Conclusie
Nummer22/02029
Inleiding
Het eerste middel
Het tweede middel
Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens belaging, waarbij hij gedurende een lange periode stelselmatig contact zocht met het slachtoffer, ondanks een verbod. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en een vrijheidsbeperkende maatregel op met een duur van vijf jaar, inclusief een vervangende hechtenis bij overtreding, en verklaarde deze maatregel dadelijk uitvoerbaar.
De verdachte stelde in cassatie dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd omdat verklaringen van hemzelf zouden conflicteren met de bewezenverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat de verklaringen van de verdachte, waarin hij contact bagatelliseerde, niet strijdig waren met de bewezenverklaring dat sprake was van stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.
Daarnaast werd aangevoerd dat de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel onvoldoende was gemotiveerd, omdat het hof niet expliciet had overwogen dat er ernstig rekening moest worden gehouden met recidive. De Hoge Raad stelde dat uit de motivering van het hof wel degelijk blijkt dat het hof ernstig rekening houdt met herhaling en dat de maatregel daarom voldoende gemotiveerd is.
De conclusie van de procureur-generaal is dat beide middelen falen en het cassatieberoep moet worden verworpen. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van het arrest. De Hoge Raad bevestigt hiermee het oordeel van het hof en de opgelegde sancties.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling en de dadelijk uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel.