Conclusie
Nummer21/02784
Het cassatieberoep
Het eerste en het tweede middel
Het bestreden oordeel over de rechtmatigheidsverweren
Verweren ex artikel 359a Sv
de woning van de verdachte aan de [a-straat 1] in [plaats] . Weliswaar heeft de rechter-commissaris bij de door gegeven schriftelijke machtiging verzuimd het hokje aan te kruisen bij de opmerking dat de woning mag worden betreden, maar gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat dit een kennelijke omissie betreft en dat het duidelijk was dat de rechter-commissaris heeft beoogd die toestemming te verlenen. In zoverre ontbeert het verweer feitelijke grondslag. Ten overvloede merkt het hof in dit verband op dat de rechter-commissaris bij aanvullend proces-verbaal van 19 februari 2016 heeft bevestigd dat het betreffende hokje per ongeluk niet is aangekruist en dat het de bedoeling is geweest toestemming te verlenen voor het betreden van de woning van de verdachte teneinde daarin de OVC-apparatuur te plaatsen.
De toelichting op het eerste middel
de rechter-commissaris enkele maanden later – geconfronteerd met de ontoereikende inhoud van haar machtiging, met het feit dat de bevoegdheid desalniettemin al maandenlang werd toegepast en met het gegeven dat het welslagen van het onderzoek inmiddels afhing van de mogelijkheid de resultaten van de OVC te gebruiken – een proces-verbaal opstelde waarin zij aangaf dat het de bedoeling was geweest om toestemming te geven voor het betreden van een woning.” Ook met het enkele plaatsen van een kruisje in een hokje wordt volgens de steller van het middel overigens niet zonder meer voldaan aan het strikte stelsel van waarborgen waarmee het afgeven van een machtiging voor de uitvoering van een dergelijk bevel door de wetgever is omgeven.
equality of armsis indien een onafhankelijke rechter in een afgegeven machtiging, waarvoor in de wet een uitdrukkelijke meldingsplicht is bepaald, zou mogen volstaan met een inhoudsloze verwijzing naar een vordering van het OM terwijl de burger waartegen een dergelijke ingrijpende bevoegdheid wordt ingezet aan strengere eisen wordt onderworpen om het recht te constitueren een inhoudelijk antwoord van de rechter te krijgen.
De toelichting op het tweede middel
zonder meer” af te leiden dat door middel van de geplaatste camera – en dus permanent gedurende een periode van vijf maanden – mede opnamen zijn gemaakt van hetgeen zich binnen de woning van de verdachte heeft afgespeeld. Daaraan doet niet (zonder meer) af hetgeen het hof heeft vastgesteld met verwijzing naar het dossier, onder andere omdat het hof niet heeft gereageerd op de zes door de verdediging benoemde 'niet uitputtende voorbeelden' van hetgeen met behulp van de camera in de woning is waargenomen. Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een vormverzuim is daarom niet zonder meer begrijpelijk, aldus de steller van het middel.
De beoordeling van het eerste middel
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdelen b, c en d, vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel.
bevelvan de officier van justitie het misdrijf vermeldt waarop de verdenking betrekking heeft. Dat het specifieke misdrijf ook expliciet in de
machtigingvan de rechter-commissaris wordt vermeld, betreft een eis die de wet niet kent. Artikel 126 lid 4 tweede Pro volzin Sv bepaalt weliswaar dat de machtiging alle onderdelen van het bevel “
betreft”, maar schrijft niet expliciet voor dat de machtiging alle gegevens die staan opgesomd in lid 3 moet vermelden. Ik versta de betreffende tweede volzin van lid 4 dan ook zo dat deze niet méér inhoudt dan dat de machtiging op alle onderdelen van het bevel betrekking moet hebben. Contrair hieraan stipuleert de derde volzin van lid 4 (indien van toepassing) hetgeen wél uitdrukkelijk in de machtiging moet worden vermeld, namelijk dat “
ter uitvoering van het bevel een woning mag worden betreden”. Met andere woorden: de tweede volzin van lid 4 schrijft voor dat voldoende duidelijk is dat de machtiging is verleend voor alle onderdelen van het bevel. Een algemene formulering is daarom niet uitgesloten en ook veelvuldig de praktijk. [8]
Het vierde lid bepaalt dat de machtiging dezelfde gegevens dient te vermelden als het bevel.” [9] Uit de overige (ook door de steller van het middel geciteerde) parlementaire stukken blijkt namelijk dat hetgeen de rechter-commissaris in de machtiging zelf uitdrukkelijk onder woorden moet brengen de vraag betreft of is voldaan aan de (zwaardere) vereisten voor inzet
in een woning, zijnde het tweede aspect van de hiervoor genoemde ‘dubbele noodzakelijkheidstoets’. [10] De steller van het middel lijkt echter uit te gaan van een onjuiste lezing, die inhoudt dat ook het eerste aspect van de dubbele noodzakelijkheidstoets expliciet in de machtiging dient te worden opgenomen. Aan de hierboven geciteerde zinsnede uit de memorie van toelichting hoeft daarom naar mijn inzicht niet al te veel waarde worden gehecht. Hoewel het wel de voorkeur zou verdienen deze gegevens op te nemen in de machtiging, schrijft de wet het in elk geval niet met zoveel woorden voor.
de machtiging betreft alle onderdelen van het bevel” wordt geen geweld aangedaan zolang de machtiging zeker stelt dat de verschillende onderdelen van het bevel van de officier van justitie erdoor worden gedekt.
onherstelbaarvormverzuim getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd.
