ECLI:NL:PHR:2023:330

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
20 maart 2023
Zaaknummer
21/04225
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 423 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens onvoldoende motivering bewezenverklaring mishandeling levensgezel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden dat de politierechter bevestigde in een mishandelingszaak. De verdachte werd veroordeeld voor mishandeling van zijn levensgezel en kreeg een werkstraf opgelegd. In hoger beroep werd echter vrijspraak bepleit.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof het vonnis van de politierechter niet had mogen bevestigen zonder een nadere motivering en zonder de inhoud van de bewijsmiddelen in het arrest op te nemen, aangezien de verdachte in hoger beroep niet had bekend en vrijspraak was bepleit. De aantekening mondeling vonnis van de politierechter verwees slechts naar bewijsmiddelen zonder inhoudelijke weergave.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat bevestiging van een mondeling vonnis in hoger beroep alleen is toegestaan zonder nadere motivering wanneer de verdachte bekent, wat hier niet het geval was. Daarom wordt het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende motivering van de bewezenverklaring.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04225
Zitting21 maart 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 30 september 2021 het tegen de verdachte gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 20 augustus 2019, bevestigd. Daarmee is de verdachte voor mishandeling van zijn levensgezel, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Tevens is de vordering van de benadeelde partij toegewezen en is aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voorts heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit, omdat de verdachte van dat feit door de politierechter is vrijgesproken.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

2.Het middel, de bewezenverklaring en de bewijsvoering

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof – hoewel de verdachte het feit niet heeft bekend en de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak heeft bepleit – het vonnis, dat is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting, heeft bevestigd, “terwijl in dat vonnis de relevante inhoud van die gebezigde bewijsmiddelen niet (is) weergegeven of met voldoende mate van nauwkeurigheid (is) aangeduid, en het hof de door hem gebezigde inhoud van de bewijsmiddelen evenmin heeft opgenomen of aangeduid in zijn arrest (…) of in een aanvulling op dat arrest, zodat het arrest aan nietigheid lijdt”.
2.2
De politierechter heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 30 december 2018 te [plaats] , zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door - die [slachtoffer] (met kracht) bij/om de keel/hals vast te pakken en vast te houden en (met kracht) in de keel/hals van die [slachtoffer] te knijpen en
- die [slachtoffer] in het gezicht te slaan en
- meermalen, (met kracht) op het lichaam van die [slachtoffer] te gaan zitten en
- die [slachtoffer] meermalen, in het gezicht te spugen”
2.3
De in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg opgenomen aantekening mondeling vonnis houdt ten aanzien van de bewijsvoering het volgende in:
“2. Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Ede, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019006372, gesloten op 21 mei 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
De politierechter bezigt tot bewijs ten aanzien van feit 1 de inhoud van de navolgende wettige bewijsmiddelen (waarbij ingevolge de conform artikel 378 Sv Pro vastgestelde Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) wordt volstaan met een opsomming daarvan):
ten aanzien van feit 1
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] met bijbehorende bijlagen, p. 17-32;
- het proces-verbaal van bevindingen met bijbehorende bijlagen, p, 33-37;
- de geneeskundige verklaring d.d. 8 januari 2019, p. 46.
De politierechter overweegt in het bijzonder.
De verdediging trekt de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster in twijfel. De politierechter acht echter de verklaringen van aangeefster wel betrouwbaar, nu de geneeskundige verklaring past bij de verklaring van aangeefster. Tevens wordt die overtuiging van de politierechter bevestigd door de WhatsApp-berichten tussen aangeefster en verdachte waarin verdachte aangeeft dat hij aangeefster geen pijn wil doen en hij niet reageert op de aantijgingen van aangeefster met betrekking tot geweld.”
2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging daar het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde en aan het dossier toegevoegde pleitnota. Deze pleitnota besluit met:
“Het bewijs is er niet: niet wettig en al helemaal niet overtuigend.
Vrijspraak is de enige conclusie.”
2.5
De meervoudige kamer van het hof heeft het vonnis wat betreft de bewezenverklaring bevestigd.

3.Bespreking van het middel

3.1
Artikel 359 lid 3 Sv Pro, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv Pro ook in hoger beroep toepasselijk is, bepaalt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
3.2
In zijn arrest van 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026,
NJ2017/128 m.nt. van P.A.M. Mevis heeft de Hoge Raad overwogen in welke gevallen een bevestiging met overneming van gronden van een mondeling vonnis van de politierechter ten aanzien van het bewijs toelaatbaar is:
“2.3.1. Op grond van art. 423, eerste lid, Sv is zowel de meervoudige als de enkelvoudige kamer van het hof bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen. Dit geldt ook indien het een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. De bevoegdheid om zo een mondeling vonnis te bevestigen is niet beperkt tot het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro (bekennende verdachte).
2.3.2.
Indien die aantekening mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in overeenstemming met de Regeling - verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, is de meervoudige kamer van het hof in geval van bevestiging van het vonnis in beginsel niet gehouden de inhoud van die stukken (alsnog) in zijn arrest op te nemen. Gelet op het bepaalde in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro lijdt dit evenwel uitzondering indien ter terechtzitting van
de meervoudige kamer in hoger beroep[cursivering AG] door de verdachte anders - dat wil zeggen: niet in bekennende zin - is verklaard of door zijn raadsman vrijspraak is bepleit.
In dat geval dient bevestiging te geschieden met aanvulling van gronden, dus met opneming van de (uitgewerkte) inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in het arrest[cursivering AG]. Dat houdt in dat de feiten of omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring, moeten zijn vervat in de door het hof gebezigde en in zijn arrest weergegeven bewijsmiddelen. Indien zij niet in die bewijsmiddelen zijn vermeld, moet het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel of de wettige bewijsmiddelen aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.”
3.3
De politierechter heeft in de aantekening mondeling vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid Pro 3, tweede volzin Sv. De verdediging heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit. Uit de bewoordingen van art. 359 lid Pro 3, tweede volzin, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden als door of namens de verdachte op de terechtzitting vrijspraak is bepleit. Daarom had het hof het vonnis alleen mogen bevestigen met de in art. 423 lid 1 Sv Pro bedoelde aanvulling van gronden, bestaande uit de in de art. 359 lid Pro 3, eerste volzin, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen voor het bewezenverklaarde feit. [1]
3.4
Het middel slaagt.

4.Slotsom

4.1
Het middel is terecht voorgesteld.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026,