ECLI:NL:PHR:2023:599

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2023
Publicatiedatum
16 juni 2023
Zaaknummer
22/02376
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 436 SvCArt. 440 SvArt. 406 lid 6 SvCArt. 392 SvCArt. 394 SvC
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis wegens ontoelaatbare beperking hoger beroep door openbaar ministerie

De zaak betreft een cassatieprocedure tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin de verdachte werd veroordeeld voor opzetheling en medeplegen van oplichting. Het openbaar ministerie had het hoger beroep echter beperkt ingesteld, waarbij het zich uitsluitend richtte tegen bepaalde vrijspraken en niet tegen het gehele vonnis. Volgens art. 436 SvC Pro is het hoger beroep slechts tegen het gehele vonnis mogelijk, tenzij het gaat om gevoegde zaken. Het hof heeft desalniettemin het hoger beroep in behandeling genomen en de verdachte veroordeeld voor een subsidiair ten laste gelegd feit dat niet in het hoger beroep aan de orde mocht zijn.

De procureur-generaal concludeert dat deze beperking van het hoger beroep door het openbaar ministerie ontoelaatbaar is en dat het hof het OM niet-ontvankelijk had moeten verklaren voor dat deel van het hoger beroep. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en vernietigt het bestreden vonnis voor zover het betrekking heeft op het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling. De overige delen van het vonnis blijven in stand, aangezien het hoger beroep daar wel ontvankelijk was ingesteld.

De conclusie benadrukt dat het openbaar ministerie als professionele partij geen herstelmogelijkheid heeft voor een onrechtmatige beperking van het hoger beroep, anders dan de verdachte. De Hoge Raad overweegt tevens dat de strafoplegging voor de niet in hoger beroep bestreden feiten door het hof zelf is vastgesteld conform art. 406, zesde lid, SvC. De beslissing heeft belangrijke gevolgen voor de procesrechtelijke regels omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep en de reikwijdte daarvan.

Uitkomst: Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor het onrechtmatig in behandeling genomen deel van het hoger beroep en het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard voor dat deel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02376 C
Zitting20 juni 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
1. De verdachte is bij vonnis van 10 februari 2022 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) voor de aan het Hof onderworpen feiten (wegens 3 subsidiair “opzetheling, meermalen gepleegd”) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest. [1] Voorts heeft het Hof de aan de verdachte opgelegde hoofdstraf voor de niet aan het oordeel van het Hof onderworpen bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden [2] , zodat het totaal neerkomt op 29 maanden gevangenisstraf. Ook heeft het Hof de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven. Daarnaast heeft het Hof de respectieve vorderingen tot materiële schadevergoeding van de benadeelde partijen toegekend en in dat verband aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 1:78 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Curaçao (hierna: SrC) opgelegd, een en ander zoals in het vonnis bepaald.
2. Namens de verdachte heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, drie middelen van cassatie voorgesteld. Ik begin, gelet op de volgorde van de formele voorvragen van art. 392 SvC Pro en de materiële vragen van art. 394 SvC Pro om cassatie-technische redenen met mijn bespreking van het tweede middel.
II.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 436 SvC Pro het hoger beroep in behandeling heeft genomen, terwijl het openbaar ministerie dat hoger beroep op een ontoelaatbare wijze heeft beperkt.
Het vonnis van de rechtbank
4. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) heeft de verdachte bij vonnis van 28 juni 2021 ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 als feit 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde (opzetheling respectievelijk medeplegen van oplichting) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest. Het Gerecht heeft de verdachte vrijgesproken van het in diezelfde zaak als feit 1 primair en 3 tenlastegelegde (diefstal respectievelijk opzetheling), alsook van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 555.00102/21 (medeplegen opzetheling).
Het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep
5. Tegen het vonnis van het Gerecht is (enkel) door de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevinden zich:
- een akte tot het instellen van partieel hoger beroep d.d. 9 juli 2021 in de zaak met parketnummer 555.00034/21. Deze akte houdt onder meer in:
“[…]
Heden 9 juli 2021 verscheen ter Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao
mr. B. Niks
die verklaarde
partieelhoger beroep in te stellen tegen het vonnis gewezen op 28 juni 2021 en uitgesproken door de Rechter in bovengemeld Gerecht in de zaak van het Openbaar Ministerie bij dat gerecht tegen: [verdachte] als veroordeelde;
Partieel appel
Het hoger beroep is
nietgericht tegen de beslissing(en) ten aanzien van (de) feit(en):
1 + 2 + 3 primair [3]
[…]”
- een akte tot het instellen van hoger beroep d.d. 9 juli 2021 in de zaak met parketnummer 555.00102/21, onder meer inhoudende:
“[…]
Heden 9 juli 2021 verscheen ter Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao:
mr. B. Niks
die verklaarde hoger beroep in te stellen tegen het vonnis op 28 juni 2021 uitgesproken door de Rechter in bovengemeld gerecht in de zaak van het Openbaar Ministerie bij dat gerecht tegen: [verdachte] als veroordeelde;
[…]”
De tenlastelegging in hoger beroep
6. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, in hoger beroep tenlastegelegd:

Parketnummer 555.00034/21

3.primair

dat hij op 15 januari 2021, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,
 een motorrijtuig en/of onderdelen van een auto voorzien van chassisnummer [001]
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een [betrokkene 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, en/of door inklimming en/of door middel van een valse sleutel.

3.subsidiair

dat hij in de periode van 15 januari 2021 tot 9 februari 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
 een motorrijtuig en/of onderdelen van een of meerdere auto ('s) voorzien van chassisnummer [001] en/of [002] en/of kenteken [kenteken]
heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goed(eren) wist of begreep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
Parketnummer 555.00102/21
dat hij in de periode van 2 september 2020 tot en met 11 februari 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
 een motorblok (G3LAFP115644) en/of meerdere voertuigonderdelen van een motorvoertuig merk Kia Picanto voorzien van chassisnummer [003]
heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goed(eren) wist of begreep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.”
Het verhandelde ter terechtzitting
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2022 houdt, voor zover hier van belang, in:
“De voorzitter deelt mede dat het hoger beroep van de officier van justitie blijkens de akte is gericht tegen de vrijspraak van feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21 en tegen de vrijspraak van het feit dat onder parketnummer 555.00102/21 ten laste is gelegd.”
8. Ter terechtzitting heeft de procureur-generaal aan het Hof een op schrift gestelde vordering overgelegd – die, zo begrijp ik, tevens als requisitoir dient –, waarin de omvang van het hoger beroep als volgt staat omschreven:

