ECLI:NL:PHR:2023:597

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2023
Publicatiedatum
16 juni 2023
Zaaknummer
21/05038
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SvArt. 36g SvArt. 416, tweede lid, SvArt. 14e SrArt. 6:1:16 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste betekening dagvaarding bij locatieverbod verdachte

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld en onderworpen aan bijzondere voorwaarden, waaronder een dadelijk uitvoerbaar locatieverbod voor zijn BRP-adres en een contactverbod met bewoners van dat adres. De dagvaarding voor het hoger beroep werd uitsluitend op dit BRP-adres aan de verdachte aangeboden, ondanks dat hij daar vanwege het locatieverbod niet mocht komen.

De verdachte had een ander verblijfadres opgegeven aan de politie, maar op dat adres was geen poging gedaan om de dagvaarding te betekenen. Het hof verklaarde de dagvaarding rechtsgeldig betekend en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep vanwege zijn afwezigheid. De advocaat van de verdachte stelde cassatiemiddel in dat zich richtte tegen deze rechtsgeldigheid van de betekening.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het niet redelijk is om te veronderstellen dat de dagvaarding de verdachte heeft bereikt als deze niet op het BRP-adres mocht komen en er geen poging was gedaan op het alternatieve adres. De AG adviseert vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof voor een nieuwe beoordeling.

De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige betekening, zeker wanneer bijzondere voorwaarden zoals locatieverboden spelen die de bereikbaarheid van de verdachte op het BRP-adres beperken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen wegens onjuiste betekening van de dagvaarding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05038
Zitting20 juni 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 12 augustus 2021 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.
Namens de verdachte heeft N. Roos, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
II.
Het middel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het middel keert zich tegen het in de bestreden uitspraak liggend oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
Het verloop van de procedure voor zover van belang
4. De verdachte wordt er onder meer van verdacht dat hij op 8 december 2020 zijn toenmalige partner [aangeefster] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling in hun woning aan de [a-straat 1] [plaats] . Beiden stonden volgens de ‘ID-staat conform SKDB’ van 28 december 2020 op dat adres ingeschreven. De toenmalige partner [aangeefster] heeft van die bedreiging aangifte gedaan bij de politie. De verdachte is vervolgens op 8 december 2020 aangehouden en een dag later verhoord. De desbetreffende stukken vermelden als adres van de verdachte [a-straat 1] [plaats] . Op 9 december 2020 is de verdachte in verzekering gesteld. Zowel op het proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 9 december 2020 en het bevel inverzekeringstelling d.d. 9 december 2020, als op de kennisgeving inbeslagneming (betreffende verdachtes iPhone) d.d. 8 december 2020 staat ten name van de verdachte als adres vermeld [b-straat 1] te [plaats] .
5. Voorts is blijkens een daarvan opgemaakte akte van uitreiking d.d. 9 december 2020 op die dag een gedragsaanwijzing als bedoeld in art. 509hh Sv aan de verdachte in persoon uitgereikt. Deze aanwijzing ging in op de dag van uitreiking en bleef van kracht voor een periode van negentig dagen t/m 8 maart 2021. Zij bevatte een locatieverbod wat betreft de [a-straat 1] [plaats] en een contactverbod ten aanzien van zijn toenmalige partner [aangeefster] . Op de gedragsaanwijzing en de akte van uitreiking staat achter “Adres en woonplaats” van de verdachte genoteerd [a-straat 1] [plaats] , het BRP-adres waarop toen als gezegd ook de verdachte ingeschreven stond. Voorts was in de gedragsaanwijzing een alinea opgenomen waarin de verdachte werd bevolen een wijziging van zijn verblijfadres aan de politie door te geven op het politiebureau waar de gedragsaanwijzing was uitgereikt, waarvoor de verdachte tot uiterlijk 1 maart 2021 de tijd kreeg.
