AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-naleving consignatieplicht bij dwangbevel
In deze zaak heeft de veroordeelde verzet aangetekend tegen een dwangbevel tot betaling van een geldboete en executiekosten, waarbij hij niet in staat was om de vereiste consignatie te voldoen. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het verzet ongegrond. Vervolgens stelde de veroordeelde cassatieberoep in, maar zonder voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en kosten, zoals voorgeschreven in art. 6:4:5 lid 3 SvPro.
De advocaat van de veroordeelde verzocht de Hoge Raad om toepassing van het recht op hoor en wederhoor (art. 6 EVRMPro) en toegang tot de rechter, ondanks het niet voldoen aan de consignatieplicht. De Procureur-Generaal verwees naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad uit 1997, waarin werd bevestigd dat de consignatieplicht een noodzakelijke voorwaarde is voor ontvankelijkheid in cassatie tegen een dwangbevel.
De Hoge Raad oordeelde dat de procedurele waarborgen in de verzetprocedure en de strafprocedure voldoende waarborgen bieden voor de toegang tot de rechter. De consignatieplicht beperkt de toegang tot cassatie niet op onaanvaardbare wijze. Gezien het feit dat de veroordeelde niet aan deze verplichting heeft voldaan, werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van de consignatieplicht.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02853 Bdw
Zitting4 juli 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,
hierna: de veroordeelde
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij beschikking van 14 maart 2022 het verzet van de veroordeelde tegen een dwangbevel als bedoeld in art. 6:4:5 lid 3 SvPro ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de veroordeelde. D.R. Changoer, advocaat te Amsterdam, heeft één cassatiemiddel voorgesteld.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op.
In geval van een door de minister van Justitie en Veiligheid uitgevaardigd dwangbevel is ingevolge art. 6:4:5 lid 3 SvPro de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht, dat de beschikking heeft gegeven, of tot hetwelk de rechter, van wie de beschikking afkomstig is, behoort.
Uit de op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen stukken blijkt het volgende. De rechtbank heeft via een mededeling die op de beslissing is geplaatst, de veroordeelde in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen na het instellen van cassatie het nog verschuldigde bedrag, inclusief kosten, bij wijze van consignatie te voldoen. Op 15 augustus 2022 is bij de Hoge Raad een schrijven ingekomen van het CJIB. In deze brief is door het CJIB medegedeeld dat de betaling niet binnen de gestelde termijn is ontvangen.
Opmerking verdient verder dat de raadsman van de veroordeelde op 1 augustus 2022 aan de Hoge Raad een schrijven heeft gericht waarin hij de aandacht vestigt op een in de machtiging tot instellen van het cassatieberoep opgenomen passage, die luidt als volgt:
“Het verzoek in cassatie is om het cassatieberoep in behandeling te nemen, zonder dat [veroordeelde] zekerheidsstelling biedt. In dat verband verzoekt [veroordeelde] hoor en wederhoor (artikel 6 EVRMPro) bij een eventuele niet-ontvankelijk verklaring toe te passen en merkt op voorhand op dat hij recht op toegang tot een rechter heeft (artikel 6 EVRMPro). In het geval van [veroordeelde] is sprake van een executoriaal derdenbeslag op het AOW inkomen, namens de Staat der Nederlanden, dat mede ziet op de bestreden executiekosten. Gelet op het beslag zal de openstaande vordering door de Staat geïnd worden, alleen [veroordeelde] kan de openstaande vordering niet binnen twee weken na het instellen van het cassatieberoep voldoen. Er is sprake van betalingsonmacht. [veroordeelde] heeft meerdere schulden.”
6.1
Genoemd schrijven van de raadsman vervolgt na dit citaat aldus:
“Het verzoek aan de Hoge Raad is om [veroordeelde] de gelegenheid te bieden om zich uit te laten over de (on)verenigbaarheid van artikel 6:4:5, derde lid, Sv met eenieder verbindende verdragsbepalingen, alvorens een mogelijke niet-ontvankelijkheid inzake het beroep in cassatie uit te spreken. [veroordeelde] heeft geen spaar te goeden, op zijn inkomen rust executoriaal beslag, vaststaat dat op basis van het AOW inkomen de schadevergoedingsmaatregel en bestreden kosten geïnd kunnen worden. Alleen [veroordeelde] is niet bij machte om binnen twee weken na het instellen van het cassatieberoep voorafgaande consignatie te geven.
