Conclusie
eiseres tot cassatie,
advocaat: W.A. Jacobs
verweerder in cassatie,
advocaten: J.P. Heering en N. van Triet
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
AanleidingOp uitdrukkelijk verzoek van de gemeente ... zijn [betrokkene 2] en [verweerder] aanwezig om een toelichting te geven. Op de locatie aan de N57 (discolocatie) worden op dit moment slakken toegepast welke bedoeld zouden zijn voor het aanleggen van een tijdelijk baggerdepot. (...) ....zou een directe stop van werkzaamheden wenselijk zijn. Er wordt immers een baggerdepot gerealiseerd in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan. (...)
VoorzieningenTijdens de controle d.d. 29 augustus 2018 en het overleg d.d. 12 september 2018 is vastgesteld dat geen van de genoemde toepassingsvoorwaarden zijn gerealiseerd, noch zijn er andere voorzieningen ter bescherming van de bodem gerealiseerd. De slakken zijn naar aanleiding van onze brief van 13 juli 2018 toegepast op een folie ter voorkoming van vermenging met de bodem. Deze voorziening voorkomt echter niet dat uitvloeiend hemelwater, dat als gevolg van het kalk in de slakken mogelijk een verhoogde pH heeft, de bodem bereikt.
II. binnen één week het grondwater te monitoren om vast te stellen of de huidige toepassing van de LD-staalslakken (...) verontreiniging van de bodem en/of het grondwater heeft veroorzaakt. (...) De monitoring van het grondwater dient maandelijks plaats te vinden (...). ”
niet vanwege mogelijke strijd met de op het Perceel toepasselijke bestemmingsplannen of wegens strijd met het Besluit bodemkwaliteit, de wet bodembescherming of de door Pelt & Hooijkaas afgegeven verwerkingsvoorschriften, maar simpelweg omdat cliënte het niet wil.” (rov. 6.10) [8]
Uit de resultaten van de (...) monitoringsronde wordt geconcludeerd dat de staalslakkenbaan niet heeft geleid tot bodemverontreiniging.” De derde grief, waarin N57 Holding opkomt tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn beroep op onrechtmatige daad, strandt dan ook.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
I.1.3klaagt het onderdeel dat het hof in rov. 6.8 en 6.9 de formele rechtskracht van de bestuursrechtelijke beslissingen heeft miskend. Het onderdeel verwijst naar de hiervoor in 2.1 onder (xx) en (xxi) genoemde beslissing op bezwaar van de gemeente van 17 juni 2019 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 september 2020. Onder
I.1.4wordt deze klacht verder uitgewerkt. Voorts voert het onderdeel daar aan dat het hof in rov. 6.9 een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling. Volgens het onderdeel berust het oordeel van de Afdeling, anders dan het hof overweegt, niet primair op de vaststelling dat [verweerder] de leverancier van de slakken niet voldoende heeft geïnformeerd over de beoogde tijdelijke toepassing van de staalslakken, zodat de leverancier geen andere beschermende voorwaarden heeft kunnen opnemen. De Afdeling heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat ook tijdelijk gebruik schadelijke milieugevolgen heeft, dat [verweerder] ook zonder de juiste toepassingsvoorwaarden voor tijdelijk gebruik van de leverancier zelf adequate voorzieningen had moeten treffen en dat hij, door dit na te laten, zijn zorgplicht heeft geschonden.
I.1.5klaagt het onderdeel dat het hof in rov. 6.14-6.16 op grond van het beginsel van formele rechtskracht gebonden was aan het door de rechtbank Rotterdam bevestigde besluit van de gemeente van 15 april 2019 tot weigering van de door [verweerder] aangevraagde omgevingsvergunning. Uit dit besluit volgt volgens N57 Holding dat [verweerder] met de aanleg van de staalslakken in strijd met het bestemmingsplan heeft gehandeld, welke oordeel het hof in dit geding als een gegeven had moeten aannemen.
onder I.2van het onderdeel bouwt voort op of vormt een herhaling van de voorgaande klachten en moet het lot daarvan dus delen.
II.1.1voert onderdeel II een aantal varianten van de stelling van N57 Holding aan dat [verweerder] reeds door de keuze voor de staalslakken zonder het treffen van (voldoende) milieumaatregelen toerekenbaar is tekortgeschoten. Onder
II.1.2bevat het onderdeel allereerst in nr. 32 de algemene klacht dat [verweerder] zich niet heeft gedragen overeenkomstig zijn zorgplicht als goed opdrachtnemer. Deze klacht wordt onder (A)-(C) in het onderdeel uitgewerkt. Die uitwerking behelst (A) dat [verweerder] vooral in het belang van hemzelf handelde (het verkrijgen van innamevergoedingen voor vele tonnen staalslakken), (B) dat [verweerder] heeft verzuimd N57 Holding in te lichten over het voorgenomen gebruik van grote hoeveelheden staalslakken en het daaraan verbonden milieurisico, terwijl N57 Holding een evident belang had bij kennis hierover, en (C) dat [verweerder] slechts gedeeltelijk alsnog folie heeft gelegd onder de (vóór 29 juni 2018) al aangelegde slakkenbaan. [17] Het onderdeel klaagt, naar ik begrijp, dat het hof een en ander heeft miskend.
