ECLI:NL:PHR:2023:423

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
13 april 2023
Zaaknummer
21/02291
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 6 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor mensenhandel en valsheid in geschrift met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte is veroordeeld voor mensenhandel ten aanzien van twee slachtoffers en voor valsheid in geschrift. De verdediging voerde onder meer aan dat de vertalingen van tapgesprekken onbetrouwbaar waren en dat er geen sprake was van dwang of financieel belang van verdachte. Ook werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verschillen in vertalingen van tapgesprekken niet leiden tot uitsluiting van het bewijs. Het hof heeft bovendien voldoende gemotiveerd dat verdachte een financieel belang had bij de werkzaamheden van de slachtoffers en misbruik maakte van hun kwetsbare positie. De klachten over de bewijsconstructie en motivering worden verworpen.

Ten aanzien van de valsheid in geschrift is geoordeeld dat het hof terecht heeft vastgesteld dat verdachte een valse werkgeversverklaring gebruikte om een hypotheek te verkrijgen. De klachten hierover falen eveneens.

De Hoge Raad erkent dat de redelijke termijn in hoger beroep en cassatie is overschreden. Dit leidt tot een vermindering van de straf. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de veroordeling in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02291

Zitting7 maart 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte

De procedure in cassatie

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 21 mei 2021 wegens
"mensenhandel”en
“valsheid in geschrift"veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro.
2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak 21/02290. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

De cassatiemiddelen – een kort overzicht vooraf

4. Het eerste middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof over de termijnoverschrijding in hoger beroep. Het derde en het vierde middel keren zich met motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring van mensenhandel, en het vijfde middel komt op tegen de bewezenverklaring van valsheid in geschrift.

Volgorde van bespreking

5. Ik geef de voorkeur aan een afwijkende volgorde bij de bespreking van de middelen en zal beginnen met het derde en het vierde middel (mensenhandel). Vervolgens komt het vijfde middel, over de valsheid in geschrift, aan bod. Daarna volgt het tweede middel (de termijnoverschrijding in hoger beroep), en ik zal besluiten met de bespreking van het eerste middel (de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie).

