Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud zaak
2.Feiten en procesverloop
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De Stichting heeft afgezien van het geven van een schriftelijke toelichting.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 2.26 van het bestreden arrest. Daarin heeft het hof het volgende overwogen (voor de leesbaarheid citeer ik ook rov. 2.25):
Het gevorderde restantbedrag(…)
subonderdeel 1.1, dat ik hierna onder 3.14zal weergeven, is dat de verantwoording die [verweerder] aan de Stichting heeft verstrekt [8] , een onderhandse akte is die dwingend bewijst dat er van het aan [verweerder] betaalde bedrag nog 1.200.000 roepies over waren.
Volgens art. 156 lid 3 zijn Pro onderhandse akten alle akten die niet authentieke akten zijn.
Dat is wel gebeurd in hoger beroep. De Stichting heeft haar eerste grief gericht tegen de hiervoor besproken rov. 5.5 en heeft in de toelichting op deze grief gesteld dat de door [verweerder] zelf opgemaakte en handgeschreven opstelling en berekening, die hij ook nog eens van zijn handtekening heeft voorzien, moet worden gekwalificeerd als een in een onderhandse akte vervatte verklaring “dat hij nog een bedrag van Rs 1.200.000,- over had van het aan hem door de Stichting c.s. voor de aanschaf van de moorties ter beschikking gestelde bedrag”. [25] Verder heeft de Stichting, voor zover thans van belang, in de toelichting op grief 1 aangevoerd dat [verweerder] in een brief van 19 mei 2015 aan de broer van [betrokkene 1] heeft erkend dat hij nog een bedrag van Rs 1.200.000,- onder zich had en dat hij dit bedrag aan [betrokkene 1] Advocaten diende over te maken [26] en dat dit wordt bevestigd door een e-mail van de advocaat van [verweerder] van 2 juni 2015. [27]
overgehouden van het geld dat aan hem is overgemaakt, tot de zijne gemaakt en daaraan toegevoegd dat ook in hoger beroep aanknopingspunten daarvoor ontbreken. Het hof heeft dus feitelijk geoordeeld dat de Stichting niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en heeft de stelling daarmee verworpen.
Vervolgens heeft het hof in de bestreden rov. 2.26 aanvullend overwogen dat [verweerder] ook in zijn brief van 19 mei 2015 en in de brief van zijn advocaat van 2 juni 2015 niet heeft erkend dat nog een deel van het aan hem overgemaakte geld was overgebleven.
De rechtbank heeft in het vonnis van 27 mei 2020 in rov. 5.12 geoordeeld dat partijen een nadere overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot het afgeven door [verweerder] van de ‘bill of lading’ tegen het afgeven van vrijwaringsverklaringen door de Stichting en dat [verweerder] zich heeft beroepen op een opschortingsrecht met betrekking tot de uitvoering aan zijn kant. Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 5.13 geoordeeld dat [verweerder] zijn uit deze nadere overeenkomst voortvloeiende verplichting kon opschorten toen de Stichting op 28 mei 2015 verlof tot het leggen van conservatoir beslag verzocht.
Het subonderdeel faalt daarom.