Conclusie
(Ministerie van Financiën, Belastingdienst)
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
De advocaat van [verzoeker] was bij beide verhoren aanwezig.
(…)”
De aanvraag van [verzoeker] tot herziening van dit arrest is door de Hoge Raad bij arrest van 15 juni 2021 [3] afgewezen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“Waarom wil [verzoeker] getuigen horen?” heeft het hof vervolgens in rov. 6.2 het volgende vastgesteld:
De toelichting in de procesinleiding onder 2.1 en 2.2 stemt in grote lijnen overeen met het door het hof geschetste kader, en bevat verder nog een verwijzing naar een beschikking van de Hoge Raad van 15 juli 2022. [10] In deze beschikking is de vaste rechtspraak op een rijtje gezet met verwijzing naar de (ook in de beschikking van het hof genoemde) beschikking van de Hoge Raad van 22 december 2017 [11] .
Volgens de Staat heeft [verzoeker] onvoldoende belang bij zijn verzoek omdat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] al tijdens de strafrechtelijke procedure zijn gehoord en [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld wat de getuigen meer of anders kunnen verklaren (rov. 6.6).
Rov. 6.10 bevat tot slot het oordeel van het hof omtrent de in de laatste twee volzinnen van rov. 6.7 opgenomen stelling van [verzoeker] .
Conclusie en slot
onderdeel 2, dat drie klachten bevat. Het onderdeel komt (hoofdzakelijk) op tegen rov. 6.8, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld:
eerste klachtvan het onderdeel [12] luidt dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de onderbouwing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, zodat het oordeel van het hof blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting omtrent de desbetreffende maatstaven, dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat de in de inleiding op onderdeel 2 genoemde stukken die niet aan de orde zijn geweest tijdens de verhoren van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen in de strafzaak, de mogelijkheid openlaten dat [verzoeker] bewijs kan leveren van zijn stelling dat hij de suppletieaangiften van 2006, 2007 en 2008 bij brief van 2 november 2009 heeft geleverd en/of van zijn stelling dat het niet mogelijk is dat de Belastingdienst de suppleties van BDO heeft gekregen tijdens het invorderingsonderzoek. In het bijzonder bestaat de mogelijkheid dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , geconfronteerd met deze omstandigheden en de desbetreffende stukken, nader of anders verklaren dan zij deden tijdens hun verhoren in de strafzaak. Het hof laat die mogelijkheid ten onrechte en/of onbegrijpelijkerwijs buiten beschouwing met zijn oordeel dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek tot het horen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen, omdat hij al antwoord heeft op de vragen die voor hem aanleiding zijn geweest om nu getuigen te willen laten horen, aldus de klacht.
derde klachtvan het onderdeel. [13] Daarin wordt – samengevat – betoogd dat het hof blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het belang bedoeld in art. 3:303 BW Pro, althans dat het hof zijn oordeel dienaangaande niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte geen rekening houdt met de mogelijkheid dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , geconfronteerd met de genoemde omstandigheden en de desbetreffende stukken, nader of anders verklaren dan zij deden tijdens hun verhoren in de strafzaak.
Daargelaten dat de klacht feitelijke grondslag mist omdat het hof in rov. 6.2 in ruimere zin heeft overwogen dat [verzoeker] bewijs wil leveren van zijn stelling dat hij de suppletieaangiften van 2006, 2007 en 2008 bij brief van 2 november 2009 heeft aangeleverd en dat het niet mogelijk is dat de Belastingdienst de suppleties van BDO heeft gekregen tijdens het invorderingsonderzoek, heeft [verzoeker] ook zelf de verkorte samenvatting in zijn inleidende verzoekschrift gebruikt. [verzoeker] heeft in dat processtuk het volgende gesteld:
(a) verklaringen van [betrokkene 3] in een brief van 29 juni 2010 en een e-mail van 20 mei 2020, waarin zij (net als haar kantoorgenoot [betrokkene 4] ) verklaart dat BDO de Belastingdienst geen suppletieaangiften heeft verstrekt [18] ;
(b) het rapport van de Belastingdienst, waaruit niet blijkt (positief) dat en hoe de suppletieaangiften door de Belastingdienst zijn ontvangen [19] ;
(c) de omstandigheid dat de Belastingdienst [verzoeker] tijdens het invorderingsonderzoek nog heeft gevraagd om de suppletieaangiften, hetgeen (mogelijk) betekent dat de belastingdienst die aangiften niet tijdens het invorderingsonderzoek van BDO had ontvangen. [20] In par. 11, 12 en 21 van het beroepschrift is gesteld dat de onder (a) en (b) genoemde stukken “nieuwe stukken” zijn “waarop het herzieningsverzoek bij de Hoge Raad is gedaan.”
Ook het interne verslag is in de herzieningsprocedure dus niet als novum aangemerkt.
Voor zover op de in par. 18 genoemde brief van 7 september 2010 wordt gedoeld, is geen sprake van een nieuw stuk omdat deze al in de strafprocedure bij het hof aan de orde is geweest (zie hierboven onder 2.9).
De verwijzing naar de in het onderdeel aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 7 september 2018 ziet eraan voorbij dat in die zaak sprake was van samenloop van een civielrechtelijk voorlopig getuigenverhoor en een (lopende) strafrechtelijke procedure. Van een dergelijke samenloop is in de onderhavige zaak geen sprake. De strafrechtelijke veroordeling was onherroepelijk en is door de afwijzing van het herzieningsverzoek onherroepelijk gebleven en daarna is pas de appelprocedure aangevangen.