Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 juli 2019.
[slachtoffer]:
[slachtoffer]:
[betrokkene 1]:
voornoemde verbalisant:
Feit 1: medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving & feit 2: medeplegen van mishandeling
Ik zag een voertuig langsrijden dat opeens stopte en dat er twee mannen uitstapte. Iedereen begon te rennen dus ik rende ook weg. Ik voelde dat de man die een pistool had mij vastpakte en richting de auto sleurde.”
met flinke vuisten” is geslagen. In drie verklaringen verklaart [slachtoffer] dus drie keer anders, eerst is er geen geweld buiten de auto, daarna geweld door slaan met een pistool en blote handen en in een derde verklaring enkel met flinke vuisten.
”in mijn beleving was het zo dat als ik bang werd en gelijk mee zou werken en in de auto ging zitten.”Dat is ook hoe [verdachte] het heeft beleefd, de jonen ging zelf in de auto zitten en vroeg zelf om een lift. Wederom een belangrijke innerlijke tegenstrijdigheid in de verklaringen van [slachtoffer] . Met als reden voor de aandikkingen om meer en meer in de schoenen te kunnen schuiven van personen waarmee hij kennelijk oorlog voert. Ik kom daar zo op terug.
Een Nederlandse man, blond, oranje kortgeschoren haar, ik heb zijn gezicht niet gezien.”Maar in zijn verklaring bij de RHC zegt [slachtoffer] : ”
[verdachte] draaide zich af en toe om. Ik herinner zijn gezicht tot op de dag van vandaag. Als ik zijn gezicht niet had gezien had ik hem bij de politie ook niet kunnen beschrijven.”Daar gaat [slachtoffer] er kennelijk aan voorbij dat hij het gezicht van [verdachte] bij de politie niet heeft beschreven. Dat krijg je als je niet conform de waarheid verklaart, een leugen is immers moeilijker te onthouden. [slachtoffer] schroomt niet om waarnemingen te verdraaien en zelf in te vullen.
3.Het tweede middel
Meer subsidiair: rol van cliënt onvoldoende voor medeplegen
Uit het dossier niet blijkt dat de verdachte vóórdat aangever werd gedwongen in zijn auto plaats te nemen kennis had van het voornemen om aangever van zijn vrijheid te beroven. {…} Het louter aanwezig zijn bij en het niet distantiëren van de wederrechtelijke vrijheidsberoving onvoldoende is om te spreken van medeplegen, dan wel medeplichtigheid.’De verdachte is om die reden vrijgesproken.
geensubstantiële bijdrage heeft geleverd aan de vrijheidsberoving en/of het geweld. De bijdrage van [verdachte] onvoldoende substantieel om te spreken van medeplegen. Sterker nog, [verdachte] heeft met zijn handelen er juist voor gezorgd dat de situatie is geëindigd door naar het ziekenhuis te rijden. Wat had hij anders kunnen en moeten doen? De auto stopzetten? Het is maar de vraag wat er dan was gebeurd. Het enige juiste om te doen was om [slachtoffer] naar het ziekenhuis te brengen. Hetgeen [verdachte] dus ook daadwerkelijk heeft gedaan. Die gedragingen laten zich onmogelijk kwalificeren als medeplegen. Niet bij de vrijheidsberoving en niet bij het geweld.