ECLI:NL:PHR:2023:500

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
12 mei 2023
Zaaknummer
21/02901
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 410 lid 1 Wetboek van StrafvorderingArt. 410 lid 4 Wetboek van StrafvorderingArt. 416 lid 2 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken van grieven tegen vonnis politierechter

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld wegens overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 en stelde hoger beroep in. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat hij geen grieven had aangevoerd tegen het vonnis. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad voerde aan dat het hof dit oordeel onvoldoende had gemotiveerd en dat de verdachte wel degelijk een e-mail had ingediend met grieven.

De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen bezwaren had opgegeven niet zonder meer begrijpelijk was. Er was een e-mail met grievenformulier en screenshots ingediend, die als machtiging en appelschriftuur kon worden aangemerkt. De Hoge Raad vond geen grond om ambtshalve in te grijpen, maar vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

De procedure toont het belang van een zorgvuldige toetsing van de ontvankelijkheid van hoger beroep en de juiste interpretatie van ingediende stukken. De zaak illustreert ook de toepassing van artikel 416 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering en de jurisprudentie omtrent machtiging en appelschriftuur via e-mail.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02901
Zitting18 april 2023

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
Bij arrest van 30 juni 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2020 waarin de verdachte wegens ‘overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ en ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ is veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf, een geldboete van € 950,00, subsidiair 19 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 8 maanden.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelkomt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep en bevat de klacht dat het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2021 houdt het volgende in:
‘De verdachte genaamd (…) is niet verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert dat het hof de verdachte, zonder verder onderzoek van de zaak, niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu de verdachte geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van de politierechter.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en doet direct uitspraak.

AANTEKENING MONDELING ARREST

De voorzitter deelt mede:
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.’
5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Akte instellen hoger beroep’ die onder meer inhoudt:
‘Op 06 april 2020 kwam ter griffie van deze rechtbank, locatie Lelystad, de schriftelijke verklaring van
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]
wonende te [a-straat 1], [postcode] [plaats]
die verklaarde:
hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de politierechter in deze rechtbank, locatie Lelystad, op 11 maart 2020 gewezen.
Waarvan akte.
de comparant, de griffier,
Zie aangehecht schrijven. [handtekening]
6. Aan deze akte is een e-mail van de verdachte gehecht die, zo begrijp ik, op 6 april 2020 is ingekomen bij de griffie van de rechtbank Midden-Nederland, Locatie Lelystad. De e-mail is gericht aan ‘Strafrecht Lelystad (Rechtbank Midden-Nederland)’, heeft als onderwerp ‘hogerberoep [verdachte]’, vermeldt als datum ‘maandag 6 april 2020 7:48:32’ en noemt als bijlagen twee screenshots. Deze e-mail houdt het volgende in:
‘Grievenformulier
Dit betreft een standaardformulier waarop u grieven tegen het vonnis en/of redenen voor het instellen van hoger beroep kunt weergeven (art 410 lid 1 en Pro lid 4 Wetboek van strafvordering)
Verdachte
(…)
Om één of méér van de volgende reden kom ik in hoger beroep:
Gang van zaken ter terechtzitting
(x) Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat:
Ik niet op de hoogte was van de zitting en ik had een afspraak bij jellinek
(…)
Schuld/onschuld of bijzondere reden
(x) Ik ben onschuldig
geblowd pas nadat ik ben staande gehouden
(…)
Strafmaat
(x) Ik heb bezwaren tegen de (hoogte van) de opgelegde straf:
erg hoge straf 3 weken vastzitten
boete erg hoog 950
en ook nog eens 8 maanden rij ontzegging
(…)
Datum 03 04 2020
Handtekening (…)’
7. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat de verdachte mede daarom op de voet van artikel 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, niet zonder meer begrijpelijk. [1]
8. Het middel slaagt.
9. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1645. Uit de conclusie voorafgaand aan dat arrest van A-G Hofstee volgt dat ook in die zaak enkel een e-mailbericht was binnengekomen. De akte instellen hoger beroep vermeldde in die zaak – correct - dat een ambtenaar van de griffie van de rechtbank ‘daartoe gemachtigd blijkens de aan de akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht’ verklaarde namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het bedoelde eindvonnis van de rechtbank (randnummer 6). Ik begrijp dat het hof ook in de onderhavige zaak heeft aangenomen dat het hoger beroep op deze wijze is ingesteld. Ik attendeer er voorts op dat A-G Hofstee in de betreffende conclusie al uit eerdere rechtspraak van Uw Raad afleidde dat een e-mailbericht tegelijk als machtiging tot het instellen van hoger beroep en als appelschriftuur kan worden aangemerkt, en dat Uw Raad ‘niet ambtshalve zal ingrijpen als het oordeel van het hof dat het hoger beroep op de juiste wijze is ingesteld niet zonder meer begrijpelijk is’ (randnummers 11 tot en met 13).