6. Gelijktijdig met de gedragsaanwijzing is aan de verdachte een dagvaarding in persoon betekend om op 22 januari 2021 bij de politierechter in de rechtbank Rotterdam te verschijnen. Op 22 januari 2021 is de verdachte niet ter terechtzitting van de politierechter verschenen. De zaak is door de politierechter aangehouden en doorverwezen naar een politierechtzitting ‘huiselijk geweld’. Die terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021, maar ook toen was de verdachte niet aanwezig. Als ik goed zie is voor deze terechtzitting van 1 maart 2021 opnieuw een dagvaarding, gedateerd 2 februari 2021, uitgegaan en is getracht deze dagvaarding aan de verdachte uit te reiken op het adres [a-straat 1] , [plaats] , het adres dus waarvoor op dat moment nog een locatieverbod voor de verdachte gold krachtens de gedragsaanwijzing. Uiteindelijk is deze dagvaarding betekend aan een medewerker van het openbaar ministerie op 16 februari 2021. Ook de respectieve processen-verbaal van de politierechtzittingen van 22 januari 2022 en 1 maart 2022 vermelden dat de verdachte staat “ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [a-straat 1] , [plaats] ”.
7. De politierechter heeft de verdachte voor onder meer de voornoemde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren (met aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr Pro). Op de aantekening mondeling vonnis is [a-straat 1] , [plaats] als adres van de verdachte opgenomen. Bij het voorwaardelijke deel zijn bijzondere voorwaarden gesteld. Een van deze bijzondere voorwaarden behelst een contactverbod met zijn ex-partner [aangeefster] en haar kinderen en een andere bijzondere voorwaarde betreft een locatieverbod, in die zin dat de verdachte (als veroordeelde):
“zich niet zal bevinden in de [a-straat 1] te [plaats] , gedurende de proeftijd van twee jaar na heden, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt; met uitzondering van de situatie dat daarvoor expliciet toestemming is verleend in het kader van de omgang door de reclassering, Veilig Thuis en/of de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond”.
8. Omdat er ernstig rekening mee moest worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zou begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, werd door de politierechter bevolen tot dadelijke uitvoerbaarheid van onder meer deze twee bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht daarop. De mededeling van deze voorwaardelijke veroordeling d.d. 1 maart 2021 is geadresseerd aan de verdachte op [a-straat 1] , [plaats] . [1] Een akte van betekening heb ik in de voorhanden stukken niet aangetroffen.
9. De akte ‘instellen hoger beroep’ van 4 maart 2021 laat zien dat het hoger beroep is ingesteld door A. Jinghoer, de toenmalige advocaat van de verdachte, en dat A. Jinghoer daartoe bepaaldelijk was gevolmachtigd door de verdachte. Dit impliceert dat de verdachte in elk geval op dat moment met het vonnis van de politierechter en de inhoud daarvan bekend was. Op de ‘akte instellen hoger beroep’ staat onder de naam en geboortegegevens van de verdachte: “wonende te [a-straat 1] , [plaats] ”.
10. De terechtzitting van het hof was op 12 augustus 2021. Er is tot drie keer toe op het BRP-adres van de verdachte, dus aan [a-straat 1] [plaats] , geprobeerd de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon uit te reiken [2] en telkens is tevergeefs een afhaalbericht achtergelaten. Vervolgens is de appeldagvaarding teruggestuurd en blijkens de akte uitreiking van 10 augustus 2021 betekend aan een medewerker van het openbaar ministerie. Overigens staat ook op deze akte [a-straat 1] , [plaats] als adres van de verdachte genoemd.
11. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 augustus 2021 is de verdachte daar niet verschenen. Het hof heeft daarop verstek tegen de niet verschenen verdachte verleend. De voorzitter heeft ter terechtzitting meegedeeld dat het om een zogenaamde strafrolzitting gaat “waarop een aanvang wordt gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak […]”. Dat kan niet anders betekenen dan dat het hof uit de bedoelde betekeningsstukken heeft afgeleid dat de dagvaarding in hoger beroep op rechtsgeldige wijze aan de verdachte is betekend. Het bestreden arrest van 12 augustus 2021 houdt onder meer het volgende in:

