ECLI:NL:PHR:2023:1151

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
23/01618
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring en verwerping cassatieberoep inzake beslag op bedrijfsdossiers bij verdenking fraude voedselketen

In deze zaak is cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv ongegrond heeft verklaard. Het klaagschrift strekte tot opheffing van beslag en teruggave van inbeslaggenomen fysieke dossiers en back-ups van ICT-systemen, in verband met verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen.

De behandeling van het klaagschrift vond plaats in de meervoudige economische raadkamer, waarbij de zitting op 7 februari 2023 openbaar was. De rechtbank heeft op 7 maart 2023 de beschikking uitgesproken. De Procureur-Generaal concludeert dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het klachten betreft over het verschoningsrecht, en het beroep voor het overige moet worden verworpen.

De conclusie is gebaseerd op een inhoudelijke beoordeling van de middelen van cassatie, waarvan het eerste middel faalt en het tweede middel onbesproken blijft. Er zijn geen ambtshalve gronden gevonden om de bestreden uitspraak te vernietigen. De zaak maakt deel uit van een samenhangende reeks van vergelijkbare zaken waarin gelijktijdig conclusies zijn genomen.

De procedure kenmerkt zich door nauwkeurige procesgang, waaronder de openbare behandeling in de raadkamer en het tijdig instellen van het cassatieberoep. De inhoud van de klaagschriften en beschikkingen is vrijwel identiek in de samenhangende zaken, wat wijst op een uniforme behandeling van de klachten over beslaglegging in deze fraudeonderzoeken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor klachten over het verschoningsrecht en voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01618 Bv
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 7 maart 2023 [1] het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de inbeslaggenomen stukken respectievelijk vernietiging van en verbod op het gebruik van de vastgelegde gegevens, ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01615, 23/01617, 23/01619, 23/01620, 23/01621, 23/01622, 23/01625, 23/01626, 23/01627, 23/01628, 23/01632, 23/01633, 23/01634, 23/01635, 23/01636, 23/01639, 23/01640, 23/01641, 23/01642, 23/01643 en 23/01644. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Th.J. Kelder, advocaat te De Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.De middelen

2.1
Het eerste middel faalt. De klager dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft. De redenen daarvoor heb ik opgegeven in mijn conclusie in de zaak tegen de medeklager [klager 1] , onder nummer 23/01615. [2]

3.Conclusie

3.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel dient onbesproken te blijven.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bovenaan de bestreden beschikking wordt de datum van 7 februari 2023 genoemd. Onderaan de beschikking staat echter vermeld dat deze op 7 maart 2023 in het openbaar is uitgesproken. Verder houdt de beschikking onder meer in dat de behandeling van het klaagschrift op 2 april 2021 door de meervoudige economische raadkamer is aangehouden en op 7 februari 2023 is voortgezet. In het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van 7 februari 2023 is voorts gerelateerd dat het klaagschrift op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting is behandeld en dat de beschikking op 28 februari 2023 ter openbare terechtzitting zal worden uitgesproken. De “Akte instellen cassatie” houdt – kort gezegd – in dat op 21 maart 2023 namens de klager cassatieberoep wordt ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 maart 2023. Het bovenstaande maakt dat ik ervan uitga dat de vermelding van de datum van 7 februari 2023 bovenaan de beschikking en datum van 28 februari 2023 in bovengenoemd proces-verbaal berust op een kennelijke verschrijving en ik de beschikking aldus versta dat deze dateert van 7 maart 2023 en bovengenoemd proces-verbaal van 7 februari 2023.
2.De middelen die strekken tot cassatie van de bestreden beschikkingen in deze twee samenhangende zaken zijn afkomstig van dezelfde cassatieadvocaat en zijn gelijkluidend. Daarnaast is de inhoud van de klaagschriften, de processen-verbaal van de gelijktijdige behandeling daarvan in raadkamer van 2 april 2021 en 7 februari 2023 en de bestreden beschikkingen van de rechter-commissaris en de rechtbank van 30 augustus 2022 en 7 maart 2023 (nagenoeg) identiek.