“Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.
De aangever weigerde het huis van de moeder van de verdachte te verlaten en heeft zich daarbij provocerend gedragen. De aangever zocht de fysieke confrontatie op met de verdachte, althans liet de aangever zich niet onbetuigd. De verklaring van de verdachte wordt voorts ondersteund door het bij hem waargenomen letsel. [betrokkene 1] heeft ter terechtzitting op 9 februari 2021 onder ede verklaard dat aangever het portier van zijn auto opende en vervolgens de verdachte op zijn gezicht sloeg. Voorts verklaart [betrokkene 1] ter terechtzitting dat haar eerdere verklaring tegenover de politie op 4 oktober 2021 onjuist zou zijn, omdat zij destijds in paniek was geraakt.
De raadsman bepleit dat aan de verdachte het voordeel van de twijfel dient te worden gegeven, nu op basis van het bewijsmateriaal geen sluitend antwoord kan worden gegeven op de vraag wat er zich daadwerkelijk heeft afgespeeld.
Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.
Op 4 oktober 2020 is de politie na een melding ter plaatse gekomen bij de woning aan de [a-straat] te [plaats] . Aldaar treffen zij [aangever] (hierna: [aangever] ) aan met een bebloed gezicht. [aangever] legt tegenover de verbalisanten een verklaring af, en doet later in dezelfde avond aangifte, hetgeen overeenkomt met zijn eerdere verklaring. [aangever] geeft te kennen dat hij door de verdachte minimaal vijf keer met de vuist op zijn hoofd is geslagen. Vervolgens na de verklaring ter plaatse van [aangever] neemt verbalisant [verbalisant 2] bij de moeder van de verdachte, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) een getuigenverklaring af. [betrokkene 1] verklaart dat [aangever] de woning verliet en in zijn auto stapte en dat de verdachte [aangever] achterna is gaan lopen. Voorts verklaart [betrokkene 1] dat de verdachte begon met slaan en dat [aangever] zich probeerde te verdedigen. De verdachte verklaart de dag erna op 5 oktober 2020 tegenover de politie dat hij [aangever] bij zijn hoofd heeft gepakt en naar beneden heeft gedrukt en hem op zijn hoofd heeft geslagen.
Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de gedraging van de. verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend. De verdachte heeft immers van meet af aan de confrontatie met de aangever opgezocht door een agressieve houding aan te nemen en op deze manier, van de woning van zijn moeder naar de auto van de aangever te lopen. Het hof gaat voorbij aan de verklaring van [betrokkene 1] in eerste aanleg ter terechtzitting afgelegd, nu deze geen steun vindt in de bewijsmiddelen. Het hof hecht meer waarde aan haar eerste verklaring tegenover de verbalisanten, nu deze onmiddellijk na het gebeurde is afgelegd en deze herinnering aan het gebeurde nog niet beïnvloed was door derden.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer reeds daarom niet slaagt.
Het verweer wordt integraal verworpen.”