ECLI:NL:PHR:2023:412

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2023
Publicatiedatum
7 april 2023
Zaaknummer
21/01994
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 6:101 BWArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling met toewijzing schadevergoeding

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 316 dagen voorwaardelijk, voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van het slachtoffer op 18 februari 2019 in Zaandam. Het hof achtte bewezen dat de verdachte als bestuurder van de auto het slachtoffer onder bedreiging van een vuurwapen tegen zijn wil vervoerde en mishandelde, en dat hij instemde met de mishandeling.

De verdediging voerde aan dat de verklaringen van het slachtoffer en een andere getuige onbetrouwbaar waren wegens tegenstrijdigheden en motieven om de familie van een medeverdachte in diskrediet te brengen. Ook werd betoogd dat de verdachte slechts een passieve rol had als chauffeur zonder wetenschap van het misdrijf, waardoor geen sprake kon zijn van medeplegen.

Het hof verwierp deze verweren en motiveerde dat de verklaringen op hoofdlijnen overeenkwamen en steun vonden in andere bewijsmiddelen zoals verklaringen van de verdachte, politieverslagen, camerabeelden en DNA-onderzoek. Het hof stelde dat de verdachte actief betrokken was door het besturen van de auto tijdens de mishandeling, het niet toestaan van uitstappen, instemming met de mishandeling en het opleggen van schoonmaak van bloedvlekken.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze waardering van het bewijs niet onbegrijpelijk had gemaakt en dat het oordeel over medeplegen toereikend was gemotiveerd. Ook werd de toewijzing van een immateriële schadevergoeding van €7.500 aan het slachtoffer bevestigd, waarbij het hof aannam dat de ernst van de normschending en de gevolgen voor het slachtoffer een aantasting in de persoon opleverden zonder dat verdere concrete onderbouwing vereist was.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, inclusief de strafoplegging en schadevergoeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd, met strafoplegging en toewijzing van immateriële schadevergoeding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01994
Zitting11 april 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 6 mei 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 primair “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”, onder 2 primair “medeplegen van mishandeling”, onder 3 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en onder 4 “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 316 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft het hof beslist over inbeslaggenomen voorwerpen en over de vordering van de benadeelde partij.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt dat het hof niet goed heeft gereageerd op een verweer over de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [slachtoffer] en [betrokkene 1] , die het hof heeft gebruikt voor het bewijs van feit 1 en 2. [1]
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair en onder 2 primair bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij op 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer] - die zich op straat bevond - onder bedreiging van een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp - vast te grijpen en een auto in te trekken en gedurende enige tijd met die [slachtoffer] in die auto rond te rijden (waarbij die [slachtoffer] werd mishandeld), waarna die [slachtoffer] uiteindelijk die auto werd uitgezet;
2. primair
hij op 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meerdere malen met een van zijn/hun handen/vuisten en met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp in het gezicht te slaan en die [slachtoffer] een kopstoot in het gezicht te geven (waardoor die [slachtoffer] een gebroken neus opliep)”.
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 juli 2019.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 18 februari 2019 in Zaandam bestuurder ben geweest van een witte Mercedes A-klasse. Dit is mijn auto. Ik heb die dag inderdaad een gewond persoon afgezet bij McDonalds in Zaandam. Dit was vlakbij het ziekenhuis. Er zat nog iemand in mijn auto. Wij kwamen in totaal met drie personen aan bij McDonalds.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2019032331-1 van 19 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 66 tot en met 70].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 februari 2019 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[slachtoffer]:
Plaats delict: [a-straat] , [plaats] ,
Pleegdatum/tijd: 18 februari 2019 tussen 19:30 en 20:00 uur.
Ik stond met [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) voor zijn deur, wij stonden gewoon te praten en ineens kwam een auto voorbij. Hij reed heel snel. Op een gegeven stapten twee mensen uit de auto. De man met het pistool rende achter mij aan. Toen sloeg hij mij. Hij sloeg mij eerst met zijn pistool en daarna met zijn handen. Ik viel op de grond en hij sloeg mij met een pistool op mijn gezicht. Hij trok mij mee de auto in. De auto was een witte Mercedes A-klasse. In de auto reden zij rondjes op de [brug] . Ze stopten ergens. Er kwam een derde man bij en die vroeg waar mijn vriend was. Ze sloegen mij. Ze gingen weer rijden. De bestuurder was een Nederlandse man, tussen de 20 a 25 jaar oud. Hij was heel blank. Blond, oranje kort geschoren haar. Ik heb ze gevraagd om mij los te laten en mij naar huis te laten gaan. Ik werd aan alle kanten geslagen. Ik zat in de auto links achterin achter de bestuurder en hij zat rechts van mijn. Toen wij op de [brug] waren, stopten zij op een parkeerplaats. De man die rechts van mij zat gaf het pistool aan een man die buiten de auto stond en die handschoenen met knokkels aanhad. Ik zag hem weglopen naar een andere auto. Nadat de man het pistool had weggebracht kwam hij aan de rechterkant naast mij instappen, nadat de andere Marokkaanse man was uitgestapt. Hij begon mij ook te slaan. Hij droeg een grijs pak. Hij gaf mij zoveel kopstoten op mijn neus. Ik heb denk ik tussen de 20 a 30 minuten in de auto gezeten. Ik ben bij McDonalds afgezet, waarop ik naar het ziekenhuis ben gegaan.
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019032331-3 van 20 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 76-77].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 februari 2019 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
[slachtoffer]:
De bestuurder was boos dat er bloed op de bekleding was gekomen. De bestuurder vroeg aan mij of ik geld bij mij had zodat de bekleding gestoomd kon worden. Ik had geen geld. De bestuurder gaf mij toen een KFC handdoekje waarmee ik moest schoonmaken. Hierna mocht ik weglopen.
4. De verklaring van [slachtoffer] , afgelegd op 2 december 2020 als getuige tegenover de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit hof.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[verdachte] heeft mij bedreigd met woorden. Hij zei dat hij me dood zou maken, “we gaan een bom in je huis zetten”. Er werd over de dood gesproken. Hij zei ook: “Elk boontje heeft zijn loontje”. Dat zei hij tegen mij toen ik in de auto zat. Hij draaide zich om. Dat was tijdens het rijden. Hij draaide zich dus niet de hele tijd om. Hij sprak ook tegen mij terwijl hij zich niet omdraaide.
5. Een geschrift, zijnde een letselverklaring van Zaans Medisch Centrum, opgemaakt door [betrokkene 2] , privacyfunctionaris, betreffende [slachtoffer] van 28 februari 2019 [doorgenummerde pagina 75].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
De letsels van [slachtoffer] waren als volgt:
Fractuur neus (gebroken neus).
6. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2019032262-1 van 18 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 78 tot en met 81].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 februari 2019 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[betrokkene 1]:
Vanavond, maandag 18 februari 2019 stond ik voor de deur van mijn woning op de [a-straat 1] in [plaats] . Ik stond daar samen met een vriend van mij, [slachtoffer] . Opeens stopte er een Mercedes A klasse, kleur wit met zwarte velgen. Ze reden eerst langs, ze kwamen met een hele hoge snelheid aan. Ze kwamen echt met slippende banden aan. Ik denk dat ze ons al langer in het zicht hadden. Ik weet zeker dat er drie personen in de auto zaten.
7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2019032262-A-Mc van 25 februari 2019, met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 94 tot en met 105].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaring van
voornoemde verbalisant:
Betreft: PV analyse beelden McDonalds te Zaandam.
Op 18 februari 2019 is het volgende te zien:
20:35:44 uur Vanuit de hoofdingang van de McDonalds is te zien dat een witte Mercedes, A-klasse met panorama dak de parkeerplaats op komt rijden.
20:35:52 uur Een persoon stapt vanuit de achter passagierszijde uit het voertuig (NN1).
20:35:58 uur Vanuit de achter passagierszijde achter de bestuurder komt een persoon uit het voertuig en gaat bij de donker geklede man staan naast het voertuig. Aan de kleding te zien komt deze overeen met de kleding die slachtoffer [slachtoffer] droeg in het ziekenhuis.
20:36:01 Vanuit de bestuurderskant komt een persoon uit het voertuig die via de achterkant naar de andere twee personen loopt. De bestuurder lijkt een blank postuur te hebben met opgeschoren haar. De bestuurder loopt naar de achterportier waar de persoon in de donkere kleding was uitgestapt en opent het portier.
20:36:20 Nadat de personen achter het voertuig kennelijk hebben staan praten gaat het vermoedelijke slachtoffer het voertuig in. NN1 en NN2 blijven buiten het voertuig staan.
20:38:26 uur Het vermoedelijke slachtoffer loopt bij het voertuig weg de parkeerplaats over in de richting van het Zaans Medisch Centrum.
Ik zag dat uiterlijke kenmerken, kleur wit, vijf spaaks velgen, type voertuig, donkere sunroof van de inbeslaggenomen Mercedes van het type A-klasse, overeen kwamen met de beelden bij de McDonalds met de witte Mercedes.
8. Een geschrift, zijnde een rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een maatwerkonderzoek gepleegd in Zaandam op 18 februari 2019 van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door ing. S. Redeker van 22 maart 2019 [doorgenummerde pagina’s 140-143].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek
SIN en
omschrijving
Code
Beschrijving
DNA-profiel
Celmateriaal kan afkomstig zijn van
Matchkans
AAKI7619NL#01 Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
Kleiner dan één op één miljard
AAKI7620NL#01 Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
Kleiner dan één op één miljard
AAKI7621NL#01 Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
Kleiner dan één op één miljard
AAKI7622NL#01 Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
Kleiner dan één op één miljard
AAKI7623NL#01 Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
Kleiner dan één op één miljard
AAKI7624NL#01 Bloed
Ja1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer] (zie ‘DNA-databank’)
Kleiner dan één op één miljard
Tabel 2 Overzicht opgenomen en vergeleken DNA-profielen
SIN
Datum opname
Celmateriaal kan afkomstig zijn van
DNA-profielcluster
AAKI7624NL#01
20-03-2019
[slachtoffer] (zie ‘Aandachtspunt bij een DNA-databankmatch’)
45539
2.4
De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 22 april 2021 het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):

Feit 1: medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving & feit 2: medeplegen van mishandeling
3. Om de feiten enige duiding te geven start ik met wat achtergrondinformatie. [verdachte] is letterlijk klein van stuk en is een vriendelijke, hardwerkende jongen die in Zaandam graag gezien wordt. Hij is trots op zijn auto en om dit te tonen laat [verdachte] iedereen met hem meerijden: vrienden, bekenden en vage kennissen.
Vaststelling van de feiten volgens [verdachte] :
4. Daar zit gelijk een belangrijke sleutel in deze zaak. [verdachte] laat iedereen in zijn auto meerijden als een defacto taxichauffeur. Zo ook 18 februari 2019. Zoals bij de politie verklaard zijn kennissen, [betrokkene 3] en [betrokkene 4] toevallig bij hem ingestapt om een rondje te rijden en is [verdachte] gestopt op hun verzoek in de […] . [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn plotseling uitgestapt (hetgeen wordt bevestigd door de aangever zie alinea 7) en [verdachte] is alleen in de auto achtergebleven om een sigaretje te roken. Wat zich buiten de auto heeft afgespeeld is voor [verdachte] derhalve een raadsel.
5. Plotseling verschijnt er een onbekende jongen met bebloed gezicht voor zijn auto. De jongen verzoekt [verdachte] om hem naar het ziekenhuis te brengen nu hij bij een vechtpartij klappen op zijn hoofd had gekregen. [verdachte] heeft dit verzoek ingewilligd en nadat de aanvankelijk inzittende ook zijn ingestapt heeft hij gang gezet richting het ziekenhuis. Tijdens de autorit heeft [verdachte] geen geweld waargenomen en heeft hij zich afzijdig, gehouden van het gesprek nu aangever en de inzittende in luid Arabisch met elkaar hebben gesproken. Ook dat wordt door aangever bevestigd. Aangekomen in de nabijheid van het ziekenhuis mist [verdachte] de juiste afslag en heeft hij [slachtoffer] om die reden op steenworp afstand van het ziekenhuis bij de McDonalds afgezet.
Feitcomplex volgens aangevers [slachtoffer] en [betrokkene 1] :
6. Aangevers [betrokkene 1] en [slachtoffer] verklaren anders. Kortgezegd vallen de verklaringen van aangevers onder te verdelen in 3 verschillende onderdelen. 1) Wat er gebeurd is buiten de auto, 2) de route die met de auto is afgelegd en 3) wat er achterin de auto is gebeurd.
Buiten de auto:
7. Zowel tijdens de aangifte bij de politie als bij de RHC stelt [slachtoffer] dat hij door een persoon met een vuurwapen is bedreigd. [slachtoffer] verklaart in zijn aangifte: “
Ik zag een voertuig langsrijden dat opeens stopte en dat er twee mannen uitstapte. Iedereen begon te rennen dus ik rende ook weg. Ik voelde dat de man die een pistool had mij vastpakte en richting de auto sleurde.”
8. Wat opvalt is dat [slachtoffer] in een tweede verklaring bij de politie stelt al buiten de auto geslagen, zowel met blote handen als met een pistool. Bij de RHC verklaart dat hij buiten de auto “
met flinke vuisten” is geslagen. In drie verklaringen verklaart [slachtoffer] dus drie keer anders, eerst is er geen geweld buiten de auto, daarna geweld door slaan met een pistool en blote handen en in een derde verklaring enkel met flinke vuisten.
9. En ook over de wijze van instappen verklaart [slachtoffer] tegenstrijdig. In zijn verklaringen bij de politie verklaart hij dat hij de auto is ingesleurd, maar zijn verklaring bij de RHC wijst eerder op vrijwillig instappen. Daar verklaart hij immers dat het:
”in mijn beleving was het zo dat als ik bang werd en gelijk mee zou werken en in de auto ging zitten.”Dat is ook hoe [verdachte] het heeft beleefd, de jonen ging zelf in de auto zitten en vroeg zelf om een lift. Wederom een belangrijke innerlijke tegenstrijdigheid in de verklaringen van [slachtoffer] . Met als reden voor de aandikkingen om meer en meer in de schoenen te kunnen schuiven van personen waarmee hij kennelijk oorlog voert. Ik kom daar zo op terug.
10. Mede aangever en vriend van [slachtoffer] [betrokkene 1] verklaart dat er een auto stopte, dat [betrokkene 5] uit de auto stapte en hij door [betrokkene 5] werd gevolgd terwijl [betrokkene 5] een pistool op [betrokkene 1] richtte. [betrokkene 1] verklaart dat hij vervolgens een harde knal hoorde waaruit hij concludeerde dat er op hem geschoten zou zijn. Op vragen van ondergetekende verklaart [betrokkene 1] dat de bestuurder niet is uitgestapt dus hij niet weet wie dit was, maar dat [slachtoffer] hem heeft verteld dat [verdachte] de bestuurder van de auto was. De verklaring van [betrokkene 1] vertoont een aantal aantoonbare onwaarheden. Allereerst blijkt onomstotelijk vast te staan dat er helemaal niet is geschoten. Maar ook over de bestuurder van de auto verklaart [betrokkene 1] aantoonbaar onwaar. [slachtoffer] wist immers niet wie de bestuurder was, het is dan ook onmogelijk dat hij [betrokkene 1] zou hebben verteld dat [verdachte] de bestuurder van de auto was. [betrokkene 1] gaat ver in het belasten van [betrokkene 5] en neemt daarin de waarheid niet zo nauw. Wat is er beter dan hem een poging moord in de schoenen te schuiven als je iemand kwaad wil doen. Deze aantoonbare onwaarheden raken de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] .
De route:
11. Dan het tweede onderdeel van de aangifte, de route die zou zijn gereden. In de tweede aangifte bij de politie verklaart [slachtoffer] dat er rondjes zijn gereden in de wijk [brug] en er vervolgens werd gestopt om een derde persoon in te laten stappen.
12. Deze aangifte is direct tegenstrijdig aan zijn verklaring bij de RHC. Bij de RHC verklaart [slachtoffer] immers niet over een stop bij een persoon die is ingestapt, maar verklaart hij dat er is gestopt bij de woning van [betrokkene 5] omdat hij excuses moest maken aan de zoon van [betrokkene 5] . Een verklaring die in alle drie verklaringen bij de politie in het geheel niet terugkomt en daarom direct tegenstrijdig is aan zijn eerdere aangiftes. Door op deze manier over de route te verklaren kan hij ook de zoon van [betrokkene 5] belasten. Zoals ik al zei de familie [betrokkene 5] moet koste wat het kost beschuldigd worden, ook als dat betekent dat de route afwijkt in zijn verklaring van de daadwerkelijk gereden route. Dat raakt de betrouwbaarheid van [slachtoffer] , waardoor onmogelijk op grond van de aangiften en verklaring van [slachtoffer] van de volgens hem gereden route kan worden uitgegaan.
Gebeurtenissen in de auto:
13. [slachtoffer] verklaart tegenstrijdig over wat er precies is gebeurd in die auto. In zijn eerste en tweede aangifte verklaart [slachtoffer] in de auto meerdere malen hard geslagen te zijn en hij geen tijd kreeg om antwoord te geven op vragen omdat hij dan weer een klap of kopstoot kreeg. Bij de RHC verklaart [slachtoffer] echter totaal tegengesteld. Daar suggereert [slachtoffer] dat hij in de auto heeft gepraat met de inzittenden. Daarbij is volgens [slachtoffer] ”zeker Arabisch gesproken.”
14. En ook gevraagd naar de bestuurder van de auto verklaart [slachtoffer] tegenstrijdig. In zijn aangifte bij de politie verklaart hij, en ik citeer: “
Een Nederlandse man, blond, oranje kortgeschoren haar, ik heb zijn gezicht niet gezien.”Maar in zijn verklaring bij de RHC zegt [slachtoffer] : ”
[verdachte] draaide zich af en toe om. Ik herinner zijn gezicht tot op de dag van vandaag. Als ik zijn gezicht niet had gezien had ik hem bij de politie ook niet kunnen beschrijven.”Daar gaat [slachtoffer] er kennelijk aan voorbij dat hij het gezicht van [verdachte] bij de politie niet heeft beschreven. Dat krijg je als je niet conform de waarheid verklaart, een leugen is immers moeilijker te onthouden. [slachtoffer] schroomt niet om waarnemingen te verdraaien en zelf in te vullen.
15. In ieder geval staat vast dat [slachtoffer] innerlijk tegenstrijdig over de gebeurtenissen in de auto. Daarbij vult hij cruciale informatie zelf in. Notabene informatie waarover hij eerder heeft verklaard dit niet te hebben waargenomen. Het gaat derhalve niet om tegenstrijdigheden en eigen invulling op luttele details. Nee, het gaat om cruciale elementen zoals de identiteit van de bestuurder, wat hij zelf heeft waargenomen en wat er daadwerkelijk in de auto is gebeurd.
Tussenconclusie ten aanzien van verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] :
16. Conclusie: [slachtoffer] verklaart op cruciale onderdelen innerlijk tegenstrijdig en tegenstrijdig met eerdere verklaringen, over waar het geweld is toegepast, over de gereden route en over waar [slachtoffer] in de auto heeft gezeten. [slachtoffer] verklaart zelfs tegenstrijdig over waar er onderweg gestopt, wat er in de auto is gebeurd en of hij de bestuurder in het gezicht heeft gezien. Met als doel om [betrokkene 5] en familie of kennisen zoveel mogelijk te belasten ook als dat ten koste van de waarheid gaat. Zoveel tegenstrijdigheden en eigen invulling op cruciale onderdelen en zijn belang om hen in een kwaad daglicht te stellen raakt de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] in vergaande mate.
(…)
Onbetrouwbare verklaring aangevers:
29. Dat aangevers verklaren dat er sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet betrouwbaar. Niet alleen omdat de verklaringen van aangevers zoals uitgebreid uiteengezet innerlijk tegenstrijdig zijn, en tegenstrijdig met andere door hun afgelegde verklaringen, maar ook omdat de verklaringen geen enkele steun vinden in objectief bewijs. Zo komt de bedreiging met - of überhaupt de aanwezigheid van - een vuurwapen enkel uit de koker van aangevers. Verder zijn er geen getuigen die verklaren over de aanwezigheid van een vuurwapen. De verklaring van [betrokkene 6] bij de politie in het dossier is immers niet ondertekend en bij de RHC betwist [betrokkene 6] met klem dat hij een vuurwapen of pistool heeft gezien. Ook betwist [betrokkene 6] dat hij dit ooit bij de politie heeft verklaard. Derhalve dient enkel uitgegaan te worden van de verklaring van [betrokkene 6] bij de RHC en kan zijn verklaring bij de politie niet tot het bewijs worden gebruikt. Derhalve kan niet anders dan worden geconcludeerd dat er geen vuurwapen was.
30. Bovendien hebben aangevers een motief om zaken later in te vullen, te vergroten en niet naar waarheid te verklaren zoals genoemd. [slachtoffer] is een atypisch slachtoffer, hetgeen zijn betrouwbaarheid raakt nu hij er alles aan doet om ons te doen geloven dat hij een slachtoffer is. In zijn verklaring bij de RHC geeft [slachtoffer] aan dat hij het moeilijk vindt om over de feiten te praten vanwege herbeleving. Maar zo onschuldig en kwetsbaar als [slachtoffer] zich bij de RHC opstelt is hij allerminst.
31. [slachtoffer] en [betrokkene 1] zijn immers al veel langer agressor in een conflict met de zoon van [betrokkene 5] . Er liggen dan ook meerdere aangiftes van zware geweldsincidenten en bedreigingen waarin [slachtoffer] en [betrokkene 1] een hoofdrol spelen (zie bijlagen), daar rept [slachtoffer] met geen woord over.
32. [slachtoffer] zaait samen met [betrokkene 1] en zijn broer angst en verderf binnen de familie [betrokkene 5] en omstanders, buren en kennissen. Zo heeft [verdachte] al aangifte gedaan van bedreiging (zie bijlage) maar ook [betrokkene 5] bijv wordt op agressieve wijze bejegend. Geweld wordt niet geschuwd en dat gebeurt nu al langere tijd. Want waar [betrokkene 1] bij de RHC ai verklaart over een conflict met [betrokkene 5] uit 2018 sleept het nog steeds voort. De aan de pleitnota gevoegde aangifte van [betrokkene 5] geeft een ronduit bizarre inkijk in de wereld van [betrokkene 1] en [slachtoffer] . Waar [betrokkene 5] in het verleden zonder enige aanwijsbare reden een vuurwapen in zijn nek gedrukt kreeg is hij onlangs bedreigd terwijl [betrokkene 1] en zijn broer hem toevalligerwijs tegenkwamen bij een verkeerslicht. En niet zomaar, bedreigd met de dood, en daar bovenop wordt ook vader [betrokkene 5] met de dood bedreigd.
33. Zelfs het toevallig langsrijden van de politie lijkt [betrokkene 1] , zijn broer en [slachtoffer] niet te stoppen. Want waar zij zich dan even uit de voeten maken, verschijnen zij enkele momenten later, meer nog in het bezit van een vuurwapen in de straat van [betrokkene 5] . En ook daar was [slachtoffer] bij betrokken. Wat ze daar deden? Dat laat zich raden. Het kan immers geen toeval zijn dat je een jongen woordelijk met de dood bedreigd en momenten later in het bezit van een vuurwapen gedurende langere tijd ophoudt in een straat waar die jongen woonachtig is. [betrokkene 1] zit hiervoor thans nog steeds in voorlopige hechtenis.
34. Het station straatschoffie of jeugdige onbezonnenheid is voor de kwalificatie aangevers al lang gepasseerd. Aangevers zaaien angst en maken zich schuldig aan zware criminaliteit waarbij zij meedogenloos en niets ontziend te werk gaan. Dealen, bedreigingen, zwaar geweld en zelfs het bezit van vuurwapens wordt daarbij niet geschroomd. Dat past een zogenaamd slachtoffer niet.
35. Van die onschuldige jongen blijft dus niet veel meer over. Bovendien lijkt juist dat conflict het motief voor [slachtoffer] leugenachtig te verklaren, gebeurtenissen later in te vullen en de waarheid te vergroten om zo [betrokkene 5] en al zijn vrienden en bekenden in een slecht daglicht te stellen. Meer nog, om [betrokkene 5] en zijn vrienden achter de tralies te krijgen.
36. Dat raakt de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . Maar dat brengt ook mee dat de verklaring van [verdachte] dat hij direct richting het ziekenhuis is gereden en dat er in de auto geen geweld is gebruikt niet per definitie onwaar is. Bij gebrek aan een betrouwbaar ander scenario kan de verklaring van [verdachte] immers niét zonder meer terzijde geschoven worden.
Rechtbank Haarlem: verklaring [slachtoffer] en [betrokkene 1] onvoldoende betrouwbaar
37. Die betrouwbaarheidsproblemen ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 1] en [slachtoffer] zijn ook door de rechtbank Haarlem gesignaleerd. In de strafzaak jegens [betrokkene 5] maakt de rechtbank Haarlem (zie bijlage) korte metten met de verklaringen van aangevers. De rechtbank constateert dat de verklaringen van [slachtoffer] bij de RHC niet overeenkomen met zijn verklaringen daags na het incident en concludeert dat de aangevers de feiten en omstandigheden zijn gaan invullen zodat hun verklaringen beter op elkaar aansluiten.
38. Eigen invulling en het afstemmen van de verklaringen leidt ertoe dat de verklaringen niet meer getoetst kunnen worden, hetgeen evidente betrouwbaarheidsproblemen met zich meebrengt. De rechtbank concludeerde dan ook dat de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] niet tot het bewijs ter zake het plegen door [betrokkene 5] van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling kunnen worden gebruikt.
39. Het kan niet zo zijn dat dezelfde verklaring in de ene zaak als onvoldoende wordt gekwalificeerd en in de andere zaak als belastend bewijs kan worden gebruikt. Een onbetrouwbare verklaring kan en mag in het Nederlandse rechtsbestel niet tot het bewijs worden gebezigd.
Conclusie: bewijsuitsluiting wegens betrouwbaarheidsproblemen
40. Om die reden kom ik maar tot een mogelijke conclusie: De aangiftes en verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] worden geraakt vanwege voornoemde betrouwbaarheidsproblemen in hun bewijswaarde en is de verklaring van [verdachte] og hun verklaringen niet perse onwaar ook niet tav zijn rol.
41. Zonder die verklaringen resteren enkel de feiten voorafgaand en na afloop die onvoldoende zijn voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en ook onvoldoende voor medeplegen van mishandeling door [verdachte] . Ik verzoek u dan ook het vonnis in eerste aanleg te vernietigen en [verdachte] vrij te spreken van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde.”
2.5
Het hof heeft over de betrouwbaarheid van de verklaringen het volgende overwogen:
“Door de verdediging is bepleit dat de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] voor het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat deze verklaringen niet betrouwbaar zouden zijn, aangezien de verklaringen op een aantal punten (innerlijk) tegenstrijdig zijn en kennelijk zijn afgelegd om de familie [betrokkene 5] in een kwaad daglicht te stellen.
Het hof gaat aan dit verweer voorbij en zal de genoemde verklaringen – met passering van het door de verdachte geschetste en door het hof als ongeloofwaardig beschouwde alternatieve scenario dat hij de aangever slechts op zijn eigen verzoek naar het ziekenhuis heeft gebracht en dat daarbij van vrijheidsberoving en mishandeling geen sprake is geweest – voor het bewijs gebruiken. Het hof acht de verklaringen wel degelijk betrouwbaar, nu de verklaringen uitgebreid en gedetailleerd zijn, op hoofdlijnen steeds overeen komen en in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de verklaringen slechts zouden zijn afgelegd om anderen in een kwaad daglicht te stellen. In dit verband heeft de verdediging naar het oordeel van het hof ook niet aannemelijk kunnen maken dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] een goede reden zouden hebben om de verdachte met hun verklaringen te belasten.”
2.6
In de schriftuur wordt aangevoerd dat deze overwegingen van het hof onbegrijpelijk zijn in het licht van het gevoerde verweer. Uit het verweer zou immers blijken dat (i) de verklaringen op hoofdlijnen juist niet overeenkomen, (ii) de verklaringen juist geen steun vinden in de andere bewijsmiddelen en (iii) de rechtbank Haarlem de verklaringen eerder onbetrouwbaar heeft geoordeeld.
2.7
Met betrekking tot het onder (i) en (ii) weergegeven onderdeel wordt in de schriftuur terecht vooropgesteld dat de feitenrechter beslist welk bewijsmateriaal hij wel en niet betrouwbaar vindt en dat hij deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet hoeft te motiveren, tenzij de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. [2] In deze zaak is door de verdediging zo’n standpunt ingenomen. Het hof heeft vervolgens uitgelegd waarom het de verklaringen wel betrouwbaar heeft geacht: volgens het hof zijn de verklaringen uitgebreid en gedetailleerd, komen ze op hoofdlijnen overeen en vinden ze voldoende steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Het hof heeft ook niet aannemelijk geacht dat de verklaringen slechts zouden zijn afgelegd om anderen in een kwaad daglicht te stellen. Deze oordelen van het hof zijn feitelijke oordelen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal. De oordelen acht ik ook niet onbegrijpelijk. De verklaringen komen inderdaad op hoofdlijnen overeen – gelet op de onderdelen van de verklaringen die de bewezenverklaring schragen – en vinden steun in bewijsmiddel 1, 7 en 8. Voor het overige kan het oordeel van het hof in cassatie niet worden getoetst. Daarmee faalt de klacht voor zover zij ziet op de onder (i) en (ii) weergegeven onderdelen.
2.8
Met betrekking tot het onder (iii) weergegeven onderdeel, dat inhoudt dat de rechtbank Haarlem de verklaringen eerder onbetrouwbaar heeft geoordeeld, kan worden opgemerkt dat dat oordeel van die rechtbank in een andere zaak niet kan afdoen aan het oordeel van het hof in de onderhavige zaak. Alleen al daarom faalt ook het onder (iii) weergegeven onderdeel van de klacht.
2.9
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van medeplegen van mishandeling ontoereikend is gemotiveerd, mede gelet op een verweer van de verdediging daarover.
3.2
De bewezenverklaring en bewijsmiddelen zijn hiervoor opgenomen onder 2.2 en 2.3.
3.3
De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 22 april 2021 het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):

Meer subsidiair: rol van cliënt onvoldoende voor medeplegen
45. Maar zelfs als uw Hof de belastende verklaring van de aangevers wel volgt is het de vraag hoe de gedragingen van [verdachte] gekwalificeerd dienen te worden.
46. Voor de kwalificatie medeplegen is de welbekende nauwe en bewuste samenwerking vereist waarbij de verdachte een significantie bijdrage moet hebben geleverd. En dan vraag ik mij hardop af hoe de rol van een chauffeur beoordeeld moet worden als de chauffeur oprecht van niets weet. Onderhavige situatie valt te vergelijken met een taxichauffeur die een persoon afzet bij een woning, gevraagd wordt om even te blijven wachten, en deze klant na zo’n 10 minuten met een jongen met bebloed gezicht terugkomt, en de chauffeur verzoekt om naar het ziekenhuis te rijden. Zelfs als de jongen in de auto dan een klap zou krijgen van de klant, zou de taxichauffeur dan worden aangehouden en vervolgd? Ik meen van niet, daar is meer voor nodig. Dat zou anders zijn als de chauffeur onderdeel zou zijn van een conflict of vooropgezet plan, maar daar is in onderhavige situatie geen sprake van.
Geen opzet, geen onderdeel van het plan en gedragingen niet voldoende voor medeplegen
47. Zonder onderdeel uit te maken van het conflict of vooropgezet plan kan op grond van het dossier niet worden bewezen dat [verdachte] opzet heeft gehad op de hem verweten feiten. Er is geen enkele omstandigheid waaruit volgt dat [verdachte] geweten heeft van een conflict of vooropgezet plan tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en aangevers. Dat aangevers kwaad bloed zetten en geweld niet schuwen sluit niet uit dat de jongens zich in meerdere coflicten bevinden. Echter niet een waar [verdachte] in voorkomt of weteschap van heeft. Meer nog, het dossier geeft niet eens blijk van dat [verdachte] door zijn handelingen een bijdrage heeft geleverd aan de eventuele vrijheidsberoving en/of mishandeling.
48. Zeker nu de rechtbank Haarlem meent dat de plegers van de vrijheidsberoving en de mishandeling onbekend zijn kan niet worden bewezen dat [verdachte] ook maar op enige wijze (vooraf) al betrokken was. Laat staan dat vast komt te staan dat [verdachte] aantoonbaar onderdeel is van het plan. Onbekendheid van de plegers hoeft in algemene zin niet te leiden tot niet betrokkenheid van een verdachte, maar daar is in casu gelet op de heersende jurisprudentie wel sprake van volgens de verdediging.
49. De rechtbank Amsterdam heeft in een vonnis uit 2019 uitgebreid overwogen dat als de verdachte geen actieve rol heeft gehad bij het plannen van de ontvoering, de rol tijdens de uitvoering als substantieel moet worden omschreven om tot medeplegen te komen, en niet slechts ondersteunend mag zijn. Het gaat daarbij alleen om wat de verdachte heeft gedaan en niet wat hij wist, zo overwoog de rechtbank. Er moet dus een daadwerkelijke en substantiële handeling worden verricht.
50. Dat [verdachte] doelbewust rondjes heeft gereden en op die manier bewust heeft bijgedragen aan de vrijheidsberoving volgt niet uit het dossier. Niet alleen omdat [slachtoffer] tegenstrijdig over de route verklaart, maar ook omdat de tijdlijn simpelweg niet toelaat dat er onnodig lang rondjes zijn gereden. Tussen de melding en het verschijnen bij de McDonalds zit immers maar 20 minuten. Uit Google Maps blijkt dat de rit naar de McDonalds minimaal 12 minuten duurt. Tel daar wat verkeerslichten en drukte bij op en er is geen ruimte geweest voor het rondjes rijden wat [verdachte] wordt tegengeworpen.
51. En in tegenstelling tot het vonnis van de rechtbank meent de verdediging dat ook het niet distantiëren hem niet tegen kan worden geworpen. Niet alleen omdat [verdachte] geen wetenschap had van de vrijheidsberoving en zich om die reden niet kon terugtrekken, maar ook omdat de Hoge Raad heeft bepaald dat het niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt.
52. In een vergelijkbare zaak als onderhavige waarin de verdachte de eigenaar was van de auto en in die auto zat op het moment dat de aangever in de auto werd "gezet” heeft het Gerechtshof Arnhem in 2011 overwogen dat: “
Uit het dossier niet blijkt dat de verdachte vóórdat aangever werd gedwongen in zijn auto plaats te nemen kennis had van het voornemen om aangever van zijn vrijheid te beroven. {…} Het louter aanwezig zijn bij en het niet distantiëren van de wederrechtelijke vrijheidsberoving onvoldoende is om te spreken van medeplegen, dan wel medeplichtigheid.’De verdachte is om die reden vrijgesproken.
53. Uit de gedragingen van [verdachte] valt derhalve niet af te leiden dat hij opzet heeft gehad op het onder feit 1 of 2 tenlastegelegde. In dat kader wijs ik uw hof op een mooi en recent arrest van het Hof Den Haag.
54. Dit arrest heeft betrekking op een omvangrijke zaak waarbij de verdachte werd verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving door het slachtoffer van een parkeerplaats naar een woning te vervoeren. Het hof constateert dat de verdachte wist dat er geweld zou worden gebruikt, dat hij de zoektocht naar het slachtoffer heeft geleid en daarom een niet te onderschatten rol heeft gehad in de gebeurtenissen.
55. Het hof is echter van oordeel dat met voornoemde vaststellingen niet blijkt dat verdachte moet hebben geweten dat het slachtoffer tegen zijn wil is meegegaan naar de woning. Dat verdachte wist dat er geweld gebruikt zou worden en het slachtoffer bang was ten tijde van het instappen is onvoldoende om een nauwe en bewuste samenwerking aan te nemen ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dat verdachte geen poging heeft ondernomen om het slachtoffer te bevrijden en de politie niet heeft ingeschakeld is onvoldoende voor een voor medeplegen voldoende gewichtige bijdrage, zo oordeelde het hof. De verdachte werd vrijgesproken wegens een gebrek aan wetenschap vooraf en een significante bijdrage tijdens de vrijheidsberoving.
56. Toegepast op onderhavig dossier moet dat tot eenzelfde conclusie leiden. Ook hier kan de wetenschap voorafgaand aan het instappen niet worden vastgesteld en volgt de significante bijdrage van [verdachte] niet uit het dossier.
57. En ten aanzien van de significante bijdrage heeft ook uw Hof in 2017 overwogen dat voor een bewezenverklaring met een vereiste mate van zekerheid moet worden vastgesteld dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan de vrijheidsberoving.
58. En juist die significante bijdrage ontbreekt geheel. Met zijn gedragingen, te weten het rijden naar het ziekenhuis, heeft [verdachte]
geensubstantiële bijdrage heeft geleverd aan de vrijheidsberoving en/of het geweld. De bijdrage van [verdachte] onvoldoende substantieel om te spreken van medeplegen. Sterker nog, [verdachte] heeft met zijn handelen er juist voor gezorgd dat de situatie is geëindigd door naar het ziekenhuis te rijden. Wat had hij anders kunnen en moeten doen? De auto stopzetten? Het is maar de vraag wat er dan was gebeurd. Het enige juiste om te doen was om [slachtoffer] naar het ziekenhuis te brengen. Hetgeen [verdachte] dus ook daadwerkelijk heeft gedaan. Die gedragingen laten zich onmogelijk kwalificeren als medeplegen. Niet bij de vrijheidsberoving en niet bij het geweld.
59. Ik verzoek uw hof dan ook om het vonnis te vernietigen en [verdachte] vrij te spreken van het onder feit 1 en 2 primair tenlastegelegde.”
3.4
Het hof heeft over het medeplegen van feit 1 primair en 2 primair het volgende overwogen:
“Door de verdediging is betoogd dat ook als wordt uitgegaan van de verklaring van [slachtoffer] het dossier nog steeds onvoldoende bewijs bevat om de verdachte als medepleger van de feiten 1 primair en 2 primair te kunnen aanmerken.
Ook dit verweer verwerpt het hof. Het hof acht voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om de verdachte voor beide feiten als medepleger aan te merken. Ten aanzien van feit 1 is de verdachte als bestuurder van de auto opgetreden waarin het slachtoffer gedurende langere tijd tegen zijn wil van zijn vrijheid is beroofd geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte actief betrokken is geweest bij die vrijheidsberoving, niet alleen door het slachtoffer in de auto te vervoeren, terwijl hij mishandeld werd en niet te stoppen om het slachtoffer de gelegenheid te geven uit te stappen, maar ook door gedurende de rit verschillende keren kenbaar te maken dat hij instemde met hetgeen er in zijn auto met het slachtoffer gebeurde. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens, kennelijk als voorwaarde voor zijn invrijheidsstelling, opgedragen om de bloedvlekken in de auto ontstaan door de mishandeling schoon te maken. Pas hierna mocht het slachtoffer zich naar het ziekenhuis begeven. Het hof merkt de verdachte mede gelet op het vorenstaande ook aan als medepleger van feit 2 primair. Hoewel de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen ten aanzien van dit feit heeft gepleegd, heeft hij dit feit in belangrijke mate gefaciliteerd en ermee ingestemd, dusdanig dat gesproken kan worden van nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten van de mishandeling.”
3.5
Het middel is allereerst gericht op het oordeel van het hof dat de verdachte het feit in zodanig belangrijke mate heeft gefaciliteerd en ermee heeft ingestemd dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. In de schriftuur wordt aangevoerd dat ‘faciliteren’ eerder is aan te merken als een medeplichtigheidshandeling (daarin komt tot uitdrukking dat het door anderen gepleegde misdrijf is bevorderd en vergemakkelijkt) en dat ook ‘instemming’ op zichzelf niet bijdraagt aan de conclusie dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking maar eerder ziet op het vereiste opzet. Het hof had daarom nader moeten motiveren waarom deze gedragingen toch medeplegen opleveren. Daarnaast wordt in de schriftuur aangevoerd dat het hof heeft miskend dat de verdachte aan het delict een materiële of immateriële bijdrage van voldoende gewicht moet hebben geleverd. Die bijdrage zou uit de door het hof vastgestelde feiten niet volgen.
3.6
Naar mijn oordeel faalt het middel. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte (i) de auto heeft bestuurd waarin het slachtoffer langere tijd van zijn vrijheid is beroofd en werd mishandeld, (ii) de auto niet heeft gestopt om het slachtoffer uit te laten stappen, (iii) tijdens de rit verschillende keren kenbaar heeft gemaakt dat hij instemde met wat er in zijn auto met het slachtoffer gebeurde, (iv) het slachtoffer kennelijk als voorwaarde voor zijn invrijheidsstelling heeft opgedragen om de bloedvlekken in de auto ontstaan door de mishandeling schoon te maken en (v) het slachtoffer pas daarna naar het ziekenhuis heeft laten begeven. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om de verdachte als medepleger aan te merken, is niet onbegrijpelijk. Uit de door het hof vastgestelde gedragingen volgt immers dat de verdachte doorslaggevende omstandigheden heeft geschapen waarin het slachtoffer kon worden mishandeld en waarin het slachtoffer zich aan die mishandeling niet kon onttrekken. Uit het besturen van de auto tijdens de mishandeling en het instemmen met die mishandeling blijkt bovendien dat de verdachte op het punt van die mishandeling bewust en nauw samenwerkte met de medeverdachten in de auto. Het hof hoefde dat niet nader te motiveren. De bewezenverklaring van medeplegen is toereikend gemotiveerd.
3.7
Het middel faalt.

4.Het derde middel

4.1
Het middel klaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 7.500 aan immateriële schade.
4.2
De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 22 april 2021 het volgende aangevoerd:
“83. De vordering van [slachtoffer] is gebaseerd op ander nadeel, namelijk €7500 als gevolg van pijn en letsel. De raadsman van [slachtoffer] heeft zelf al bepleit dat er geen vermogensschade is geleden. Enkel lichamelijk en geestelijk letsel. Het geestelijk letsel is niet met stukken onderbouwd, hetgeen wel vereist is om tot een deugdelijke vaststelling te komen op de vraag of er daadwerkelijk geestelijke schade is.
84. In dat verband is het op z’n zachtst gezegd opmerkelijk te noemen dat [slachtoffer] tijdens het getuigenverhoor eind 2020 nog altijd op de wachtlijst stond. Dat toont niet van enige serieuze geestelijke problematiek. Het toont eerder dat [slachtoffer] zich ten behoeve van de strafzaak heeft aangemeld bij een hulpverleningsinstantie om recht te hebben op smartengeld, als [slachtoffer] zich überhaupt al heeft aangemeld want ook hier is geen onderbouwing voor.
85. Hoewel de aard en ernst van de normschending in geval groot is te noemen staat werkelijk niets vast wat wijst op enige vorm van geestelijk letsel. Dat er geen sprake is van geestelijk letsel blijkt eens te meer uit het feit dat de traumaverwerking, zonder goede reden, nog niet is gestart terwijl het tijdsverloop groot
86. Geestelijk letsel kan in casu dan ook niet verondersteld worden. Daarvoor had [slachtoffer] een omstandigheid aantoonbaar moeten maken waaruit volgt dat er daadwerkelijk sprake is van geestelijk letsel, maar dat ontbreekt. Er is niet eens een duidelijke toelichting op het letsel, laat staan afkomstig van een medisch specialist.
87. Nu het geestelijk letsel niet is aangetoond meen ik dat er geen grond is voor de vordering benadeelde partij. Subsidiair verzoek ik uw hof dan ook de vordering af te wijzen.
88. Meer subsidiair verzoek ik uw hof de vordering benadeelde partij te matigen. Een smartengeldvergoeding beoogt compensatie en genoegdoening. Hierbij kunnen de aard van de aansprakelijkheid, de aard van het letsel en de duur en intensiteit van het verdriet een factor spelen.
89. Hoewel de ernst van de feiten door de verdediging niet wordt ontkend is de aard van de aansprakelijkheid van [verdachte] zeer gering. [verdachte] heeft de auto bestuurd. Notabene de auto die [slachtoffer] voor behandeling naar het ziekenhuis heeft gebracht.”
4.3
Het hof heeft het volgende overwogen over de vordering van de benadeelde partij (met weglating van een voetnoot):
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.500,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdediging meent dat de verdachte voor feit 1 en 2 moet worden vrijgesproken. Indien de verdachte zal worden veroordeeld, heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu geen geestelijk letsel is aangetoond bij de benadeelde partij. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd. Bij een toewijzing van de vordering zou tevens rekening gehouden moeten worden met “eigen schuld” onder verwijzing naar artikel 6:101 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW).
De advocaat-generaal heeft gesteld dat een gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 5.000,00 billijk is, met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering volgens de advocaat-generaal niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat dit anders een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Naast het lichamelijke letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen is het hof van oordeel dat bij de benadeelde partij eveneens sprake is van aantasting in de persoon op “andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, onder b, BW, te weten het oplopen van geestelijk letsel. In dit geval brengen de aard en de ernst van de normschending mee dat de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Een verdere onderbouwing aan de hand van concrete gegevens is daarom niet vereist.
Het gevorderde schadebedrag van € 7.500,00 komt het hof billijk voor en zal daarom in zijn geheel worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Ook zal het hof de hoofdelijkheidsclausule van toepassing verklaren.”
4.4
Het hof heeft daarnaast het volgende overwogen over de strafoplegging:
“Samen met anderen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van [slachtoffer] , die op de openbare weg onder bedreiging van een vuurwapen, of een daarop gelijkend voorwerp, in de auto van de verdachte is getrokken en is mishandeld. Door deze mishandeling heeft [slachtoffer] onder andere een gebroken neus opgelopen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en op een fundamenteel mensenrecht, namelijk de vrijheid om te gaan en staan waar men wil. Door deze gebeurtenis voelt [slachtoffer] zich niet langer veilig. Uit de onderbouwing behorende bij de vordering benadeelde partij blijkt dat hij nog altijd kampt met angst- en spanningsklachten.”
4.5
In de schriftuur wordt geklaagd dat de toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 7.500 onbegrijpelijk is gelet op enerzijds de geringe onderbouwing van de vordering en anderzijds hoe de vordering door de verdediging is weersproken. Het hof zou niets hebben vastgesteld over de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het verwijt, de aard en ernst van het letsel, de verwachting over het herstel, de leeftijd van het slachtoffer en de bedragen die door de Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
4.6
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld:
“2.4.4 Art. 6:106 BW Pro geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. (…)” [3]
4.7
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de mishandeling van de benadeelde. De benadeelde is op de openbare weg onder bedreiging van een vuurwapen of daarop gelijkend voorwerp in de auto van de verdachte getrokken, van zijn vrijheid beroofd gehouden en mishandeld en heeft daardoor onder andere een gebroken neus opgelopen. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde zich daardoor niet langer veilig voelt en kampt met angst- en spanningsklachten. Naar mijn mening is daarom niet onbegrijpelijk dat het hof – in overeenstemming met het zojuist geciteerde arrest van de Hoge Raad – is afgeweken van het uitgangspunt dat de vordering met concrete gegevens moet zijn onderbouwd: in deze zaak doet zich, dunkt mij, het geval voor dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dat kennelijk volgens het hof een verdere onderbouwing van het geestelijk letsel aan de hand van concrete gegevens niet is vereist, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ook is niet onbegrijpelijk dat, gelet op de door het hof aangenomen ernst van het geestelijk letsel, de vordering van € 7.500 als zijnde billijk is toegewezen.
4.8
Het middel faalt.

5.Slotsom

5.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de schriftuur is bij de omschrijving van het middel ook de (algemene) klacht opgenomen dat het hof niet op basis van deze verklaringen tot een bewezenverklaring had kunnen komen. Deze klacht wordt in de schriftuur verder niet onderbouwd. Ik laat de klacht daarom buiten bespreking.
2.HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413, r.o. 2.3.
3.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.4-2.4.5.