Conclusie
1.Het cassatieberoep
De bewezenverklaring, de bewijsvoering en de toegewezen vordering tot vergoeding van immateriële schade
in de periode van 1 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een mail te sturen naar [A] , met daarin (onder meer) de volgende tekst:
verklaring van aangever [aangever]:
hef hof begrijpt: bedreiging) bestaat uit de woorden: “Of ik ben aan het overwegen het heel simpel te houden, een mes te nemen, langs te komen en [betrokkene 1] en [aangeefster] dood te steken”.
relaas van verbalisant [verbalisant]:
pagina 9)
het verhoor van de verdachte:
Psychische gevolgen
Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
3.Het middel
NJ2019/379, m.nt. W.H. Vellinga gewezen overzichtsarrest het relevante kader. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen (met weglating van voetnoten):
niet explicietheeft aangegeven om welke vorm van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ het in het onderhavige geval gaat, heeft hij op zichzelf gelijk. Daarmee is nog niet gezegd dat uit het arrest onvoldoende duidelijk kan worden afgeleid op welke aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ het hof zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Uit de in randnummer 2.7 aangehaalde – en rechtstreeks aan rechtsoverweging 2.4.5 uit het overzichtsarrest ontleende – overweging blijkt immers dat het hof niet heeft vastgesteld dat de benadeelde partij [aangeefster] geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Het hof heeft wel vastgesteld dat – gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen die dit volgens het schadeonderbouwingsformulier voor [aangeefster] heeft gehad – sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 aanhef Pro en onder b BW. Hieruit volgt dat voor zover in het middel wordt gesteld dat het hof in het ongewisse heeft gelaten van welke variant van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in het onderhavige geval sprake is, berust het op een onjuiste lezing van het arrest, waardoor het feitelijke grondslag mist.
enkeltot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij is gekomen door de omstandigheid dat die vordering in hoger beroep niet is weersproken, berust die klacht op een verkeerde lezing van de betreffende overweging van het hof. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1642, heeft het hof in de onderhavige zaak weliswaar overwogen dat de verdachte de gevolgen van de bewezen verklaarde bedreiging voor [aangeefster] niet heeft betwist, maar het hof heeft niet enkel hieraan de conclusie verbonden dat deze omstandigheid dús grond oplevert voor toewijzing van de gevorderde immateriële schade. Die conclusie is gebaseerd op de door het hof beoordeelde aard en ernst van de normschending en de eveneens door het hof beoordeelde gevolgen van die normschending voor de benadeelde partij.