Conclusie
Nummer22/02673
middelbevat een aantal deelklachten, die (kort gezegd) op het ontbreken van een klacht, de bewijsvoering en de kwalificatiebeslissing betrekking hebben. Voorafgaand aan de bespreking van deze klachten geef ik delen van het bestreden arrest, de aanvulling, de appelschriftuur en de pleitnota weer.
Arrest, aanvulling, appelschriftuur en pleitnota
‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
Overweging met betrekking tot het bewijs
Bewezenverklaring
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens de gemeente Zwolle, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , inspecteurs van politie en werkzaam bij de Rijksrecherche, gesloten en ondertekend op 25 april 2019, (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“De uitslag van het cruciale onderzoek is nu bekend. RTV Oost heeft het vertrouwelijke rapport ingezien. Voornaamste conclusie van het Bibob-rapport is dat [verdachte] bedrijven − behalve het café ook zijn beveiligingsbedrijf − niet in verband kunnen worden gebracht met strafbare feiten. Toch weigert de gemeente Zwolle om de voor [verdachte] onmisbare drank- en horecavergunning af te geven. De gemeente wil vanwege de privacy niet reageren op de inhoud van het Bibob-onderzoek. De Bibob-onderzoekers wijzen de gemeente wel op de contacten van [verdachte] . Het gaat hierbij om twee van zijn medewerkers en een investeerder die in het verleden zijn veroordeeld.”
Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3], opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , inspecteurs van politie en werkzaam bij de Rijksrecherche, gesloten en ondertekend op 7 juni 2019, (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een geschrift, te weten de uitwerking van een telefoongesprek van 26 maart 2019 te 14:40:39 uur, (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een geschrift, te weten de uitwerking van een telefoongesprek van 27 maart 2019 te 21:49:50 uur, (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een geschrift, te weten de uitwerking van een telefoongesprek van 28 maart 2019 te 10:34:34 uur,(…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een geschrift, te weten de uitwerking van een telefoongesprek van 28 maart 2019 te 12:06:18 uur, (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een geschrift, te weten de uitwerking van een telefoongesprek van 28 maart 2019 te 18:13:46 uur, (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een geschrift, te weten de uitwerking van een telefoongesprek van 29 maart 2019 te 23:33:28 uur, (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 1], opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , inspecteurs van politie en werkzaam bij de Rijksrecherche, gesloten en ondertekend op 20 juni 2019, (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Grief I: de rechtbank heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van een klacht − zoals bepaald in artikel 272, tweede lid, Sr − verworpen door een onjuiste maatstaf te hanteren, dan wel is de verwerping ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd
derdenniet mogen delen. Zulks terwijl het bestuur
geenenkele informatie mag delen. Het voorgaande is een bevestiging van hetgeen is bepaald in de jurisprudentie, voor het bestuur gelden aldus strengere maatstaven dan bij individuen. De rechtvaardiging is dat aan personen in een bepaalde hoedanigheid strengere eisen mogen worden gesteld, de zogenaamde kwaliteitsdelicten.
geenonderdeel uit van het proces-dossier. Hierdoor is het niet mogelijk voor uw rechtbank om vast te stellen dat er informatie is gelekt en derhalve de geheimhoudingsbepaling ex artikel 272 WvSr Pro is geschonden. Het wettige en overtuigende bewijs ontbreekt hiertoe.
‘Nee, maar dat mag...dat mag helemaal niet, dat is effe...dat is grijs gebied’.
voorafgaandaan het gesprek met de journalist [verdachte] moet hebben geweten dat zijn vader de conclusie uit het LBB rapport zou tonen aan de journalist en daardoor de geheimhoudingsbepaling ex artikel 272 Sr Pro zou schenden.
Conclusie:
naar buitenzijn '
gelekt'.
Conclusie:
Bespreking van het middel
eerstedeelklacht betreft ’s hofs overweging inhoudend dat de geheimhoudingsplicht van art. 28 Wet Pro bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (verder: Wet Bibob) ‘een breder belang (dient) dan alleen de bescherming van derden’. Uit die overweging zou volgen ‘dat het hof klaarblijkelijk van oordeel is dat
iederin een rapport opgenomen gegeven ook indien het geen gegevens van een derde betreft’ onder art. 28, eerste lid, Wet Bibob jo. art. 272 Sr Pro valt. Dat oordeel zou van een onjuiste rechtsopvatting getuigen.
Kamerstukken II1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 28-29.)
Kamerstukken II1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 75-76.)
tweededeelklacht houdt in dat uit hetgeen bewezen is verklaard en in de bewijsmiddelen is vastgesteld, te weten dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander één of meerdere delen van het BIBOB-advies van het Landelijk Bureau Bibob, ter beschikking heeft gesteld aan een ander niet (zonder meer) kan volgen dat verdachte een geheim, te weten gegevens met betrekking tot een derde, heeft geschonden. De bewezenverklaring en/of de kwalificatiebeslissing zouden derhalve onvoldoende met redenen zijn omkleed.
derdedeelklacht houdt in dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende met redenen heeft omkleed doordat het hof een verklaring van de raadsman van de verdachte voor het bewijs heeft gebruikt. De stellers van het middel doelen daarbij op de voor het bewijs gebezigde verklaring van getuige [betrokkene 6] , voor zover deze inhoudt: ‘ [verdachte] en zijn raadsman Perquin bevestigden dat ze wisten dat er geheimhouding op zat, dat herinner ik me van het gesprek van 8 februari 2019’ (bewijsmiddel 2).
vierdedeelklacht houdt in dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat het bewezenverklaarde feit in Zwolle is gepleegd.
vijfdedeelklacht houdt in dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is nu bewezen is verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander, met wie volgens de bewijsmiddelen [betrokkene 1] zou zijn bedoeld, een geheim waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten opzettelijk heeft geschonden door dit geheim ter beschikking te stellen aan medeverdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Volgens de stellers van het middel is niet in te zien op welke wijze [betrokkene 1] het door de verdachte gepleegde feit heeft medegepleegd door tezamen en in vereniging met verdachte gegevens aan zichzelf ter beschikking te stellen.