van 30 augustus 2022 en 7 maart 2023 (nagenoeg) identiek.