Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring
3.De stukken van het geding
De verdachteverklaart:
4.De middelen
nietaan de verdachte heeft verhuurd, maar aan ene [betrokkene 3] , en dat de verdachte in haar woning geen kwekerij heeft geplaatst. Daarnaast heeft de raadsvrouw gewezen op de verklaringen van een aantal andere door de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen (de vader en moeder van de verdachte en de getuige [betrokkene 4] ), die de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] ontzenuwen. Deze getuigen hebben alle drie verklaard (i) dat de dochter van de verdachte bij [betrokkene 1] woonde, (ii) dat de verdachte zijn dochter daar ophaalde en terugbracht en (iii) dat de verdachte geen kamer/woning van [betrokkene 1] huurde. De vader van de verdachte heeft bovendien verklaard dat hij zelf ook weleens zijn kleinkind bij [betrokkene 1] heeft opgehaald en teruggebracht. Bovendien heeft de raadsvrouw aangevoerd dat getuige [betrokkene 5] (die ook woonachtig was in het complex aan de [a-straat] ) heeft verklaard (i) dat [betrokkene 1] in de tenlastegelegde periode aan de [a-straat] woonde, (ii) dat de verdachte daar niet woonde, (iii) dat hij ( [betrokkene 5] ) weleens samen met de verdachte de dochter van de verdachte naar de woning aan de [a-straat] bracht en haar ophaalde en (iv) dat hij [betrokkene 1] “regelmatig naar de woning aan de [a-straat] zag lopen, geregeld met een donkere man”. Dit laatste blijkt overigens ook uit de verklaring van de vader van de verdachte; hij verklaart “weleens een Afrikaanse/donkere man bij [betrokkene 1] (te hebben gezien)”. Tot slot heeft de raadsvrouw gewezen op het in de woning aangetroffen DNA-spoor dat niet afkomstig is van de verdachte, maar van de medeverdachte [betrokkene 6] (zie voor dit alles het proces-verbaal van de terechtzitting en de pleitnota in hoger beroep, onder randnr. 3.3 en 3.4). [3]