De beoordeling van het tweede middel
1. In geval van verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarneemt.
inde woning te plaatsen. [11] Het verbod ziet dan ook (met name) daarop. In de voorliggende zaak gaat het echter om het plaatsen van camera
buitende woning, gericht op de woning. Dat is volgens de memorie van toelichting onder de bevoegdheid in artikel 126g Sv niet uitgesloten:
Observatie van buiten een woning in een woning is niet uitgesloten, voor zover het gaat om waarnemingen die zonder technische manoeuvres kunnen plaatsvinden: hetgeen normaal gesproken van buiten af zichtbaar is, mag worden waargenomen. Wordt een camera geplaatst, zodanig dat permanent kan worden waargenomen wat zich in een woning afspeelt, dan moet dit worden beschouwd als even ingrijpend als het betreden van een woning; dat is niet toegestaan.” [12]
ineen woning afspeelt. Dit volgt bijvoorbeeld ook uit de nota naar aanleiding van het verslag. Ik citeer:
Ook in mijn, in de memorie van toelichting uiteengezette standpunt, is de technische registratie van gedragingen in een woning niet absoluut uitgesloten. Foto’s mogen in beginsel gemaakt worden, zelfs een camera-registratie is onder omstandigheden mogelijk. Vereist is dan wel dat de officier van justitie zulks in zijn bevel heeft bepaald (vgl. het voorgestelde artikel 126g lid 3 Sv). Uitgesloten is in de memorie van toelichting slechts de permanente camera-registratie, omdat deze als even ingrijpend als het binnentreden in de woning moet worden beschouwd. Het is derhalve heel wel denkbaar dat de door de leden van de PvdA-fractie ten tonele gevoerde rechercheur met een camera in de bosjes plaatsneemt, en alle voor strafvorderlijke beslissingen relevante gedragingen daarop vastlegt. Niet toegestaan is dat een «onbemande» camera alle gedragingen die zich in het desbetreffende huis afspelen van a tot z vastlegt. Naar mijn mening is een dermate ingrijpende inbreuk op de privacy en het daarmee verbonden huisrecht niet toegelaten en ongewenst.” [13]
permanent(mede) opnamen zijn gemaakt van hetgeen zich
inde woning van de verdachte heeft afgespeeld. Het hof stelt onder verwijzing naar het dossier vast dat slechts enkele keren beperkt zicht is gekregen op hetgeen zich direct achter het raam afspeelde, waarbij de personen die te zien waren bovendien ‘onherkenbare schimmen’ waren (door de aanwezigheid van “
dichte gordijnpanelen”). Gelet op deze vaststellingen is het oordeel van het hof dat van het stelselmatig
inde woning kijken en dus van een vormverzuim geen sprake is, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het derde middel
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van feit 1
hij in de periode van 22 december 2015 tot en met 19 april 2016, in Nederland,
22. Een proces-verbaal bevindingen van 26 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar 335 (Zaaksdossier C01, map 3, BEV-05, pagina 001 e.v.).Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisant, zakelijk weergegeven:
Inleiding
De toelichting op het derde middel
De beoordeling van het derde middel
15”, “
12”, “
20” en “
33”. Het kennelijke oordeel van het hof dat het bij de twee laatstgenoemde bedragen moet gaan om duizenden, acht ik gelet op het hetgeen overigens is vastgesteld en overwogen niet onbegrijpelijk.
20 betaald fr terug” terwijl in het als bewijsmiddel 24 opgenomen politie-proces-verbaal dat hieraan ten grondslag ligt staat: “
30 betaald fr terug”. Daarnaast wordt in het OVC-gesprek niet alleen gesproken over 12.000 franc en “
15” maar ook over “
11”. Of en, zo ja, welke betekenis het hof aan die 11.000 geeft is niet meteen duidelijk. Ik meen echter dat de overwegingen van het hof zo moeten worden verstaan dat het hof kennelijk van oordeel is dat afnemer [medeverdachte 2] eerst 15.000 euro en 12.000 franc heeft betaald, vervolgens
30.000 euro heeft betaald (en dus niet
20.000 euro zoals abusievelijk staat vermeld in de bewijsoverwegingen) en de 12.000 francs heeft teruggekregen, en tot slot 33.000 euro heeft betaald.
30 [heeft] betaald” en de “
fr terug” is gegeven. Op 17 februari is vervolgens “
33 betaald”. Het bedrag in euro’s komt daarmee uit op totaal 15.000 + 30.000 + 33.000 = 78.000 euro. Daar zit dan geen franc (of frank) meer tussen. [16]
Het vierde middel
De strafmotivering
De rechtbank heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen ten aanzien van het beslag genomen.
De toelichting op het vierde middel
Het beoordelingskader bij de straftoemeting
3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
De beoordeling van het vierde middel
[i]n de overige door de raadsvrouw genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte (…) het hof geen aanleiding [ziet] de straf te matigen. Daarvoor zijn de feiten te ernstig.” Het hof voegt daaraan toe dat de verdachte bovendien zelf had moeten beseffen welke gevolgen zijn handelen voor hem zou kunnen krijgen.