De bewezen verklaarde mensenhandel

6. Het derde en het vierde middel bevatten meerdere motiveringsklachten. Als ik het goed begrijp, klagen de middelen over de motivering van de verwerping van een aantal verweren en – in lijn daarmee – over de bewezenverklaring van mensenhandel ten aanzien van de twee slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ik zal eerst de bewezenverklaring weergeven. Daarna zal ik ingaan op de inhoudelijke merites van de middelen en – waar nodig – daarbij de relevante onderdelen van het bestreden arrest, respectievelijk de pleitnota weergeven. [1]
7. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 08-963566-13 onder feit 3 en feit 4 bewezen verklaard dat:
“3. hij in de periode van 1 juli 2013 tot en met 17 september 2013 te Haarlem en/of Amsterdam Zuidoost en/of (elders) in Nederland (telkens)
- een ander, te weten [slachtoffer 1] , door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en
(sub 1)
- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] en
(sub 6)
- die [slachtoffer 1] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer 1] , seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n),
(sub 9)
immers heeft verdachte
- die [slachtoffer 1] in zijn woning gehuisvest en
- die [slachtoffer 1] naar haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en
- het door die [slachtoffer 1] met/in de prostitutie verdiende geld geheel of gedeeltelijk onder zich genomen/gehouden en door die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte, doen afstaan en/of doen afdragen;
4. hij in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 17 september 2013 te Haarlem en/of Amsterdam en/of Amsterdam Zuidoost en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland,
- een ander, te weten [slachtoffer 2] , door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 2] en
(sub 1)
- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] en
(sub 6)
- die [slachtoffer 2] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer 2] , seksuele handelingen met of voor derden,
(sub 9)
immers heeft verdachte
- die [slachtoffer 2] in zijn woning gehuisvest en
- die [slachtoffer 2] naar haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en
- het door die [slachtoffer 2] met/in de prostitutie verdiende geld geheel of gedeeltelijk onder zich genomen/gehouden en door die [slachtoffer 2] aan hem, verdachte, doen afstaan en/of doen afdragen.”
8. De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 april 2021, in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman. De raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd.
9. In de eerste plaats heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de oorspronkelijke vertalingen betwist en aangevoerd dat alle originele tapverbalen van het bewijs moeten worden uitgesloten. Daarnaast heeft de raadsman integrale vrijspraak bepleit voor de onder 3 en 4 ten laste gelegde mensenhandel, op de grond dat de verdachte nooit enige vorm van dwang heeft uitgeoefend, geen zeggenschap had over de werkzaamheden en werktijden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , noch hen controleerde, noch enig (ander) feitelijk overwicht op hen heeft gehad, en dat noch de vermeende uitbuiting, noch het opzet van de verdachte daarop uit het dossier kan volgen. [2]
Het derde middel – de vertaling van de tapgesprekken en de financiële uitbuiting
10. In het derde middel valt een tweetal deelklachten te ontwaren.
De eerste deelklacht – het gebruik van de originele tapverbalen tot het bewijs
11. In de eerste plaats klaagt het middel dat het voorwaardelijke verzoek om de tapgesprekken nog eens te laten vertalen is afgewezen, en dat het hof is voorbijgegaan aan het standpunt van de verdediging strekkende tot uitsluiting van het bewijs van alle originele tapverbalen wegens de onbetrouwbaarheid daarvan. Volgens de steller van het middel is dit onbegrijpelijk gelet op de door de verdediging geconstateerde en expliciet naar voren gebrachte verschillen. De geconstateerde verschillen raken direct aan de kern van het bewijs, zo is de stelling. Daarbij neemt de steller van het middel als uitgangspunt dat het aanwezig zijn van dwang essentieel is om tot een bewezenverklaring van mensenhandel te komen. In dat licht dicht de steller van het middel de termen als ‘chef’ of ‘moeten’ (grote) redengevendheid toe. [3] En juist die termen zouden door de tolk van de verdediging niet zijn gehoord.
12. Het bestreden arrest houdt – voor zover hier relevant – het volgende in (met tussen ‘[…]’ mijn correcties van enkele kennelijke verschrijvingen) :
“Het standpunt van de verdediging
Verdachte ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel met betrekking tot [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De raadsman heeft aangevoerd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen aangifte tegen verdachte hebben gedaan. Er zijn door hen ook géén voor verdachte belastende verklaringen afgelegd. De aan verdachte gemaakte verwijten van mensenhandel zijn grotendeels gestoeld op de uitwerking van telefoongesprekken, die op sommige cruciale punten discutabel en aantoonbaar onjuist zijn weergegeven in de tapverslagen in het dossier van het opsporingsonderzoek. De verdediging heeft een aantal van die tapgesprekken opnieuw laten vertalen door een beëdigde tolk. Het verschil tussen de verschillende vertalingen is volgens de raadsman vrij groot, vooral als wordt ingezoomd op het voor mensenhandel essentiële element, dwang, dan blijkt de oorspronkelijke vertaling grotendeels onjuist te zijn. Ter illustratie van dit standpunt heeft de raadsman verwezen naar de verschillen tussen de oorspronkelijke vertaling van vier tapgesprekken die de rechtbank voor het bewijs heeft gebruikt, en de nieuwe vertaling van deze gesprekken door de beëdigde tolk van de verdediging die de raadsman heeft vermeld in zijn e-mailbericht van 4 maart 2020 en de nieuwe vertalingen van de tapgesprekken die als bijlagen zijn gevoegd bij zijn e-mailbericht van 20 april 2021. De raadsman heeft verzocht een derde tolk aan te wijzen om de tapgesprekken nogmaals te laten vertalen als het hof ook maar enig idee heeft dat die gesprekken onjuist zijn vertaald door de beëdigde tolk van de verdediging. In dat geval dient de zaak te worden aangehouden. Ook heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat alle oorspronkelijke verslagen van de tapgesprekken dienen te worden uitgesloten van het bewijs, zolang niet kan worden vastgesteld dat de uitwerking overeenkomt met de daadwerkelijk gevoerde telefoongesprekken. De raadsman heeft verder aangevoerd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verkeerden in omstandigheden die gelijk zijn te stellen aan de omstandigheden waarin een mond[…]ige prostituee in Nederland verkeert. Er zijn geen feiten en omstandigheden (zoals een verslaving, illegaliteit, minderjarigheid, zware schulden of het niet kunnen beschikken over financiële middelen) aanwezig die de conclusie rechtvaardigen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zou hebben uitgebuit. De raadsman heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken van het in de zaak met parketnummer 08-963566-13 onder 3 en 4 tenlastegelegde.
Het oordeel van het hof
Vertaling van tapgesprekken.
Het hof ziet geen aanleiding om alle tapverslagen in het dossier uit te sluiten van het bewijs. De inhoudelijke verschillen tussen de oorspronkelijke vertaling en de nieuwe vertaling van de door de raadsman genoemde telefoongesprekken zijn beperkt en ze zijn naar het oordeel van het hof niet zodanig dat het hof daaruit de conclusie trekt dat de inhoud van alle tapverslagen in het dossier onjuist en onbetrouwbaar zijn. Voor zover beschikbaar zal het hof gebruik maken van de nieuwe vertalingen. De inhoud van de andere tapverslagen in het dossier [is] naar het oordeel van het hof naar aard en inhoud niet strijdig met [die van] de opnieuw vertaalde gesprekken. De inhoud van die tapverslagen vindt derhalve voldoende steun in de verslagen van de gesprekken die reeds op verzoek van de verdediging opnieuw zijn vertaald en andere bewijsmiddelen. Het hof acht het dan ook niet noodzakelijk om de tapgesprekken opnieuw te laten vertalen, zodat het daartoe strekkende (voorwaardelijke) verzoek wordt afgewezen.”
De beoordeling van de eerste deelklacht
13. De klacht gaat eraan voorbij dat het hof het bewijs van de uitbuiting heeft gebaseerd op verdachte’s misbruik van het uit
feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwichtdat hij had op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en zijn misbruik van
de daarmee samenhangende kwetsbare positiewaarin zij zich bevonden. Dwang vanuit de verdachte, in de strikte zin dat hij (als baas of chef) invloed had op de (duur of de soort) werkzaamheden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , heeft het hof niet bewezen geacht. Het hof heeft de originele vertalingen waarin de termen ‘chef’ en ‘moeten’ stonden ook niet gebruikt. [4]
14. Het oordeel van het hof dat de door de raadsman geconstateerde verschillen in de vertalingen niet dwingen tot de conclusie dat daarmee ook álle originele tapverbalen onbetrouwbaar zijn, en derhalve onbruikbaar voor het bewijs, is in mijn ogen bovendien niet onbegrijpelijk. Blijkens de pleitnotities en het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2021 viel de verdediging voornamelijk over de twee opgenomen telefoongesprekken waarin de woorden ‘moeten’ en ‘chef’ in de originele vertaling wel waren opgenomen, terwijl de tolk van de verdediging die woorden niet heeft geregistreerd. [5] De verdediging heeft ter terechtzitting niet gewezen op andere substantiële verschillen in vertaling die de betrouwbaarheid van de overige transcripties aantasten. Het middel bevat op zijn beurt niet meer dan een herhaling van de algemene, ter terechtzitting ingenomen stelling dat vanwege de geconstateerde verschillen een ‘smet’ is komen te liggen op alle originele tapverbalen. Dat alleen op basis van de (wel) aangevoerde verschillen in vertaling bij het hof voldoende twijfel zou moeten bestaan over de overige originele vertalingen, vermag ik – bij gebrek aan een nadere motivering – niet in te zien.
15. Het hof heeft blijkens zijn overwegingen zonder meer de originele tapverbalen vervangen door de beschikbare vertalingen van de verdediging, indien en voor zover het hof die specifieke tapverbalen heeft gebruikt voor de bewijsconstructie. Hierin ligt de logica van de verwerping van het voorwaardelijk verzoek besloten: de voorwaarde waarvan het verzoek afhankelijk was gemaakt, bestond immers in een mogelijk wantrouwen van het hof in de vertaling van de verdediging.
De tweede deelklacht – de inhoud van de tapgesprekken is niet redengevend voor het bewijs van financiële uitbuiting
16. De tweede deelklacht stelt dat het hof – op onbegrijpelijke wijze – uit de inhoud van de tapgesprekken de conclusie heeft getrokken dat de verdachte een financieel belang had bij de werkzaamheden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
17. De steller van het middel wijst op de volgende bewijsoverweging van het hof:
“Bevindingen van het hof naar aanleiding van de telefoongesprekken
Uit de telefoongesprekken tussen verdachte en [betrokkene 1] in augustus 2013 leidt het hof af dat [betrokkene 1] verdachte tot de orde roept als het gaat om zijn bemoeienissen met betrekking tot met name [slachtoffer 2] . [betrokkene 1] is het er niet mee eens dat verdachte al geld heeft uitgegeven aan [slachtoffer 2] , terwijl [slachtoffer 2] nog moet beginnen met werken. Zij wijst op het verschil met [slachtoffer 1] , die al een maand aan het werk is. [betrokkene 1] wijst verdachte er verder op dat zijn bemoeienissen een financieel doel moeten hebben; “want als je het doet, doe je het normaal, zoals iedereen het doet: normaal en voor geld”. Uit de telefoongesprekken die verdachte vervolgens heeft gevoerd met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgt dat verdachte inderdaad veelvuldig belangstelling toont voor de werkzaamheden en verdiensten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Het hof leidt hieruit af dat verdachte een financieel belang had bij de werkzaamheden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .” [6]
18. De steller van het middel voert aan dat (1) deze overweging onvoldoende grond biedt voor de conclusie dat de verdachte een financieel belang had bij de werkzaamheden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat (2) het hof heeft verwezen naar de gesprekken die de verdachte vervolgens heeft gevoerd, zonder dat het hof te kennen geeft welke gesprekken dit betreft.
De beoordeling van de tweede deelklacht
19. Aangaand het eerste punt wijs ik erop dat het hof hier een samenvatting geeft van een tweetal telefoongesprekken tussen de verdachte en zijn partner [betrokkene 1] , zoals het hof die eerder in zijn arrest heeft opgenomen. Die telefoongesprekken houden het volgende in:
“Telefoongesprekken tussen verdachte en zijn partner [betrokkene 1]
Gesprek tussen verdachte en [betrokkene 1] (NNV, telefoonnummer: 31-06- [telefoonnummer] ) op 9 augustus 2013
Verdachte: (...) Ik heb schoentjes voor haar gekocht (...)
NNV: en waar zijn die schoentjes die al eerder zijn gekocht?
Verdachte: Ik weet van niets. Ik heb gevraagd wat ze voor het werk nodig heeft (...).
NNV: ze moet niet denken dat je op de eerste dag alles voor haar gaat kopen!
Verdachte: schatje, ze zei dat ze niets had om aan te trekken. Wat moest ik doen?
NNV: Hoezo heeft ze niets! We hebben zoveel gekocht, duizend euro uitgegeven, verdomme!
Verdachte: dat heeft ze tegen me gezegd. Ze zei dat alles wat ze heeft zit in die tas, dat zei ze.
NNV: Dit is de eerste en laatste keer dat je vooraf wat koopt!
(....)
NNV: Wat is dat dan! [slachtoffer 1] werkt al een maand en jij gaat de eerste dag met deze al van alles kopen.
Gesprek tussen verdachte en [betrokkene 1] (telefoonnummer: 31-06- [telefoonnummer] ) op 15 augustus 2013
(....)
[betrokkene 1] : (...) je hebt die teven opgehaald. Nu zitten die teven thuis en ik moet werken.
Verdachte: oké, oké, bespreek het allemaal door de telefoon! Kan ik je komen ophalen?
(....)
[betrokkene 1] : (....) één of andere kutwijf is gekomen een paar dagen geleden en nu al heeft ze een paar keer shopping gedaan en ze gaat werken wanneer ze wil.
(....)
[betrokkene 1] : (...) want als je het doet, doe je het normaal, zoals iedereen het doet: normaal en voor geld (...)
(...)
Verdachte: wat heb ik toch gedaan. Ik heb gezegd dat degene ’s nachts moet gaan en degene gaat ’s nachts. Het zal beter zijn.
[betrokkene 1] : Ze moet gaan wanneer jij het zegt en niet wanneer zij wil. Ze kan niet rusten wanneer ze wil rusten, maar wanneer jij het zegt en ze moet doen wat jij zegt en niet wat zij in haar hoofd haalt.” [7]
20. De gesprekken waarnaar het hof verwijst, zijn in het bestreden arrest opgenomen na de twee hierboven geciteerde gesprekken tussen de verdachte en [betrokkene 1] , onder het kopje
“Telecommunicatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ”. [8] Ik kan de steller van het middel dan ook niet volgen waar hij aanvoert dat het hof niet heeft gespecificeerd welke gesprekken het betreft. [9] Dit onderdeel van de klacht mist feitelijke grondslag.
21. Noch is het oordeel van het hof over het financiële belang dat de verdachte had bij de werkzaamheden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbegrijpelijk. Uit de volledige transcripties van de telefoongesprekken volgt immers (ook) dat de verdachte tegen zijn partner [betrokkene 1] zegt dat hij heeft gedaan wat [betrokkene 1] zegt dat er moet gebeuren, te weten dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] moeten gaan (ik begrijp: werken) wanneer de verdachte dat zegt:
“wat heb ik toch gedaan. Ik heb gezegd dat degene ’s nachts moet gaan en degene gaat ’s nachts. Het zal beter zijn. [10]
22. De deelklacht gaat verder met de stelling dat het hof de verklaringen, of één van de verklaringen, zou hebben gedenatureerd alvorens die tot het bewijs te bezigen. Op welke wijze dat zou zijn gebeurd, valt uit de toelichting evenwel niet op te maken. Ik ga hier dan ook verder niet op in.
23. Tot slot voert de steller van het middel aan dat de bewijsoverweging omtrent de verdeling van de verdiensten niet goed te begrijpen is. De verklaringen van de vrouwen die voor [betrokkene 2] werkten zouden niet redengevend kunnen zijn voor enig bewijs tegen de verdachte, en bovendien zou er geen enkele verklaring zijn afgelegd door een prostituee die wijst op financiële afdracht van verdiensten aan de verdachte.
24. Aan die laatste stelling ontbreekt de feitelijke grondslag. Het hof heeft immers het volgende overwogen:
“ [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) heeft op 24 januari 2008 verklaard dat zij door [betrokkene 2] in Nederland terecht is gekomen. Zij heeft verklaard dat zij 80 procent van het door haar verdiende geld moest afstaan aan [betrokkene 2] . De vriend van [betrokkene 4] heet [betrokkene 5] en komt uit Albanië. In Nederland bracht [betrokkene 2] haar naar de flat van [betrokkene 5] . Daar verbleven ook andere meisjes uit Litouwen. Alle meisjes werkten in de prostitutie.
[betrokkene 3] herkent [betrokkene 5] op een foto van verdachte. Volgens [betrokkene 3] moesten de vrouwen van [betrokkene 5] ook geld afstaan.” [11]
25. Dat het hof de verklaringen van de prostituees die voor [betrokkene 2] werkten, redengevend heeft geacht voor het bewijs van de verdeling van de verdiensten tussen [slachtoffer 1] / [slachtoffer 2] en de verdachte is niet onbegrijpelijk, wanneer die verklaringen niet geïsoleerd worden beschouwd, zoals de steller van het middel doet, maar worden gelezen in samenhang met de rest van de bewijsconstructie. Met name de analyse van de bedragen in het blauwe notitieblok en het schrift met de paardenomslag, én de omstandigheid dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet tot nauwelijks geld hebben overgemaakt naar Litouwen, noch grote bedragen tot hun beschikking hadden, ondersteunen de gevolgtrekking dat het veel waarschijnlijker is dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] slechts 20% van hun verdiensten kregen, dan dat de verdachte slechts 20% ontving. Ook is niet uit te sluiten dat [slachtoffer 2] kennelijk op een eerder moment voor [betrokkene 2] heeft gewerkt. [12]
26. Het derde middel faalt in al zijn onderdelen.

Het vierde middel – misbruik van feitelijk overwicht

27. Het vierde middel, dat – naar ik begrijp – klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte een feitelijk overwicht heeft gehad op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gaat eraan voorbij dat het hof zijn oordeel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich (tegenover de verdachte) in een kwetsbare positie bevonden (die niet dezelfde is als die van een mondige Nederlandse prostituee), niet louter en alleen heeft gebaseerd op de inhoud van de gevoerde telefoongesprekken, maar tevens op andere feiten en omstandigheden:
“Bevindingen van het hof ten aanzien van de positie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in Nederland
Het hof stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet of minder goed in staat waren om zelfstandig te functioneren in Nederland. Zij spraken geen of onvoldoende Nederlands, hadden geen familie of een ander (betrouwbaar) netwerk en waren in meer of mindere mate voor huisvesting, vervoer en de organisatie van hun werkzaamheden afhankelijk van andere personen. In de laatste maanden voor de aanhouding van verdachte waren die andere personen verdachte en [betrokkene 1] .” [13]
en:
“ [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden geen eigen woonruimte in Nederland. Zij waren afhankelijk van verdachte. Verdachte kende de Nederlandse prostitutiewereld, zorgde voor huisvesting en het vervoer voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Van [slachtoffer 2] is bekend dat zij drugs gebruikte en - voordat zij bij verdachte introk - ook wel op straat zwierf. [slachtoffer 1] werd (na de aanhouding van verdachte) op straat aangetroffen in beschonken toestand en deelde de politie toen mede dat ze niet blij was met haar leven en bang was voor haar ‘pimp’. Mogelijk bedoelde ze met ‘pimp’ verdachte, mogelijk een nieuwe pooier waar ze gelet op haar weinig zelfstandige positie kennelijk niet zonder kon.
Verdachte had vanwege de afhankelijkheid van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] overwicht op hen. Van dat overwicht heeft hij misbruik gemaakt door hen een groot deel van hun inkomsten aan hem te laten afstaan zonder dat daar werkzaamheden van verdachte tegenover stonden die die bedragen konden rechtvaardigen.” [14]
28. De steller van het middel baseert zich ook hier op een te beperkte lezing van het arrest. Het vierde middel moet dan ook falen.

Het vijfde middel - de valsheid in geschrift

29. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het gebruik van een valse werkgeversverklaring bij het verkrijgen van een hypotheek.
30. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 08-963503-15 onder feit 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 maart 2011 tot en met 30 april 2011 te Amsterdam opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) werkgeversverklaring, – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die werkgeversverklaring heeft gebruikt ter verkrijgen van een hypothecaire lening van de ING bank en bestaande die valsheid hierin dat in die werkgeversverklaring valselijk en in strijd met de waarheid onder meer stond vermeld dat verdachte sinds 1 december 2010 in dienst was bij [A] B.V.”
31. Het vijfde middel klaagt over de bewijsconstructie die het hof ten grondslag heeft gelegd aan deze bewezenverklaring. Ten eerste zou uit de verklaringen van de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] niet volgen dat sprake is geweest van een schijnconstructie, maar zouden hun verklaringen juist bevestigen dat de verdachte een aantal maanden voor het bedrijf heeft gewerkt. Ten tweede zou het hof niet inhoudelijk hebben gerespondeerd op het verweer dat het verband dat wordt gelegd tussen een telefoongesprek met [betrokkene 2] in 2013, en een arbeidsovereenkomst uit 2010/2011, als kunstmatig kan worden beschouwd.
32. De klacht dat de getuigen hebben verklaard dat de verdachte (wél) voor het bedrijf heeft gewerkt, behelst niet alleen een blote herhaling van het aangevoerde in hoger beroep, de klacht vindt ook zijn weerlegging in de bewijsconstructie. Daaruit volgt immers dat de betreffende getuigen weliswaar hebben verklaard dat er een arbeidsovereenkomst en een werkgeversverklaring zijn opgemaakt en ondertekend, maar niet dat de verdachte ook daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf, integendeel. [15]
33. Het hof heeft inderdaad geen separate bewijsoverweging gewijd aan het verweer aangaande het telefoongesprek met [betrokkene 2] in 2013. Kennelijk heeft het hof het aangevoerde niet als een zelfstandig responsieplichtig verweer c.q. standpunt aangemerkt.
34. Een blik in de pleitnota wijst uit dat het desbetreffende verweer het volgende inhoudt:
“Het verband dat wordt gelegd tussen een telefoongesprek is kunstmatig, omdat de onderhavige arbeidsovereenkomst uit 2010/2011 stamt en het telefoongesprek twee jaar later.” [16]
35. Meer dan dit heeft de verdediging niet aangevoerd. Dat het hof het aangevoerde niet als een responsieplichtig verweer c.q. standpunt heeft aangemerkt, is derhalve niet onbegrijpelijk. Bovendien vindt het in voldoende mate zijn weerlegging in de bewijsconstructie.
36. Het vijfde middel faalt.

Het tweede middel – de termijnoverschrijding in hoger beroep

37. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het hof aangaande de termijnoverschrijding in hoger beroep. Volgens de steller van het middel heeft het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging met betrekking tot de redelijke termijn op onbegrijpelijke gronden weerlegd, door het tijdsverloop tussen de terechtzitting van 6 maart 2020 – waarbij er een wrakingsverzoek is gedaan – en de inhoudelijke terechtzitting van 23 april 2021, buiten beschouwing te laten.
Het procesverloop in hoger beroep
38. De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van 13 juli 2016 door de rechtbank veroordeeld. Tegen dit vonnis is de verdachte op 27 juli 2016 in hoger beroep gekomen. Het hof heeft op 21 mei 2021 uitspraak gedaan. De redelijke termijn in hoger beroep is derhalve met twee jaar, negen maanden, drie weken en drie dagen overschreden.
39. Door en namens de verdachte is ter terechtzitting van 23 april 2021 een verweer gevoerd met de strekking de straf te matigen wegens – onder meer – de overschrijding van de redelijke termijn. De aan het proces-verbaal van die terechtzitting gehechte pleitnotities houden hieromtrent het volgende in:
“4. Strafmaat
De verdediging merkt op dat er zowel in de hoofdzaak als in de ontneming sprake is van een ernstige schending is van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM Pro. De beslissing in de hoofdzaak in ontneming dateert van juni 2016. Er is geen sprake van nader onderzoek, zodat zelfs bij een deels toewijzing van de vordering er matiging dient plaats te vinden.
In de hoofdzaak is geen expliciet strafmaatverweer gehouden omdat cliënt zich niet kan verenigen met de strafoplegging, maar in het geval het Gerechtshof hier toch anders over zou denken, verwijst de verdediging naar de huidige situatie waar cliënt zich in bevindt. In een ander land. Hardwerkend in manager in de hotelsector, zijn leven aan het opbouwen.” [17]
40. Het bestreden arrest houdt – voor zover hier van belang – in:
“Het hof constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hoger beroep van verdachte is ingesteld op 27 juli 2016. De afdoening van de strafzaak tegen verdachte in hoger beroep heeft vertraging opgelopen. Die vertraging is mede veroorzaakt doordat op verzoek van de verdediging twee getuigen bij de raadsheer-commissaris moesten worden gehoord en de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting van 6 maart 2020 moest worden aangehouden omdat er toen namens verdachte een wrakingsverzoek werd gedaan. Naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak – en de daarmee samenhangende ontnemingszaak – ter terechtzitting van 23 april 2021 is het onderzoek onderbroken tot de terechtzitting van 21 mei 2021, waarop de zaak is afgedaan met de uitspraak van dit eindarrest. Nu de zaak niet binnen 24 maanden na het instellen van het hoger beroep is afgedaan, is de redelijke termijn overschreden. Het hof zal die termijnoverschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin dat in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden zal worden opgelegd.”
De beoordeling van het middel
41. Het hof heeft overwogen dat de vertraging in hoger beroep mede is veroorzaakt door de omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 6 maart 2020 moest worden aangehouden wegens het wrakingsverzoek van de verdediging. Hierin ligt besloten dat het hof het tijdsverloop tussen het wrakingsverzoek van 6 maart 2020 en de inhoudelijke zitting van 23 april 2023 bij zijn oordeelsvorming in aanmerking heeft genomen.
42. Hierdoor komt de feitelijke grondslag aan de klacht te ontvallen.

Het eerste middel – de termijnoverschrijding in cassatie

43. Het eerste middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
44. Op 31 mei 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 15 juli 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met vijf en een halve maand overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken, zodat van een bijzonder voortvarende afdoening in cassatie geen sprake meer kan zijn. De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.

Slotsom

45. Behoudens de hiervoor geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, heb ik overigens ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
46. Het tweede, derde, vierde en vijfde middel lenen zich voor afdoening met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
47. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zonder de bijbehorende voetnoten, waarvoor ik graag verwijs naar het bestreden arrest en de pleitnota.
2.Zie de pleitnota in hoger beroep, p. 3-27.
3.De steller van het middel klaagt in dit verband ook dat het hof blijk heeft gegeven van een onvoldoende kritische houding ten aanzien van het bewijs dat afkomstig is uit de oorspronkelijke tapverbalen. Het hof heeft aan de verdachte ter terechtzitting alleen oorspronkelijke tapverbalen voorgehouden, waarbij de verdediging in een tweetal gevallen erop heeft gewezen dat het een onjuiste vertaling betrof. Nalezing van het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2021 wijst uit dat het gaat om twee tapgesprekken waarin de woorden ‘chef’ en ‘moeten’ voorkomen, zie p. 6 en 7 van het zittingsproces-verbaal d.d. 23 april 2021.
4.Zie p. 25 van het bestreden arrest, onder het kopje ‘seksuele uitbuiting’.
5.Te weten: (1) een telefoongesprek d.d. 6 september 2013 om 23:57 uur, waarin volgens de originele vertaling de verdachte wordt omschreven met het woord ‘chef’, en (2) een telefoongesprek d.d. 4 september 2013 om 22:42 uur, waarin volgens de originele vertaling het woord ‘moeten’ voorkomt. Zie p. 5-6 van de pleitnota.
6.Zie p. 20 van het bestreden arrest.
7.Zie p. 13 van het bestreden arrest.
8.Zie p. 14-19 van het bestreden arrest.
9.Bovendien zijn de gesprekken tussen de verdachte en zijn partner [betrokkene 1] gevoerd in augustus 2013, en de daaropvolgende gesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in september 2013.
10.Nog los van het gegeven dat de verdachte (en zijn partner [betrokkene 1] ) een behoorlijk bedrag heeft (hebben) geïnvesteerd in de werkzaamheden van [slachtoffer 2] : er is kennelijk (vooraf) voor duizend euro aan (werk)kleding gekocht.
11.Zie p. 7 van het bestreden arrest.
12.Vgl. p. 8 van het bestreden arrest.
13.Vgl. p. 13 van het bestreden arrest.
14.Vgl. p. 25 van het bestreden arrest.
15.Vgl. p. 28-29 van het bestreden arrest.
16.Zie p. 28 van de pleitnota.
17.Zie p. 32 van de pleitnota.