Conclusie
ABN AMROrespectievelijk
[verweerder].
1.Inleiding en samenvatting
Wft). Op grond van die bepaling dient een financiële onderneming een variabele beloning die is uitgekeerd aan een personeelslid terug te vorderen, indien dat personeelslid niet heeft voldaan aan ‘passende normen inzake bekwaamheid en correct gedrag’.
2.Feiten
[A]). De Nederlandse Vouw Industrie (hierna:
NVI) produceerde de pashouders in opdracht van [A] .
[B]) opgericht. De aandelen in die besloten vennootschap werden gehouden door Greenwood Trading B.V., de holdingvennootschap van [betrokkene 1] (de echtgenote van [verweerder] ) en Newhouse Company B.V., de holdingvennootschap van [betrokkene 2] (de echtgenote van [betrokkene 3]
,een collega van [verweerder] ), elk voor 49%. [2] De beide holdingvennootschappen waren beide bestuurder van [B] . [3]
SIM) van die bank een onderzoek naar [verweerder] gestart. SIM heeft [verweerder] in het kader van dat onderzoek twee keer gehoord. [4]
.
de kantonrechter) [verweerder] en [betrokkene 2] hoofdelijk veroordeeld om aan ABN AMRO te betalen € 217.384,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de verschillende in het vonnis genoemde data van opeisbaarheid. De kantonrechter heeft een beslissing over de proceskosten gegeven, zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde – waaronder de terugvordering van de variabele beloning – afgewezen. [12]
het hof). [13] [verweerder] heeft onder aanvoering van zes grieven gevorderd het vonnis waarvan beroep te vernietigen en alle vorderingen van ABN AMRO alsnog af te wijzen, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten.
het bestreden arrest) heeft het hof
in het principaal appelhet vonnis waarvan beroep vernietigd voor zover [verweerder] hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van € 217.384,-, en [verweerder] hoofdelijk veroordeeld aan ABN AMRO te betalen een schadevergoeding van € 180.000,- (waarbij in mindering komt hetgeen door [betrokkene 2] en/of [verweerder] reeds is betaald), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf:
- 14 september 2012 over een bedrag van € 10.250;
- 10 januari 2013 over een bedrag van € 10.000;
- 24 mei 2013 over een bedrag van € 10.000;
- 13 december 2013 over een bedrag van € 8.000;
- 28 maart 2014 over een bedrag van € 10.000;
- 11 juli 2014 over een bedrag van € 5.000;
- 14 november 2014 over een bedrag van € 750;
- 8 augustus 2014 over een bedrag van € 5.000;
- 3 oktober 2014 over een bedrag van € 5.150;
- 23 april 2015 over een bedrag van € 5.850;
- 4 mei 2015 over een bedrag van € 22.860;
- 3 februari 2016 over een bedrag van € 28.350;
- 6 mei 2016 over een bedrag van € 30.474;
- 26 augustus 2016 over een bedrag van € 11.520;
- 7 december 2016 over een bedrag van € 11.700;
- 8 december 2016 over een bedrag van € 11.700;
- 22 december 2016 over een bedrag van € 13.050;
- 24 maart 2017 over een bedrag van € 9.000;
- 30 juni 2017 over een bedrag van € 9.000; en
- 17 oktober 2017 over een bedrag van € 9.000.
in het incidenteel appelhet hoger beroep verworpen, en voorts, in het principaal en het incidenteel appel, een beslissing over de proceskosten gegeven. [15]
In aanvulling op artikel 135, achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vordert een financiële onderneming een aan een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid uitgekeerde variabele beloning in ieder geval terug, indien die persoon: a. niet heeft voldaan aan passende normen inzake bekwaamheid en correct gedrag”. Op grond van art. 1:127 lid 1 Wft Pro dient een financiële onderneming te beschikken ‘
over procedures en criteria betreffende de toepassing’ van claw-back, niet alleen betreffende de toepassing van artikel 1:126 Wft Pro maar ook de in ‘
het (…) derde lid van dit artikel(art. 1:127 Wft Pro dus, hof)
bedoelde bevoegdheden’. Ten aanzien van de hoogte van de terugvordering is in de wetsgeschiedenis opgenomen dat deze afhankelijk is van de mate waarin de genoemde normen zijn overschreden en de omstandigheden van het specifieke geval (MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33964, 3, p. 22). Alle gevallen laten een ruime beoordelingsruimte aan de onderneming (MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33964, 3, p. 40). (…).
