ECLI:NL:PHR:2023:38

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2023
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
21/02149
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 94a SvArt. 103 lid 1 SvArt. 134 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking niet-ontvankelijkheid klaagschrift wegens termijnoverschrijding

In deze zaak gaat het om de ontvankelijkheid van een klaagschrift ex art. 552a Sv, ingediend door klaagster tegen de inbeslagname van goederen en geldbedragen in het kader van een strafzaak over medeplegen van oplichting van een bank. Het hof had de klaagster niet-ontvankelijk verklaard omdat het klaagschrift niet binnen drie maanden na het einde van de vervolging was ingediend. Het hof stelde dat de zaak tegen de medeverdachte op 18 mei 2017 was geëindigd en dat dit het einde van de zaak was.

De advocaat-generaal stelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de zaak op die datum was geëindigd. Omdat het beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv Pro en zowel klaagster als medeverdachte als verdachte zijn aangemerkt, eindigt de zaak pas als de vervolging tegen alle verdachten is beëindigd. De vervolging tegen klaagster eindigde pas met het onherroepelijk worden van het arrest op 9 juli 2019. Het klaagschrift van 22 juli 2019 is dus tijdig ingediend.

De conclusie van de advocaat-generaal is dat het middel slaagt, de beschikking van het hof vernietigd moet worden en de zaak moet worden terugverwezen voor herbeoordeling van het klaagschrift. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging. De zaak betreft een complexe procedure over beslag en termijnoverschrijding in het kader van strafrechtelijke vervolging van medeplegen oplichting.

Uitkomst: De beschikking van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling van het klaagschrift.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02149 B
Zitting10 januari 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 29 april 2021 het klaagschrift ex art. 552a Sv, strekkende tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen en geldbedragen, niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de procesgang weer. Daarna zal ik enkele opmerkingen maken over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

2.Feiten en procesgang

2.1
Op grond van de gedingstukken gaat het om het volgende.
2.2
In het kader van het opsporingsonderzoek “Donkey” zijn de klaagster en haar partner [betrokkene 1] beiden als verdachte van diefstal en oplichting van de [A] -bank aangemerkt. Door gebruik te maken van een fout in het betalingssysteem konden zij betalingen uitvoeren zonder dat voldoende saldo op hun rekeningen stond. In de strafzaak tegen de klaagster en haar partner zijn diverse goederen en geldbedragen in beslag genomen. Met uitzondering van een geldbedrag van € 30 zijn alle goederen onder [betrokkene 1] in beslag genomen.
2.3
De strafzaak tegen [betrokkene 1] is middels een schikking met het openbaar ministerie afgedaan. Deze schikking is op 18 mei 2017 onherroepelijk geworden.
2.4
De klaagster is bij arrest van 12 oktober 2018 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het medeplegen van oplichting van de [A] -bank (meermalen gepleegd). [1] Dit arrest is op 9 juli 2019 onherroepelijk geworden.
2.5
Op 22 juli 2019 is bij het hof Den Haag door S.C. van Paridon namens klaagster en [betrokkene 1] een klaagschrift ingediend. In dit klaagschrift wordt verzocht om opheffing van het beslag en teruggave aan de klagers van de in beslag genomen goederen en geldbedragen.
2.6
Op 30 maart 2021 is het klaagschrift van de klaagster door de raadkamer gelijktijdig behandeld met het klaagschrift van [betrokkene 1] . Bij beschikking van 29 april 2021 heeft het hof de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in het beklag, omdat het klaagschrift niet binnen de in art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn is ingediend.

3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op.
3.2
Bij de op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich correspondentie die erop wijst dat alle goederen die onder [betrokkene 1] in beslag zijn genomen, inmiddels retour zijn gegaan naar de [A] -bank en dat het bedrag van € 30,- dat onder de klaagster in beslag is genomen, is verrekend met een vordering van het CJIB. Dit zou kunnen betekenen dat het beslag op grond van art. 134 lid 2 Sv Pro is beëindigd. De lijst van de in beslag genomen goederen die zich tevens in het dossier bevindt, spreekt dit echter tegen. [2] Hieruit blijkt dat een deel van de goederen is verkocht, maar wat vervolgens met de opbrengsten uit deze verkoop is gebeurd, is niet duidelijk. Tevens ontbreekt informatie over wat met de niet-verkochte goederen is gebeurd. Nadere door mij ingewonnen inlichtingen hebben geen zekerheid verschaft omtrent de status van deze goederen. Dit betekent dat mijns inziens onvoldoende vaststaat dat het beslag (geheel) is beëindigd en dat de klaagster dus ontvankelijk is in het cassatieberoep.

4.Het middel

4.1
Het
middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat de klaagster niet-ontvankelijk is in het namens haar ingestelde beklag.
4.2
Daartoe is aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat reeds op 18 mei 2017 een eind is gekomen aan de vervolgde zaak als bedoeld in art. 552a lid 3 Sv. Uit de diverse dossierstukken blijkt dat de inbeslagname steeds heeft plaatsgevonden in het kader van het onderzoek “Donkey” waarin zowel de klaagster als [betrokkene 1] als verdachte zijn aangemerkt. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad komt in zo’n geval de zaak pas ten einde als de vervolging van alle verdachten is geëindigd. In het onderhavige geval brengt dit met zich mee dat de vervolgde zaak pas tot een einde is gekomen op het moment dat het arrest dat tegen de klaagster is gewezen op 9 juli 2019 onherroepelijk werd. Nu het klaagschrift op 22 juli 2019 bij het hof Den Haag is binnengekomen, is de in art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn niet overschreden.
4.3
De bestreden beschikking houdt het volgende in:

Procesgang
In de strafzaak tegen [betrokkene 1] is beslag gelegd op goederen en en geldbedragen. Alle goederen en geldbedragen, met uitzondering van een geldbedrag van € 30,--, zijn onder [betrokkene 1] inbeslaggnomen.
De zaak tegen [betrokkene 1] is middels een schikking met het Openbaar Ministerie geëindigd op 18 november 2016. In de instemmingsverklaring met [betrokkene 1] is opgenomen dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.000,- - alsmede vier flessen whisky aan hem zullen worden teruggegeven nadat een taakstraf is verricht. [betrokkene 1] heeft deze taakstraf uitgevoerd waarna de zaak, zes maanden na de tranactiedatum onherroepelijk is geworden op 18 mei 2017.
Het hof heeft in de strafzaak van klaagster bij arrest van 12 oktober 2018 het vonnis van de rechtbank van 19 april 2018 bevestigd. Dit arrest is op 9 juli 2019 onherroepelijk geworden.
Klaagster heeft zich vervolgens bij een op 22 juli 2019 ter griffie van dit hof ingekomen klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering beklaagd over de inbeslageneming en teruggave verzocht van de inbeslaggenomen voorwerpen en geldbedragen.
Het hof heeft dit klaagschrift op 30 maart 2021 in raadkamer in het openbaar behandeld.
In raadkamer zijn gehoord de advocaat mr. S.C. van Paridon en de advocaat-generaal mr. M.W. Hemelaar.
In raadkamer heeft de advocaat van klaagster het klaagschrift nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft in raadkamer geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het klaagschrift, nu dit niet tijdijg is ingediend. Volgens de advocaat-generaal had het klaagschrift binnen drie maanden na 18 mei 2017 moeten zijn ingediend, nu door klaagster teruggave van goederen en geldbedragen wordt verzocht die bij haar levensgezel [betrokkene 1] in beslag zijn genomen.
(…)
Ontvankelijkheid van het klaagschrift
Op grond van artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift binnen drie maanden te worden ingediend sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.
De zaak tegen [betrokkene 1] is op 18 mei 2017 tot een definitief einde gekomen. Klaagster heeft vervolgens pas op 22 juli 2019 een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ter griffie van dit hof ingediend.
Derhalve zal het hof de klacht van klaagster niet-ontvankelijk verklaren.
Beslissing
Het hof :
Verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in het beklag.”

5.Juridisch Kader

5.1
Art. 552a lid 3 Sv luidt als volgt:
"Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (...) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen."
5.2
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het moment waarop een zaak waarin meerdere personen als verdachte zijn aangemerkt tot een einde komt in de zin van art. 552a lid 3 Sv, afhangt van de grond waarop het beslag is gebaseerd. Bij een conservatoir beslag ex art. 94a Sv is “voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of de vervolging van degene(n) ten laste van wie het beslag is gelegd tot een einde is gekomen”. [3] Ingeval een beslag is gebaseerd op art. 94 Sv Pro eindigt de zaak pas op het moment dat de vervolgingen van alle verdachten in de zaak tot een einde zijn gekomen. [4]

6.Bespreking van het middel

6.1
Uit de bestreden beschikking blijkt dat het hof heeft overwogen dat op grond van art. 552a lid 3 Sv een klaagschrift binnen drie maanden nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, dient te worden ingediend. Nu de zaak tegen [betrokkene 1] op 18 mei 2017 tot een definitief einde is gekomen en de klaagster pas op 22 juli 2019 een klaagschrift ex art. 552a Sv heeft ingediend, heeft het hof de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
6.2
Allereerst merk ik op dat de onderhavige beschikking niet vermeldt of beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv Pro of op grond van art. 94a Sv. Ook uit het proces-verbaal van de zitting in raadkamer valt dit niet af te leiden. Onder de bij het klaagschrift gevoegde stukken bevinden zich drie kennisgevingen van inbeslagneming. Op alle drie deze kennisgevingen is bij “[g]rondslag” het vakje “[w]aarheid aan de dag (…) brengen” aangekruist. Bovendien bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken geen machtiging van de rechter-commissaris, welke op grond van art. 103 lid 1 Sv Pro is vereist voor een conservatoir beslag ex art. 94a Sv.
6.3
Nu het in de rede ligt om aan te nemen dat de voorwerpen in de onderhavige zaak in beslag zijn genomen op grond van art. 94 Sv Pro en zowel de klaagster als [betrokkene 1] in deze zaak als verdachte zijn aangemerkt, is de zaak pas ten einde gekomen toen het arrest tegen de klaagster op 8 juli 2019 onherroepelijk werd. Het klaagschrift ex art. 552a Sv van 22 juli 2019 is derhalve binnen de termijn genoemd in art. 552a lid 3 Sv ingediend. Het oordeel van het hof dat de klaagster deze termijn heeft overschreden, is derhalve onjuist. Het middel klaagt hierover terecht.

7.Conclusie

7.1
Het middel slaagt.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beslissing aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Blijkens het vonnis van de rechtbank, dat het hof bij arrest van 12 oktober 2018 heeft bevestigd, heeft de klaagster (verdachte) samen met haar partner [betrokkene 1] (medeverdachte) de [A] -bank opgelicht.
2.Bij de gedingstukken bevindt zich een Excel-bestand dat een lijst bevat van alle bij [betrokkene 1] in beslag genomen voorwerpen. Daarin is per verkocht voorwerp de datum en de opbrengst van de verkoop weergegeven. Het bestand is voor het laatst bijgewerkt op 19 juli 2020.
3.HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135, rov. 2.9.
4.HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3132, NJ 2007/472, rov. 3.5.1 en HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8947, NJ 2012/47, rov. 2.5.