Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Feiten en procesgang
3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.Het middel
middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat de klaagster niet-ontvankelijk is in het namens haar ingestelde beklag.
Procesgang
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de ontvankelijkheid van een klaagschrift ex art. 552a Sv, ingediend door klaagster tegen de inbeslagname van goederen en geldbedragen in het kader van een strafzaak over medeplegen van oplichting van een bank. Het hof had de klaagster niet-ontvankelijk verklaard omdat het klaagschrift niet binnen drie maanden na het einde van de vervolging was ingediend. Het hof stelde dat de zaak tegen de medeverdachte op 18 mei 2017 was geëindigd en dat dit het einde van de zaak was.
De advocaat-generaal stelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de zaak op die datum was geëindigd. Omdat het beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv Pro en zowel klaagster als medeverdachte als verdachte zijn aangemerkt, eindigt de zaak pas als de vervolging tegen alle verdachten is beëindigd. De vervolging tegen klaagster eindigde pas met het onherroepelijk worden van het arrest op 9 juli 2019. Het klaagschrift van 22 juli 2019 is dus tijdig ingediend.
De conclusie van de advocaat-generaal is dat het middel slaagt, de beschikking van het hof vernietigd moet worden en de zaak moet worden terugverwezen voor herbeoordeling van het klaagschrift. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging. De zaak betreft een complexe procedure over beslag en termijnoverschrijding in het kader van strafrechtelijke vervolging van medeplegen oplichting.
Uitkomst: De beschikking van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling van het klaagschrift.