Niet in geschil is immers of die zich tot ABN AMRO uitstrekkende verplichting in beginsel bestaat, maar de vraag blijft op welke wijze de claw-back jegens de werknemer [verweerder] kan worden uitgeoefend. De invulling van aan ABN AMRO en/of [verweerder] opgelegde verplichtingen en normen in de Wft dient in hun onderlinge verhouding als werkgever en werknemer (mede) te worden ingevuld door het arbeidsrecht. Vanwege de kenbaarheid en afdwingbaarheid verdient het daarom de voorkeur om de procedures en criteria voor toepassing van de verplichte claw-back uit hoofde van goed werkgeverschap gedetailleerd in het beloningsbeleid op te nemen.Dat was in eerste aanleg niet gebleken.
.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Wbfo). [20] Deze regeling bouwt voort op de regeling over de terugvordering van bonussen aan bestuurders van naamloze vennootschappen in Boek 2 BW. Ik zal eerst ingaan op die laatste regeling en daarna de wetswijzigingen bespreken die daarop zijn gevolgd.
tot 1 januari 2014als volgt:
CGC) 2008
best practice bepalingen(afgekort: bpb) opgenomen, gericht op een beheerst beloningsbeleid. De CGC was op grond van art. 2:391 lid 5 BW Pro wettelijk verankerd. In de Code Banken 2010 waren aanpassings- en terugvorderingsbevoegdheden neergelegd. [21]
wet van 11 december 2013is, met ingang van 1 januari 2014, in art. 2:135 BW Pro een regeling geïntroduceerd inzake aanpassing (lid 6) en terugvordering (lid 8) van bonussen van bestuurders. [22] Het toegevoegde achtste lid luidt:
Indien een bonus is uitgekeerd, terwijl de doelen waarop de bonus is gebaseerd in werkelijkheid geheel of gedeeltelijk niet zijn bereikt, moet de uitbetaling als onverschuldigd worden beschouwd.”
indien dit in enig oorzakelijk verband staat met de doelen en/of omstandigheden op basis waarvan de bonus is uitgekeerd”. [27]
General Business Principles), toepasselijke statuten of wetten heeft geschonden, is tijdens de parlementaire behandeling ontkennend geantwoord:
Een nadere uitwerking vooraf kan voor betrokkenen meer zekerheid bieden, maar kan niet op voorhand tot een beperking van de uitoefening van de bevoegdheden leiden. Het is aan de rechter om in een concreet geval te toetsen of aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid is voldaan met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.”
Wfteen hoofdstuk 1.7 toegevoegd, dat één artikel bevatte: art. 1:111 Wft Pro. Daarin werd onder meer bepaald dat de bevoegdheden van art. 2:135 lid 6 en Pro 8 BW van overeenkomstige toepassing zijn voor financiële ondernemingen (lid 1) en dat deze bevoegdheden ook van toepassing zijn op alle ‘dagelijks beleidsbepalers’ bij een financiële onderneming (lid 2). De kring van personen voor wie deze regeling gold, was ruimer dan op grond van de regeling uit boek 2 BW omdat (i) de regeling in de Wft gold voor financiële ondernemingen ongeacht hun rechtsvorm (dus niet alleen naamloze vennootschappen) en (ii) niet alleen de bestuurders maar ook dagelijks beleidsbepalers van financiële ondernemingen onder de regeling vielen.
Besluit beheerst beloningsbeleid Wft 2011zijn kort gezegd twee normen opgenomen, een prudentiële norm en een gedragsnorm.
Het beloningsbeleid van een financiële onderneming mag niet meer risico’s met zich brengen dan de onderneming kan dragen.
Daarnaast mag het beloningsbeleid niet tot benadeling van consumenten leiden. De toezichthouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van deze normen. De Nederlandsche Bank heeft de prudentiële norm uitgewerkt in de Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2011. Deze regeling (…) stelt eisen ten aanzien van de variabele beloning. Het gaat bijvoorbeeld om de verplichting om een variabele beloning zowel in een korte als lange termijn component op te splitsen en om de variabele beloning op te bouwen uit zowel cash als andere financiële instrumenten.
De claw back is geformuleerd als een verplichting en moet door de onderneming duidelijk zijn vastgelegd en afdwingbaar zijn.
De claw back moet daarom opgenomen zijn in beleid of contracten.” [32]
Wbfo, die als gezegd op 7 februari 2015 in werking is getreden. Het doel van de Wbfo is om, tegen de achtergrond van de bankencrisis, financiële ondernemingen te verplichten tot het voeren van een beheerst beloningsbeleid en excessieve variabele beloningen aan banden te leggen. Daarnaast heeft de wet tot doel begrippen te harmoniseren en waar nodig bestaande normen aan te scherpen. [33] Deze wetswijziging ziet alleen op de Wft en niet (ook) op art. 2:135 BW Pro.
CRD IV). [34] Art. 94 lid Pro 1, onder n, van CRD IV bevat een clawback-bepaling die als volgt luidt (mijn onderstreping):
De instellingen stellen specifieke criteria voor de toepassing van malus- en verrekeningsregelingen vast. De criteria betreffen met name situaties waarin
het personeelslid:
zich op een dusdanige manier heeft gedragen, of verantwoordelijk was voor gedragingen die ertoe hebben geleid dat de instelling aanmerkelijke verliezen heeft geleden;
niet heeft voldaan aan passende normen inzake bekwaamheid en correct gedrag;”
De bevoegdheden, bedoeld in artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelden, voor zover niet reeds op grond van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing,
tevens voor:
financiële ondernemingen met zetel in Nederland;
In aanvulling op artikel 135, zesde en achtste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekzijn de in dat artikel bedoelde bevoegdheden
van overeenkomstige toepassing op alle natuurlijke personen werkzaamonder verantwoordelijkheid van:
beschikt over procedures en criteria betreffende de toepassing van de inartikel 1:126 en Pro het tweede en
derde lid van dit artikel bedoelde bevoegdheden.
verlaagt een financiële ondernemingeen aan
een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid uitgekeerde variabele beloning in ieder geval, indien die persoon:
niet heeft voldaan aan passende normen inzake bekwaamheid en correct gedrag; of
vordert een financiële ondernemingeen aan
een natuurlijk persoon werkzaam onder haar verantwoordelijkheid uitgekeerde variabele beloning in ieder geval terug, indien die persoon:
niet heeft voldaan aan passende normen inzake bekwaamheid en correct gedrag; of
5. (…)”
alle personendie werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van de financiële onderneming (ook zij die geen arbeidsovereenkomst hebben). Dat is ruimer dan art. 1:111 (oud) Wft en dan de
identified staffgenoemd in CRD IV. Bij de parlementaire behandeling is aan de orde geweest waarom de reikwijdte van de regelingen inzake variabele beloning breder is dan de ‘
identified staff’. De regering heeft daarop het volgende geantwoord (mijn onderstreping):
Bij het ontbreken van deze reikwijdte blijft de reële mogelijkheid bestaan dat een situatie zich voordoet waarbij terugvordering of aanpassing gewenst is, maar dit niet mogelijk is. Het ontbreken van aanpassings- en terugvorderingsregels in de bedrijfsvoering van een onderneming kan leiden tot een te eenzijdig nastreven van de doelen die gekoppeld zijn aan de variabele beloning en zo in extreme gevallen fraude in de hand werken. Een wettelijke plicht tot aanpassing en terugvordering is daarom een geëigend en effectief middel, ten opzichte van alle personen werkzaam bij de financiële onderneming.” [38]
verplichtom in gevallen genoemd in leden 2 en 3, onder a. en b., een variabele beloning aan te passen (lees: verlagen) respectievelijk terug te vorderen. In zoverre is sprake van een aanscherping ten opzichte van art. 2:135 leden Pro 6 en 8 BW, die immers enkel voorzien in de
bevoegdheidtot aanpassing respectievelijk terugvordering.
