ECLI:NL:PHR:2023:164

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2023
Publicatiedatum
8 februari 2023
Zaaknummer
21/01795
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 27 SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie gericht op overtreding van de Opiumwet. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. Volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de verdachte verplicht om binnen twee maanden na betekening van de aanzegging zijn middelen van cassatie schriftelijk in te dienen bij de Hoge Raad.

De aanzegging is op 22 september 2021 betekend aan het adres dat in de volmacht is vermeld, hoewel van verdachte geen adres in Nederland bekend is. Ondanks dat de verzending aan dit adres aan de wettelijke eisen voldeed, zijn de middelen van cassatie niet binnen de gestelde termijn ingediend. Hierdoor is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt ertoe de niet-ontvankelijkheid van het beroep te verklaren. Er bestaat samenhang met meerdere andere zaken waarin gelijktijdig conclusies zijn genomen. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01795
Zitting7 februari 2023

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 16 april 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, en 10a, eerste lid van de Opiumwet’ veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01721, 21/01722, 21/01747, 21/01874, 21/01878 en 21/01895. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 22 september 2021 betekend. De gerechtelijke brief is op die dag uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en als gewone brief verzonden naar het adres [a-straat 1] , [plaats] . In de schriftelijke volmacht bij de akte cassatie is dit als het adres van verdachte vermeld. Uit de informatiestaat SKDB-persoon van verdachte blijkt dat van de verdachte geen adres in Nederland bekend is. Als adres is ook in de SKDB-staat vermeld: [a-straat 1] , [plaats] . Met de verzending aan dat adres is voldaan aan de eis van art. 36e, derde lid, Sv. [1]
4. Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. ook art. 5, tweede lid, onder c, Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie,