ECLI:NL:PHR:2023:1159
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de motiveringsvereisten bij aanstonds uitgesproken arrest in strafzaak over rijontzegging
In deze zaak ging het om een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte was veroordeeld tot een voorwaardelijke rijontzegging van tien maanden met een proeftijd van twee jaar wegens overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
De klacht richtte zich op het feit dat het hof in het verkorte arrest verwees naar de strafmotivering in het proces-verbaal van de terechtzitting, in plaats van deze motivering in het arrest zelf op te nemen. Dit zou niet voldoen aan de eisen van artikel 359 Sv Pro, waarin is bepaald dat het vonnis met redenen moet worden omkleed.
De conclusie van de procureur-generaal ging uitgebreid in op de wettelijke bepalingen omtrent aanstonds uitspraak doen (artikel 345 Sv Pro) en de eisen aan het schriftelijke vonnis of arrest. Hoewel het hof mocht afwijken van het uitgangspunt dat het vonnis vóór uitspraak op schrift moet zijn gesteld, moet het schriftelijke vonnis dat volgt op aanstonds uitspraak wel voldoen aan de motiveringsvereisten. Verwijzen naar het proces-verbaal is niet toegestaan.
Desondanks werd geconcludeerd dat het motiveringsgebrek niet tot cassatie hoeft te leiden omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging, aangezien de motivering wel in het proces-verbaal is opgenomen en de zaak inhoudelijk niet anders zou worden beoordeeld bij hernieuwde behandeling.
De conclusie strekte tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks een motiveringsgebrek in het arrest.