In twee gevallen dient de onderneming [te] allen tijde tot aanpassing en terugvordering van de variabele beloning over te gaan.
Alle gevallen laten een ruime beoordelingsruimte aan de onderneming. (…)
principes die zijn opgenomen in de wettelijke moreel-ethische verklaring, interne gedragscodes en relevante wet- en regelgeving. Bij de beoordeling van de omvang van de schending en matiging zijn onder meer de volgende indicatoren van belang: een screening voor het uitoefenen van een integriteitsgevoelige functie, de uitkomsten van een toetsing op geschiktheid of betrouwbaarheid door de toezichthouders en verdenking van strafrechtelijke feiten of strafrechtelijke vervolging.” [39]
rechtsgevolgenvan een schending van de verplichtingen die zijn opgenomen in art. 1:127 Wft Pro merk ik het volgende op.
civielrechtelijkoogpunt is het volgende relevant. In art. 1:23 lid 1 Wft Pro is als algemeen uitgangspunt bepaald dat de rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling die is verricht in strijd met de bij of krachtens die wet gestelde regels niet uit dien hoofde aantastbaar is. [45] De nietigheidssanctie van art. 3:40 lid 2 BW Pro is dus in zijn algemeenheid niet van toepassing. Het met de Wbfo ingevoerde art. 1:116 lid 3 Wft Pro bevat echter een afwijking van dat uitgangspunt omdat daarin is bepaald dat rechtshandelingen in strijd met de bij of krachtens (onder meer) art. 1:127 leden Pro 2 en 3 Wft gestelde regels nietig zijn.
Het begrip «rechtshandelingen» dient ruim te worden geïnterpreteerd: het kan gaan om de toekenning van (variabele) beloningen, maar ook om overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de toekenning of uitkering van dergelijke beloningen (bijvoorbeeld een arbeids- of vaststellingsovereenkomst). In het geval dat een uitkering wordt gedaan in strijd met de wet is de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de uitkering nietig en kan de uitkering worden teruggevorderd op grond van ongerechtvaardigde betaling [bedoeld is:onverschuldigdebetaling, A-G]. (…)” [46]
omstandigheden van het specifieke geval. Bij dit laatste kan worden gedacht aan de schade die de financiële instelling heeft geleden, de positie van de betreffende medewerker en het verband tussen het ongepaste gedrag van de medewerker en de criteria op grond waarvan de bonus is verstrekt.Bij de mate waarin de genoemde normen zijn overtreden spelen factoren als opzet of bewuste roekeloosheid, de aard van de gedraging (bijvoorbeeld fraude) en de duur en frequentie van het ongepaste gedrag een rol.
Vanwege de kenbaarheid en afdwingbaarheid verdient het de voorkeur om de procedures en criteria voor toepassing van de verplichte clawback gedetailleerd in het beloningsbeleid op te nemen.”
afrondingvan dit juridisch overzicht, waarin ik enkele conclusies zal trekken.
