Conclusie
[eiseres 1])
[eiseres 2])
(gezamenlijk hierna:
[eiseres], in vrouwelijk enkelvoud)
[verweerster])
1.De feiten
Hof). [1]
[betrokkene 1]) aan [verweerster] :
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
vonnis): [9] de vorderingen van [verweerster] in conventie betreffende de factuurbedragen van € 139.500,-- en € 41.850,-- toegewezen; de ter zake door [verweerster] gevorderde wettelijke handelsrente over het eerste bedrag toegewezen vanaf 30 april 2018 en over het tweede bedrag vanaf 21 oktober 2017; zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de bij vermeerdering van eis door [verweerster] ingestelde vordering; de vorderingen van [eiseres] in reconventie afgewezen; en [eiseres] veroordeeld in de proceskosten van het geding, zowel in conventie als in reconventie.
arrest) heeft het Hof in het principaal en incidenteel hoger beroep: het vonnis bekrachtigd; het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen; [eiseres] hoofdelijk veroordeeld in de proces- en nakosten van het principaal hoger beroep zijdens [verweerster] ; [verweerster] veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep zijdens [eiseres] ; en het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ik kom terug op het arrest bij de bespreking van het cassatiemiddel.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
bij twee van de verbrandingsovens waar schade is opgetreden( [plaats 1] en [plaats 2] ) ervoor heeft gezorgd dat de daar aanwezige platen niet bijeen gehouden werden.
Volgens het subonderdeel betekent dit ten eerste dat het onjuist is om van [eiseres] te verlangen dat zij specifiek de gebrekkigheid van de ankers uit de schadelocaties aantoont. [eiseres] dient veeleer de stelling te onderbouwen dat de door haar als non-conform geretourneerde ankers uit bestellingen 1 en 2 gebrekkig waren. De vaststelling dat (óók) de ankers uit de schadelocaties gebrekkig waren, kan ter onderbouwing van die stelling dienen, maar mag niet als enige route naar een geslaagd bewijs gelden. Dit is de
eerste klacht.
Volgens het subonderdeel betekent dit ten tweede dat het onjuist is om van [eiseres] te verlangen dat zij aantoont dat de ankers uit bestellingen 1 en 2 reeds tot schade hebben geleid. De onhoudbaarheid van dit oordeel volgt al uit het feit dat deze ankers juist zijn geretourneerd voordat ze zijn gemonteerd. Ook indien de ankers wel reeds gemonteerd zouden zijn geweest, kan dit vereiste overigens niet gesteld worden; het is goed mogelijk dat gemonteerde ankers non-conform zijn - ook al hebben zij nog niet tot schade geleid - omdat hun kwaliteit dusdanig is dat zij wel tot schade zullen leiden en/of een kortere levensduur hebben dan verwacht mag worden. Dit is de
tweede klacht.
subonderdeel 1.1. Dit lijkt een opmaat naar subonderdelen 1.2-1.4. Zou het subonderdeel wel bedoeld zijn als zelfstandige klacht, dan loopt het vast (nog daargelaten of deze klacht dan beantwoordt aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro). Na enkele inleidende opmerkingen over het arrest onder 3.4.1-3.4.6 hierna (waarnaar ik ook terugverwijs bij de behandeling van volgende subonderdelen), keer ik onder 3.4.7 hierna terug naar het subonderdeel.
bij twee van de verbrandingsovens waar schade is opgetreden( [plaats 1] en [plaats 2] (…)) ervoor heeft gezorgd dat de daar aanwezige platen niet bijeen gehouden werden”. Voor zover het subonderdeel een zelfstandige klacht bevat, loopt het dus hoe dan ook vast op een onjuiste lezing van het arrest en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 1.2.
subonderdeel 1.3.
eerste klachtvoortbouwt op de onjuiste lezing van het arrest in subonderdelen 1.1-1.2, loopt deze eveneens vast op een gebrek aan feitelijke grondslag. Zie onder 3.4-3.5.2 hiervoor. Voor het overige abstraheert de klacht ten onrechte van hetgeen het Hof uiteenzet in rov. 3.4.8, eerste en tweede zin. Zie onder 3.4.1-3.4.2 en 3.4.5-3.4.6 hiervoor. De klacht bestrijdt ook niet gericht - laat staan met concrete stellingname en vindplaatsverwijzing - de daar door het Hof in lijn met rov. 3.4.7 en primair via uitleg van het vonnis en de grieven aangebrachte inkadering van hetgeen in hoger beroep bezien dient te worden, noch diens in rov. 3.4.8, eerste en tweede zin besloten liggende uitleg van dat standpunt van [eiseres] Zie onder 3.4.1-3.4.2 hiervoor. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat de in de klacht bedoelde onjuistheid zich voordoet.
tweede klachtvoortbouwt op de onjuiste lezing van het arrest in subonderdelen 1.1-1.2, loopt deze eveneens vast op een gebrek aan feitelijke grondslag. Zie onder 3.4-3.5.2 hiervoor. Voor het overige strandt de klacht in het voetspoor van de eerste klacht. Zie onder 3.6.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 1.4.
subonderdeel 2.1.
subonderdeel 2.2.
subonderdeel 2.3.
subonderdeel 2.4.
enigefactor is die die schade aan de verbrandingsovens heeft veroorzaakt (dan wel zou kunnen veroorzaken), óók niet als wel zou zijn komen vast te staan dat de kwaliteit van het anker het intreden van de schade heeft bevorderd (dan wel zou kunnen bevorderen). Van de ankers mag verwacht worden dat zij geschikt zijn voor het bijeenhouden van keramische platen in een verbrandingsoven. [40] Het systeem waar deze ankers en platen onderdeel van uitmaken heeft tot doel schade aan verbrandingsovens te voorkomen. Als de ankers van dusdanige kwaliteit zijn dat zij potentiële schade aan een verbrandingsoven bevorderen, dan zijn zij ongeschikt voor hun functie. Het hof is dan ook uitgegaan van een onjuiste maatstaf en daarmee een onjuiste rechtsopvatting.” [41]
Subonderdeel 3.5sluit daarop aan met de stelling dat “de redenering van het hof niet sluitend is”. Ik citeer het vervolg:
subonderdeel 3.2, nu
subonderdeel 3.1in wezen de hoofdklacht herhaalt.
subonderdeel 3.3.
subonderdeel 3.4/3.5.
subonderdeel 4.2, nu
subonderdeel 4.1slechts een lezing van rov. 3.4.9, voorlaatste zin van het arrest bevat.
subonderdeel 4.3.
subonderdeel 5.1.
subonderdeel 5.2.
6.2[eiseres] achten deze gevolgtrekking van het hof en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen onbegrijpelijk. [verweerster] heeft in eerste aanleg gesteld dat zij 'precies dezelfde ankers' in andere landen heeft geleverd en dat daar geen problemen zijn ontstaan. [eiseres] hebben die stelling bij gebrek aan wetenschap betwist. Over de ankers die door [verweerster] aan [eiseres] geleverd zijn partijen in eerste aanleg summier geweest; ook hier hebben [eiseres] de stelling ter zake van [verweerster] betwist. In het laatst uitgewisselde processtuk in hoger beroep 'herhaalt' [verweerster] dat tussen [verweerster] en [eiseres] geen chemische samenstelling van de ankers is overeengekomen en dat al jaren ankers van dezelfde kwaliteiten samenstelling worden geleverd, die nimmer tot problemen hebben geleid (hetgeen ook zou volgen uit het [A] II-rapport). Daarmee wordt de suggestie gewekt dat ook de tweede stelling in de zin eerder in hoger beroep is ingenomen. Dat is echter niet het geval; het [A] ll-rapport is eerst bij hetzelfde processtuk overgelegd, waardoor [eiseres] niet meer de kans hebben gehad om op de daarin opgenomen stellingen van [verweerster] te reageren. In eerdere gedingstukken van [verweerster] in hoger beroep hebben [eiseres] deze stelling niet kunnen terugvinden.
subonderdeel 6.3lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
fit for purpose’ waren. Dat was niet het geval. Zo blijkt bijvoorbeeld uit productie 13 en bij MvA dat [verweerster] een testen zou hebben uitgevoerd op enkele ankers en dat bij die testen geen problemen naar voren zijn gekomen. Dat gaat volledig voorbij aan de essentie van de voorliggende zaak. [eiseres 1] wil best aannemen dat [verweerster] ook deugdelijke ankers heeft geproduceerd. Het gaat echter om de problemen die zijn ontstaan als gevolg van de levering van ondeugdelijke ankers.”
productie HB-3brengt [verweerster] in het geding een door [verweerster] gegeven toelichting op [systeem 1] met beeldmateriaal. [systeem 1] is sedert 2015 ingebouwd in meer dan 30 verbrandingsovens in zes Europese landen. Het is vreemd dat [eiseres 1] stelt dat zij in [plaats 2] , [plaats 1] , [plaats 3] en [plaats 4] problemen met de ankers van [verweerster] heeft, terwijl in alle andere verbrandingsovens geen problemen zijn ontstaan en zeer zeker niet met ankers. In dit verband wijst [verweerster] erop dat van crashes en noodstops altijd inspectierapporten worden gemaakt, waarin de oorzaak wordt weergegeven. [eiseres] brengen geen inspectierapporten in het geding, waaruit problemen met of door de ankers blijken. Deze rapporten bestaan niet en evenmin bestaan in de praktijk problemen met de ankers.”