getuigenbewijs van haar stelling aangeboden. De verplichting ex art. 166 Rv Pro om partijen tot
getuigenbewijs toe te laten als zij dat voldoende gespecificeerd hebben aangeboden met betrekking tot een relevante stelling, is dus niet van toepassing. Overigens heeft N57 Holding genoemde stelling niet nader onderbouwd, anders dan met het betoog dat normaal gesproken een baggerdepot aldus wordt aangelegd dat een gat in de grond wordt gegraven en een wal wordt gemaakt met de opgegraven grond. Dat zal best, maar daaruit volgt nog niet dat hetgeen [verweerder] van plan was, “hoogst ongebruikelijk” is, wat daarmee overigens verder ook concreet zij bedoeld. Ook daarom heeft het hof aan zowel de stelling als het aanbod tot bewijs daarvan voorbij kunnen gaan.
II.2keert het onderdeel zich tegen het oordeel van het hof in rov. 6.5 dat de stellingen van N57 Holding (a) dat zij ten tijde van de aanleg van de baan geen enkele bemoeienis had met de daarbij gebruikte staalslakken en (b) dat voor [verweerder] op basis van de grondovereenkomst op dat punt een informatie- of waarschuwingsplicht gold, ‘feitelijke grondslag’ missen. Dit oordeel is naar het onderdeel klaagt onbegrijpelijk. Volgens de klacht baseert het hof dit oordeel op een drietal omstandigheden, die zij nummert van (A) tot en met (C). Ieder van die omstandigheden wordt in de klacht genoemd en het oordeel van het hof terzake wordt bestreden. Het gaat daarbij om (A) de brief van DCMR van 13 juli 2018, (B) het feit dat N57 Holding wist dat de baan werd aangelegd, en (C) het gesprek met de gemeente op 18 juli 2018.
III.1klaagt het onderdeel dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat nakoming door [verweerder] blijvend onmogelijk was, waardoor verzuim niet nodig is voor ontbinding en schadevergoeding wegens wanprestatie. Onder (A)-(D) voert het onderdeel daartoe een viertal gronden aan, te weten (A) dat [verweerder] zijn inlichtingenplicht jegens N57 Holding heeft geschonden door haar niet te informeren over het gebruik van de staalslakken, (B) dat [verweerder] door dat gebruik een voortdurende verplichting om niet te doen heeft geschonden, (C) dat vaststond dat [verweerder] niet tot nakoming in staat was omdat hij daartoe niet de middelen had, en (D) dat [verweerder] door wanprestatie al schade voor N57 Holding heeft veroorzaakt.
III.2bestrijdt het onderdeel de verwerping door het hof in rov. 6.11 van de stelling van N57 Holding dat zij uit de mededelingen en gedragingen van [verweerder] niet anders kon afleiden dan dat hij niet zou nakomen. Ook in dit geval voert het onderdeel verschillende gronden aan, die genummerd zijn van (A) tot en met (C). Die gronden komen alle erop neer dat het hof voorbij is gegaan aan de stellingen van N57 Holding dat wel van zulke mededelingen en gedragingen sprake is geweest. Het onderdeel bevat in dit verband een bladzijden lange opsomming van passages uit de processtukken van N57 Holding.
beidehebben aangevoerd dat geen nadere voorzieningen nodig waren.
III.3keert het onderdeel zich tegen het oordeel van het hof in rov. 6.10 dat [verweerder] niet door de brief van N57 Holding van 17 september 2018 in verzuim is geraakt. Het onderdeel voert aan dat de sommatie in deze brief om de staalslakken te verwijderen terecht was. Ook onder
III.4– waar het onderdeel aanvoert dat [verweerder] in overleg met N57 Holding had moeten treden – gaat het onderdeel ervan uit dat [verweerder] gehouden was om de staalslakken te verwijderen.
III.5voert het onderdeel aan dat rov. 6.11 onbegrijpelijk is omdat het hof uit de acties van [verweerder] die het daar noemt, niet de bereidheid van [verweerder] tot nakoming heeft kunnen afleiden.
V.1bevat het onderdeel in dit verband een herhaling van de klachten van het middel tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van wanprestatie van [verweerder] jegens N57 Holding. De klachten gaan om dezelfde redenen niet op.
V.2bestrijdt het onderdeel het oordeel van het hof in rov. 6.19 dat uit de rapportages van Arnicon van 7 februari, 3 april, 24 mei, 25 juni, 16 juli en 8 augustus 2019 niet is gebleken van schadelijke effecten op het perceel ten gevolge van de aangelegde baan. Onder (A) wordt bij de klacht aangevoerd dat uit metingen van de gemeente en het waterschap wel van vervuiling bleek, onder (B) dat N57 Holding maatregelen heeft getroffen waardoor geen vervuiling meer optrad en onder (C) dat dat er meer schade is dan door vervuiling.
mogelijkemilieuschade.