De Procureur-Generaal van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
[…]
verstaathet ingestelde appel aldus, dat het, afgaande op de appelakten, enkel is gericht tegen de feiten, waarvoor verdachte is vrijgesproken, oftewel feit ad 3 subsidiair inzake 555.00034/21 en het feit uit 555.00102/21, hetgeen betekent, nu uitsluitend de Officier van Justitie appel heeft ingesteld, dat de bewezenverklaarde feiten ad 1 en 2 uit 555.00034/21 niet in appel aan de orde zijn;”
9. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig haar aan het Hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota d.d. 20 januari 2022, die wat betreft de omvang van het hoger beroep het volgende inhoudt:
“1. [verdachte] (hierna [verdachte] ), werd volgens het vonnis in Eerste Aanleg, uitgesproken op 28 juni 2021 niet door de rechter in eerste aanleg strafbaar gesteld van
- Feit 3 subsidiair: heling in periode 15 januari 2021 t/m 9 februari 2021 van auto-onderdelen en
- Feit 4, heling in periode 2 september 2020 t/m 11 februari 2021 van een Kia Picanto. [4]
2. Tegen de vrijspraak van bovenvermelde feiten is het openbaar ministerie in appel gegaan.”
De bestreden beslissing van het Hof
10. Het Hof heeft ten aanzien van de omvang van het hoger beroep het volgende overwogen en beslist:
“Het hoger beroep is bij akte beperkt en richt zich conform die akte niet tegen de beslissingen aangaande feiten 1, 2 en 3 primair van het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21. Nu het hoger beroep zich wel expliciet richt tegen feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21, acht het Hof het aangewezen zowel feit 3 primair als feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21 aan zijn oordeel te onderwerpen. Het vonnis waarvan beroep is derhalve aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder parketnummer 555.00034/21 als feit 3 en het onder parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.”
11. Het Hof heeft vervolgens ten laste van de verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard in de zaak met parketnummer 555.00034/21, in die zin dat:
“hij in de periode van 15 januari 2021 tot 9 februari 2021 te Curaçao,
 onderdelen van auto’s voorzien van chassisnummer [001] en [002] en kenteken [kenteken]
heeft verworven
envoorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goederen wist of begreep dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”
Het juridisch kader
12. Art. 436 SvC Pro luidt:
“1. Het hoger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.
2. Zijn echter in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan het hoger beroep tot het vonnis voor zover dit een of meer van de gevoegde zaken betreft, worden beperkt.”
13. Dit artikel kent zijn oorsprong in de gelijkluidende bepaling van art. 407 van Pro het Nederlandse Wetboek van Strafvordering (hierna: SvN). Ik meen daarom dat de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van art. 407 SvN Pro van overeenkomstige toepassing is op art. 436 SvC Pro. Daarvan uitgaande zal ik hieronder het wettelijke kader toepassen zoals is uiteengezet in HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709,
NJ2013/531, m.nt. Mevis, HR 1 juli 2008 ECLI:NL:HR:2008:BC7913,
NJ2008/409 en HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5505,
NJ2007/211.
14. Het eerste lid van art. 436 SvC Pro verwoordt het uitgangspunt dat slechts tegen het gehele vonnis van de rechtbank hoger beroep kan worden ingesteld. Dat lijdt ingevolge het tweede lid evenwel uitzondering wanneer het gaat om gevoegde zaken (cumulatief tenlastegelegde feiten). In die gevallen mag het hoger beroep door de verdachte en de officier van justitie worden beperkt tot het vonnis voor zover het een of meer van die gevoegde zaken betreft. Dat kan uitsluitend door middel van de in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring als bedoeld in art. 445 SvC Pro onderscheidenlijk de verklaring als bedoeld in art. 448 SvC Pro waarmee het rechtsmiddel wordt ingesteld. Verdergaande beperkingen in het hoger beroep zijn niet geoorloofd. De Hoge Raad oordeelde eerder onder meer dat een beperking van het hoger beroep tot het subsidiair tenlastegelegde ontoelaatbaar is. [5] In geval van een veroordeling ter zake van een subsidiair onderdeel van de tenlastelegging moet de rechter in hoger beroep weer over de gehele tenlastelegging oordelen. [6] Een vrijspraak voor bijvoorbeeld het primair tenlastegelegde kan dus niet buiten het hoger beroep worden gehouden. [7]
15. Tegen de achtergrond van dit stelsel dient uitgangspunt te zijn dat niet-inachtneming van art. 436 SvC Pro bij het instellen van het hoger beroep moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de desbetreffende procespartij in het hoger beroep tenzij het verzuim voor de afloop van de beroepstermijn is hersteld. [8] De Hoge Raad heeft evenwel reden gezien de verdachte in voorkomende gevallen een helpende hand toe te steken wanneer het een door (of namens) hem in de appelakte aangebrachte beperking betreft. Een dergelijke beperking kan alsnog door de verdachte of zijn raadsman worden hersteld door ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen en te verklaren het hoger beroep zonder de ten onrechte in de appelakte aangebrachte beperking te willen doorzetten. De gedachte hierachter is dat zo een beperking het gevolg kan zijn van een vergissing of van ontoereikende voorlichting door justitiële functionarissen en dat, mede gelet op de grote gevolgen die het uitsluiten van een hoger beroep kan hebben voor de verdachte, dan niet zonder meer de toegang tot de hogere rechter aan de verdachte kan worden ontzegd. [9] Het valt op dat de Hoge Raad in de te dezen relevante rechtspraak over zo een herstelmogelijkheid het openbaar ministerie als procespartij buiten beschouwing laat. Daaruit maak ik op dat een vergelijkbare herstelmogelijkheid niet aan het openbaar ministerie toekomt, hetgeen overigens begrijpelijk is indien wordt bedacht dat het openbaar ministerie als professionele procespartij op dit terrein deskundig genoeg moet worden geacht. [10] Wat betreft de onderhavige zaak levert dit trouwens geen vraag op, nu de procureur-generaal bij het Hof ter terechtzitting niet is teruggekomen van de in de appelakte aangebrachte beperking van het hoger beroep.

