Conclusie
Inleiding
Het tweede middel en de bespreking daarvan
partieelhoger beroep in te stellen tegen het vonnis gewezen op 28 juni 2021 en uitgesproken door de Rechter in bovengemeld Gerecht in de zaak van het Openbaar Ministerie bij dat gerecht tegen: [verdachte] als veroordeelde;
nietgericht tegen de beslissing(en) ten aanzien van (de) feit(en):
Parketnummer 555.00034/21
3.primair
3.subsidiair
De Procureur-Generaal van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
envoorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goederen wist of begreep dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”
NJ2013/531, m.nt. Mevis, HR 1 juli 2008 ECLI:NL:HR:2008:BC7913,
NJ2008/409 en HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5505,
NJ2007/211.
De bespreking van het middel
nietaan het oordeel van het Hof onderworpen bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten te bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden. Deze feiten zijn door de officier van justitie (mijns inziens op rechtens toelaatbare wijze) buiten het appel gehouden en daarom moest het Hof op de voet van art. 406, zesde lid, SvC de straf voor die feiten zelf bepalen. Naar het mij voorkomt wordt die beslissing evenmin geraakt door de genoemde partiële niet-ontvankelijkverklaring. [12] Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat uit het vonnis van het Hof blijkt dat naar het oordeel van het Hof de benadeelde partijen [betrokkene 1] e/v [betrokkene 2] , [betrokkene 3] e/v [betrokkene 4] en [betrokkene 5] rechtstreeks schade hebben geleden tot de gevorderde bedragen als gevolg van verdachtes onder feit 3 subsidiair bewezen verklaarde handelen, en de vorderingen en schadevergoedingsmaatregelen in dat verband zijn toegewezen respectievelijk opgelegd.
Het eerste middel en het derde middel
Slotsom