Onverminderd de algemene beginselen van het nationale verbintenissen- en arbeidsrecht.” De norm van goed werkgeverschap als bedoeld in art. 7:611 BW Pro kan naar mijn mening gerekend kan worden tot de wezenlijke beginselen van het Nederlandse arbeidsrecht.
de voorkeur verdient’ om de procedures en criteria voor toepassing van de verplichte clawback uit hoofde van goed werkgeverschap gedetailleerd in het beloningsbeleid op te nemen. Het hof overweegt in rov. 5.32 dat het ‘
op de weg van de bank had gelegen’ invulling te geven aan hoe de bevoegdheid daadwerkelijk zal worden uitgeoefend en daarvan in het openbaar verantwoording te doen, zoals ook volgt uit het eerste lid van art. 1:127 Wft Pro. Uit deze overwegingen kan niet worden afgeleid dat de rechtsgrond voor de terugvordering moet worden verschaft door het door de financiële onderneming gehanteerde beloningsbeleid.
dat en wanneer de bank tot terugvordering bevoegd is’. Voor zover het hof heeft gemeend dat een dergelijke grondslag pas kan worden aangenomen ingeval in het beleid is geëxpliciteerd wanneer een variabele beloning geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd (rov. 5.32) en/of wanneer de in dat verband te hanteren wegingscriteria kenbaar zijn (rov. 5.34), heeft het hof te hoge eisen aan het vereiste beleid gesteld. Voldoende is, volgens het subonderdeel, dat uit het beleid volgt dát de financiële onderneming in de in art. 1:127 lid 3 Wft Pro genoemde gevallen tot terugvordering bevoegd is.
grondslagvoor terugvordering van een variabele beloning bestaat, maar dat voor
toewijzingvan een dergelijke vordering tevens nodig is dat de financiële onderneming over beleid beschikt waarin de procedures en criteria voor de toepassing van de terugvorderingsbevoegdheid zijn uitgewerkt en/of waarin is geëxpliciteerd hoe wordt bepaald of de variabele beloning geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd. Volgens het subonderdeel miskent het hof daarmee dat voldoende is dat de werknemer niet heeft voldaan aan passende normen inzake bekwaamheid en correct gedrag (art. 1:127 lid Pro 3, onder a, Wft) of dat de werknemer verantwoordelijk is voor gedragingen die ertoe hebben geleid dat de positie van de onderneming aanmerkelijk is verslechterd (art. 1:127 lid Pro 3, onder b, Wft).
niet veel meer bevatten dan de vaststelling dat en wanneer de bank tot terugvordering bevoegd is”. Het gaat er het hof echter om (dat transparant en duidelijk is) “
op welke wijze het terugvorderingsbeleid daadwerkelijk wordt ingevuld.” “
Maar wanneer het een volledige of een gedeeltelijke clawback zal zijn, wordt niet geëxpliciteerd.”
Dat sprake is van een verplichting brengt nog niet mee dat het volledig uitgekeerde bedrag dient te worden teruggevorderd.” En: “
Welke wegingsfactoren de bank in welk geval toepast is het hof niet gebleken.”ABN AMRO heeft met andere woorden onvoldoende onderbouwd waarom in het geval van [verweerder] de terugvordering 100% moest zijn. Ook op die overweging berust de afwijzing van de vordering van ABN AMRO.
de proportionaliteit van de maatregel tot uiting [komt] doordat deze alleen van toepassing is wanneer aan de in het wetsvoorstel genoemde maatregelen is voldaan.”Dat de bank is “
opgelicht en flink ook” [56] vormt zonder nadere toelichting onvoldoende grondslag voor een 100% terugvordering. Daar voeg ik aan toe dat het bedrag van de teruggevorderde prestatiepremie voor [verweerder] overeenkomt met twee bruto-maandsalarissen. Niet gering dus, terwijl de door de bank geleden schade wordt door [verweerder] en [betrokkene 2] wordt dan wel is vergoed.
subonderdeel 1.7, dat een motiveringsklacht richt tegen het oordeel dat niet is gebleken op grond waarvan [verweerder] de variabele beloning heeft gekregen en dat de nadere onderbouwing daarvan ontbreekt, geen bespreking.