D.R. Changoer.”
6.2
Ik meen dat het door de raadsman verwoorde verzoek om toegang tot de rechter, om hoor en wederhoor toe te passen, voor zover dat is gericht tot de Hoge Raad niet voor toewijzing in aanmerking komt. Over een vergelijkbaar verzoek overwoog de Hoge Raad in 1997 [1] als volgt:
“3.2.
Ingevolge art. 575, eerste en tweede lid, Sv kan de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis of arrest, waarbij een geldboete is opgelegd, geschieden door verhaal op de goederen van de veroordeelde krachtens een dwangbevel, uitgevaardigd door het openbaar ministerie dat met die tenuitvoerlegging is belast. Tegen de tenuitvoerlegging van een dergelijk dwangbevel kan ingevolge het derde lid van die wetsbepaling verzet worden gedaan door indiening van een met redenen omkleed bezwaarschrift bij het gerecht waartoe de rechter behoort die de straf heeft opgelegd. Doordat het verzet nimmer gericht kan zijn tegen het vonnis of arrest waarbij de geldboete is opgelegd, heeft het slechts een beperkte strekking. De wetgever heeft de mogelijkheid geopend om tegen de op het verzet gegeven beschikking beroep in cassatie in te stellen, doch heeft de ontvankelijkheid van de veroordeelde in dat beroep afhankelijk gesteld van voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven, of tot hetwelk de rechter van wie de beschikking afkomstig is behoort. De wet voorziet niet in een mogelijkheid om daarvan geheel of gedeeltelijk vrijstelling te verlenen, terwijl ook de wetsgeschiedenis daarvoor geen enkel aanknopingspunt biedt.
3.3.
Bij brief van 22 november 1996 heeft de Griffier van het Hof de veroordeelde mededeling gedaan omtrent voormelde wettelijke bepaling en haar in de gelegenheid gesteld om binnen dertig dagen na de dagtekening van deze brief het nog verschuldigde bedrag en al de kosten ter griffie van het Hof te consigneren. Uit een brief van de Griffier van het Hof van 10 januari 1997 aan de Griffier van de Hoge Raad blijkt evenwel dat binnen genoemde termijn van de veroordeelde geen betaling is ontvangen.
3.4.
In de cassatieschriftuur is namens de veroordeelde aangevoerd dat deze niet in staat is het ter consignatie verschuldigde bedrag te voldoen en dat de toegang tot de rechter ingevolge art. 6 EVRMPro dient te zijn gewaarborgd, zodat in de onderhavige zaak de bepaling van art. 575 SvPro, voorzover inhoudende de verplichting om het nog verschuldigde bedrag en al de kosten te consigneren, buiten toepassing dient te worden gelaten.
3.5.
Vooropgesteld moet worden dat het in de procedure van art. 575 SvPro gaat om het directe gevolg van een onherroepelijk geworden uitspraak in een strafzaak, waarbij de veroordeelde in gebreke is gebleven de als straf opgelegde geldboete te voldoen binnen de ingevolge art. 561 SvPro bepaalde termijn. De vervolgprocedure van art. 575 SvPro, welke als inzet heeft het verzet van de veroordeelde tegen het verhaal krachtens dwangbevel van de geldboete, kan als direct gevolg in zoverre niet los van de voorafgaande strafprocedure worden gezien, dat art. 6 EVRMPro ook op die vervolgprocedure van toepassing is, zij het dat niet alle door art. 6 EVRMPro gegarandeerde rechten op dezelfde wijze van toepassing zijn als in de strafzaak. Dit leidt evenwel - op grond van het hierna volgende - niet tot de conclusie dat voor de veroordeelde in de onderhavige cassatieprocedure de toegang tot de rechter op onaanvaardbare wijze wordt beperkt door het stellen van het vereiste van een voorafgaande consignatie.
3.6.
De tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt geschorst door het indienen van een bezwaarschrift, waarna het verzet tegen de tenuitvoerlegging in het openbaar wordt behandeld door de raadkamer van het desbetreffende gerecht - hier het Hof dat de merites van het bezwaarschrift, voorzover dit niet treedt in de uitspraak zelf, ten volle beoordeelt. Voor deze procedure voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht is geen griffierecht verschuldigd, noch kan de rechter in zijn beslissing op het verzet daaraan een kostenveroordeling verbinden ten laste van de partij wier bezwaarschrift niet-ontvankelijk dan wel ongegrond wordt verklaard. De wetgever heeft tegen de beschikking die vervolgens wordt gegeven door de raadkamer, nog één rechtsgang opengesteld, en wel beroep in cassatie, waar het verzet andermaal - binnen het kader van de ingevolge de Wet RO aan de Hoge Raad opgedragen taak - aan de Hoge Raad ter beoordeling kan worden voorgelegd, zij het onder de beperkende voorwaarde dat de veroordeelde slechts in het cassatieberoep ontvankelijk is na voorafgaande inbetalingstelling tot zekerheid van de geldboete met de daarop gevallen verhogingen en voorts van alle verdere kosten van de tenuitvoerlegging, zoals berekend volgens de wet.
3.7.
Gegeven de beperkte aard van de verzetprocedure van art. 575 SvPro en de procedurele waarborgen waarmede het geding in verzet in eerste aanleg is voorzien, alsmede de waarborgen waarmede, voordien in de strafprocedure de oplegging van een geldboete, en nadien de tenuitvoerlegging daarvan voorafgaand aan het verhaal krachtens dwangbevel, zijn omringd, - een en ander zoals hierna in 3.8 is vermeld - kan niet worden gezegd dat door het stellen van de voorwaarde van de in art. 575 SvPro omschreven consignatie het recht van de veroordeelde om toegang te verkrijgen tot de rechter in cassatie in de verzetprocedure op onaanvaardbare wijze wordt beperkt.
3.8.
Tot die in 3.7 bedoelde waarborgen moeten worden gerekend, dat:
(i) de rechter ingevolge art. 24 SrPro bij de vaststelling van de geldboete rekening moet houden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin hij dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing zonder dat de verdachte in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen;
(ii) de rechter ingevolge art. 24a Sr bij oplegging van een geldboete van ten minste vijfhonderd gulden kan bepalen dat de veroordeelde het bedrag in gedeelten mag voldoen, welke termijnen op ten minste één en ten hoogste drie maanden kunnen worden gesteld en tezamen een tijdvak van twee jaar niet mogen overschrijden;
(iii) de veroordeelde ingevolge art. 24b Sr door het openbaar ministerie schriftelijk tot betaling wordt aangemaand in geval een geldboete niet binnen de daarvoor gestelde termijn is voldaan;
(iv) het openbaar ministerie ingevolge art. 561 SvPro uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan en, indien art. 24a Sr is toegepast, op verzoek van de veroordeelde schriftelijk een voor deze gunstiger regeling van de betaling kan toestaan, waarbij het totale bedrag in elk geval moet zijn voldaan binnen twee jaar en drie maanden na de dag waarop de uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.”
6.3
Ik meen dat de in de zojuist geciteerde beslissing van de Hoge Raad gevolgde koers ook dient te worden gevolgd voor het cassatieberoep tegen een beschikking op het verzet tegen het dwangbevel dat (thans) in art. 6.4.9 jo. 6.4.5. lid 2 Sv is ondergebracht. Ten eerste omdat die regeling materieel gezien geen wijziging heeft ondergaan in vergelijking met art. 575 SvPro (oud). Voorts en dus ten tweede omdat met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals op grond van art. 36e Sr kan worden opgelegd, vergelijkbare waarborgen gelden als in de geciteerde beslissing van de Hoge Raad zijn opgesomd met betrekking tot de oplegging van een geldboete. Ik verwijs kortheidshalve naar (onder meer) art. 36e lid 5 Sr over de draagkracht en in aanvulling daarop op art. 6.6.25 Sv over de mogelijkheid om de rechter te verzoeken om vermindering of kwijtschelding van de opgelegde betalingsverplichting. Dat betekent dus dat, waar de veroordeelde reeds een met voldoende waarborgen omklede toegang heeft gehad tot de rechter, deze niet andermaal op dezelfde wijze door de Hoge Raad in cassatie behoeft te worden geboden. Ook zonder de veroordeelde te horen kan de Hoge Raad beslissen op het cassatieberoep.
7. Nu de veroordeelde niet aan de art. 6:4:5 lid 3 SvPro neergelegde verplichting heeft voldaan dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep.
8. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het beroep.