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroer.”
12. De mededeling van deze uitspraak van het hof is op 5 december 2021 op een politiebureau aan de verdachte in persoon betekend, waarna N. Roos namens hem tijdig beroep in cassatie heeft ingesteld.
Het juridisch kader
13. Voor de bespreking van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
-
Art. 36e, eerste lid en tweede lid, Sv:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
[…]
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”
-
Art. 36g, eerste tot en met derde lid, Sv:
“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
2. De verdachte kan het adres, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:
a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 36e wordt uitgereikt;
b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;
c. de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in het eerste lid heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen wijzigt;
d. de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon is uitgereikt.”
14. In ons strafrechtelijk stelsel geldt de hoofdregel dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer kan (mag) worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden. Dit uitgangspunt is per 1 januari 2020 verankerd in art. 6:1:16, eerste lid, Sv. [3] Het Wetboek van Strafrecht bevat echter uitzonderingen op deze hoofdregel. Zo een uitzondering is te vinden in art. 14e Sr:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
15. Uit de hierboven weergegeven wettelijke bepalingen volgt dat een gerechtelijke mededeling, zoals de dagvaarding, in beginsel aan het BRP-adres van de verdachte wordt betekend indien de verdachte niet is gedetineerd. In een aantal gevallen (art. 36g, eerste lid, Sv) worden de mededelingen gestuurd naar een ander adres dan het BRP-adres. Uit art. 2:38-2:52 Wet basisregistratie personen (Wbrp) volgt de verplichting dat iedere burger van zijn adres en van de wijziging daarvan aangifte moet doen bij het gemeentebestuur. In geval van een verzuim kan het college van burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete van ten hoogste 325 euro opleggen.
De beoordeling van het middel
16. Meer in het bijzonder luidt de klacht dat het hof ten onrechte tot het in zijn uitspraak besloten liggend oordeel is gekomen dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend, althans dat dit impliciete oordeel onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
16. Het komt mij voor dat de steller van het middel het gelijk aan zijn zijde heeft. Voor zover ik heb kunnen nagaan is enkel op het BRP-adres van de verdachte [a-straat 1] , [plaats] drie keer getracht de appeldagvaarding aan de verdachte uit te reiken en niet (ook) nog op een ander adres. Op dat adres [a-straat 1] mocht de verdachte echter niet komen ingevolge de desbetreffende bijzondere voorwaarde die door de politierechter was gesteld met bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan. Het openbaar ministerie kon, zelfs moest, dat weten. Ik kom daarop nog terug.
16. Opgemerkt kan worden dat in het kader van de gedragsaanwijzing de verdachte was bevolen vóór 1 maart een wijziging van zijn verblijfadres aan de politie door te geven, waarbij komt dat los daarvan in voorkomende gevallen van de verdachte in verband met mogelijke betekeningsperikelen gevergd kan worden dat hij ervoor zorgt dat de dagvaarding hem kan bereiken indien hij van adres verandert. [4] Of de verdachte in de onderhavige zaak aan dit bevel wel of geen gehoor heeft gegeven, kan uit de in cassatie voorhanden stukken niet worden opgemaakt. Wel staat vast dat drie (na de aanhouding van de verdachte opgemaakte) stukken een ander verblijfadres van de verdachte noemen, namelijk [b-straat 1] te [plaats] . Die stukken zijn in chronologische volgorde: de kennisgeving inbeslagneming d.d. 8 december 2020, het proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 9 december 2020 en het bevel inverzekeringstelling d.d. 9 december 2020. Het schijnt mij toe dat, nu niets op het tegendeel wijst, aangenomen mag worden dat het de verdachte is geweest die toen dat adres aan de politie heeft opgegeven. Alsdan zou aan de verdachte niet kunnen worden tegengeworpen dat het zijn eigen risico is als hij geen opgave doet van een ander verblijfadres zolang de (dadelijk uitvoerbaar verklaarde) voorwaarden hem beletten de post op zijn BRP-adres te halen of contact op te nemen met de personen die daar wonen. Van belang is voorts het gegeven dat uit geen enkel stuk van het geding blijkt dat óók op dit adres is geprobeerd de appeldagvaarding aan de verdachte uit te reiken, zodat ik het er in cassatie voor houd dat dit niet is gebeurd.
19. Belangrijker in een zaak als deze is evenwel de overstijgende vraag of – wanneer sprake is van dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden met (kort gezegd) een locatieverbod dat betrekking heeft op het woonadres van de verdachte en een contactverbod met de bewoners ervan – in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend dat de dagvaarding hem niet heeft bereikt als men tracht deze op dat adres aan de verdachte uit te reiken. De verdachte zal (als het goed is) dan immers ten tijde van die uitreiking niet op dat adres aanwezig zijn, noch zal er contact zijn met de (andere) bewoners. Terugkerend naar de onderhavige zaak ligt het om die reden niet voor de hand uitgerekend op de deur van de woning aan de [a-straat 1] in Rotterdam te kloppen om de appeldagvaarding aan de verdachte in persoon uit te reiken. Ik meen dat in dit specifieke geval er toch ook nog wel enig onderzoek van de zijde van ‘justitie’ naar het juiste adres verwacht mag worden en op de terechtzitting van de feitenrechter een wat verdergaand onderzoek naar de correctheid van de betekening van de oproeping of vordering mag worden verlangd. [5] Dat lag in dit geval helemaal in de rede nu van de verdachte ook een ander adres bekend was.
III.
Slotsom
20. Op grond van het voorgaande meen ik dat het middel slaagt.
20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Door de politierechter is op 4 maart 2021 nog een herstelbevel dadelijke uitvoerbaarheid opgemaakt, omdat door een kennelijke misslag in het eerste bevel een hier niet relevante bijzondere voorwaarde per abuis ontbrak. Ook dit herstelbevel vermeldt het adres aan de [a-straat 1] in [plaats] .
2.Op 24, 27 en 30 juli 2021.
3.Luidend: “Voor zover niet anders bepaald, mag geen rechterlijke beslissing ten uitvoer worden gelegd, zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist”.
4.Zie onder meer HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
5.Zulks naar analogie van de rechtspraak van de Hoge Raad in het kader van een aanhoudingsverzoek die op de terechtzitting door de advocaat van een niet op die zitting verschenen verdachte is gedaan en de Hoge Raad in bepaalde gevallen overweegt dat (samengevat) er niet zonder meer vanuit kan worden gedaan dat de verdachte op de hoogte is van de terechtzitting als de vordering of de oproeping niet in persoon is uitgereikt maar wel op rechtsgeldige wijze is betekend, dat wil zeggen in overeenstemming met de ter zake geldende wettelijke voorschriften (artikel 36a-36n Sv) alsmede de in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking gebrachte regels. Uit zo’n betekening volgt immers niet zonder meer dat de verdachte op de hoogte is van de zitting, aldus de Hoge Raad. Zie voor dit een en ander HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,