ECLI:NL:PHR:2023:431
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen van cassatie
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest vastgesteld dat betrokkene een bedrag van €1.500,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel moet betalen aan de staat. Betrokkene heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Echter heeft betrokkene niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Hierdoor kan betrokkene volgens artikel 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom dat betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep. Er is sprake van samenhang met meerdere andere zaken waarin ook conclusies worden genomen. De conclusie is dat het cassatieberoep van betrokkene niet ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van de vereiste schriftelijke middelen van cassatie binnen de termijn.
Deze procedure betreft een zuiver formele toetsing van ontvankelijkheid en niet de inhoudelijke behandeling van het cassatieberoep. De beslissing voorkomt dat een niet-ordentelijke procedure wordt voortgezet zonder de noodzakelijke processtukken.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.