De bespreking van het middel

16. Het Gerecht heeft de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van het onder parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde. Wat betreft het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21 is de verdachte bij hetzelfde vonnis van het Gerecht vrijgesproken van feit 1 primair en feit 3 (primair en subsidiair) en veroordeeld voor feit 1 subsidiair en feit 2. De officier van justitie heeft hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Uit de hiervoor aangehaalde aktes rechtsmiddel volgt onmiskenbaar dat het hoger beroep van de officier van justitie niet tegen het vonnis van het Gerecht in zijn geheel is ingesteld; het komt uitdrukkelijk niet op tegen de beslissingen van het Gerecht aangaande de feiten 1, 2 en 3 primair van het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21. Anders gezegd: de officier van justitie heeft blijkens de aktes rechtsmiddel louter bedoeld te appelleren tegen het in de zaak met parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde en tegen het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 555.00034/21. De procureur-generaal heeft deze beperking ter terechtzitting in hoger beroep herhaald en aldus bevestigd. Gezien de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep (zie randnummer 7), heeft het Hof het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ook zo verstaan, en datzelfde geldt blijkens de overgelegde pleitnota voor de verdediging (zie randnummer 9).
17. In het bestreden vonnis heeft het Hof het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder feit 3 tenlastegelegde vervolgens in volle omvang (zowel primair als subsidiair) beoordeeld en de verdachte veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde. Het middel klaagt daarover terecht, nu het Hof het openbaar ministerie ingevolge het bepaalde in art. 436 SvC Pro in het hoger beroep niet had mogen ontvangen voor zover dit betrekking heeft op het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. Wel ontvankelijk is het openbaar ministerie naar mijn inzicht in het hoger beroep in de zaak met parketnummer 555.00102/21, nu dit een gevoegde zaak betreft. Mede tegen de achtergrond van het bepaalde in het tweede lid van art. 436 SvC Pro, komt het mij voor dat een ongeoorloofde beperking in het hoger beroep in de ene gevoegde zaak de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de andere gevoegde zaak in beginsel niet treft.
18. Het voorgaande dient er mijns inziens toe te leiden dat het vonnis van het Hof wordt vernietigd, opdat het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep tegen het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. Mogelijk is er voor de Hoge Raad ruimte deze zaak op praktische gronden zelf af te doen. Het Hof heeft de verdachte immers vrijgesproken van het tenlastegelegde in de gevoegde zaak met parketnummer 555.00102/21 en de beslissingen van het Hof dienaangaande lijken mij niet te worden aangetast door een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. Ik heb mij daarbij afgevraagd of deze partiële niet-ontvankelijkverklaring zich verdraagt met het dictum van ’s Hofs vonnis waarbij het Hof toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 406, zesde lid, SvC [11] door de aan de veroordeelde opgelegde hoofdstraf voor de
nietaan het oordeel van het Hof onderworpen bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten te bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden. Deze feiten zijn door de officier van justitie (mijns inziens op rechtens toelaatbare wijze) buiten het appel gehouden en daarom moest het Hof op de voet van art. 406, zesde lid, SvC de straf voor die feiten zelf bepalen. Naar het mij voorkomt wordt die beslissing evenmin geraakt door de genoemde partiële niet-ontvankelijkverklaring. [12] Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat uit het vonnis van het Hof blijkt dat naar het oordeel van het Hof de benadeelde partijen [betrokkene 1] e/v [betrokkene 2] , [betrokkene 3] e/v [betrokkene 4] en [betrokkene 5] rechtstreeks schade hebben geleden tot de gevorderde bedragen als gevolg van verdachtes onder feit 3 subsidiair bewezen verklaarde handelen, en de vorderingen en schadevergoedingsmaatregelen in dat verband zijn toegewezen respectievelijk opgelegd.
III.
Het eerste middel en het derde middel
19. Nu het tweede middel naar mijn inzicht slaagt en tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden, behoeven het eerste en het derde middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad tot het oordeel komt dat het tweede middel tevergeefs is voorgesteld, ben ik desgewenst uiteraard bereid ten aanzien van de andere twee middelen aanvullend te concluderen.
IV.
Slotsom
20. Het tweede middel slaagt.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde [13] en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het Hof heeft de verdachte in de zaak met parketnummer 555.00034/21 vrijgesproken van feit 3 primair (gekwalificeerde diefstal in vereniging), alsook van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 555.00102/21 (medeplegen opzetheling).
2.Het Hof doelt hier op feit 1 subsidiair en feit 2 (opzetheling en medeplegen van oplichting) in de zaak met parketnummer 555.00034/21. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft deze feiten bewezenverklaard en hiervoor een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden opgelegd. Deze feiten waren in hoger beroep niet aan de orde, wegens de in de appelakte aangebrachte beperking van het hoger beroep (zie hierna randnummer 5).
3.Deze opsomming is handgeschreven.
4.De raadsvrouw doelt met “feit 4” kennelijk op het in de zaak met parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde (zie hierboven randnummer 6).
5.HR 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8513,
6.HR 15 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1592,
7.Zie ook H.K. Elzinga, in:
8.HR 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8513,
9.HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4030,
10.Bovendien lijkt het mij, mede met het oog op de verdedigingsrechten en in het bijzonder het in art. 6, derde lid onder b, EVRM neergelegde recht op (kort gezegd) voldoende voorbereidingstijd voor het voeren van een adequate verdediging, ook niet wenselijk dat het openbaar ministerie nog in een zodanig laat stadium een aangebrachte beperking in het hoger beroep kan intrekken.
11.Luidend: “Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van de feiten, wordt in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het vonnis de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.”
12.Dat zou bijvoorbeeld anders zijn indien het Hof de verdachte in beide gevoegde zaken had veroordeeld en het op grond daarvan één hoofdstraf had uitgesproken, in welk geval een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep ten aanzien van een van die zaken wel onvermijdelijk consequenties heeft voor de strafoplegging.
13.Waaronder begrepen de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.