Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen
van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
van [slachtoffer]:
[betrokkene 1]:
[betrokkene 2]:
verklaring van de getuige [betrokkene 2]:
verklaring van verdachte(A):
verklaring van verdachteafgelegd ter terechtzitting van het hof van 30 juni 2021 (…):
3.Bespreking van het middel
dachtdat er geen getuigen van zijn kant aanwezig waren. “Niet is gebleken dat de betreffende getuigen ([betrokkene 4] en [betrokkene 3]) niet daadwerkelijk getuige zijn geweest van het gebeuren”, aldus de steller van het middel.
de verklaring van de verdachtedat hij werd aangevallen en niet weg kon, niet geloofwaardig vindt
medegelet op het feit dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de toedracht en zijn verklaring lijkt aan te passen aan het verhaal van de later ter zitting [AG: van de politierechter] gehoorde getuigen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft
de verklaringen van de later gehoorde getuigenevenmin geloofwaardig geacht.
Daarbijheeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte aanvankelijk heeft gezegd dat er geen getuigen van zijn kant aanwezig waren. Uit de gehele in randnr. 2.4 aangehaalde overweging van het hof leid ik af dat het hof de wisselende verklaring van de verdachte niet alleen heeft meegewogen bij de beoordeling van de vraag of het de verklaring van de verdachte geloofwaardig acht, maar ook bij de beoordeling van diezelfde vraag ten aanzien van de verklaringen van de door de verdachte in eerste aanleg meegebrachte getuigen. Dat het hof vervolgens heeft geoordeeld dat ook die verklaringen niet geloofwaardig zijn, acht ik niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof niet geoordeeld dat [betrokkene 4] en [betrokkene 3] “niet daadwerkelijk getuige zijn geweest” van het incident.