Conclusie
NIBC Holding) op de voet van art. 2:359c BW. De ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna:
OK) heeft de vordering toegewezen en onder meer de prijs vastgesteld per 30 december 2020 op € 7,-- per aandeel. In cassatie wordt hiertegen opgekomen door een van die minderheidsaandeelhouders. M.i. zonder vrucht.
1.Feiten
arrest). [1]
Flora Acquisition) is op 24 februari 2020 opgericht om een openbaar bod uit te brengen op alle uitstaande gewone aandelen in het kapitaal van NIBC Holding. Flora Holdings III Limited (hierna:
Flora Holdings III, met Flora Acquisition hierna:
Flora c.s.) is enig aandeelhouder van Flora Acquisition. Flora Acquisition wordt (indirect) gecontroleerd door diverse fondsen die elk worden beheerd en/of geadviseerd door entiteiten die in eigendom zijn van en gecontroleerd worden door The Blackstone Group Inc. (hierna:
Blackstone). Blackstone is een Amerikaanse investeringsmaatschappij die zich onder meer richt op investeringen in de financiële dienstensector.
NIBC Bank). NIBC Bank is een middelgrote Nederlandse bank met een focus op Noordwest-Europa. NIBC Bank staat onder toezicht van De Nederlandsche Bank N.V. (hierna:
DNB).
JCF) (60,6% van de aandelen) en Reggeborgh Invest B.V. (hierna:
Reggeborgh) (14,6% van de aandelen).
Transaction-related business plan(hierna:
business plan) niet langer een realistische basis bood voor het verkrijgen van de vereiste toezichtrechtelijke goedkeuringen, één van de voorwaarden van het openbaar bod.
business planen de benodigde toezichtrechtelijke goedkeuringen.
irrevocable undertakingovereengekomen op basis waarvan laatstgenoemden hun aandelen onder het bod zouden aanmelden op - behoudens de uitgestelde dividendbetaling - gelijke voorwaarden als zouden gelden voor de overige aandeelhouders. Ook Stichting Administratie Kantoor NIBC Holding (hierna:
STAK) heeft zich op 10 juli 2020 door middel van een
irrevocable undertakinggecommitteerd om de door haar gehouden aandelen (voor zover mogelijk) aan te melden onder het bod tegen de gestelde biedingsvoorwaarden. De overige aandelen zou STAK onderhands overdragen aan Flora Acquisition tegen een prijs gelijk aan de biedprijs. Verder sloot Flora Acquisition ook op 10 juli 2020
irrevocable undertakingsmet de relevante bestuurders en de commissaris die een aandelenbelang in NIBC Holding hielden. Op basis van die afspraken zouden genoemde aandeelhouders hun aandelen aanmelden onder het bod tegen de daaronder toepasselijke voorwaarden.
Bod) uitgebracht als bedoeld in art. 5:74 Wft Pro op alle geplaatste (gewone) aandelen in het kapitaal van NIBC Holding tegen een biedprijs van € 7,-- per aandeel (cum dividend) (hierna:
Biedprijs), waarbij de aandeelhouders daarnaast recht zouden hebben op de dividenduitkering over 2019 van € 0,53 per aandeel.
Stichting) had een optierecht om NIBC Holding preferente aandelen aan haar te laten uitgeven bij wijze van beschermingsconstructie. Ten tijde van het uitbrengen van het Bod stonden slechts gewone aandelen uit, aan de Stichting waren geen preferente aandelen uitgegeven. Op 10 juli 2020 heeft de Stichting afstand gedaan van haar optierechten op voorwaarde dat het Bod gestand zou worden gedaan.
irrevocable agreement, de resterende 470.488 aandelen - waarbij (op de relevante certificaten) nog vestigings- en/of
lock up-regels van toepassing waren - onderhands aan Flora Acquisition verkocht tegen de Biedprijs.
2.Procesverloop
In feitelijke instantie (bij de OK)
[eiser]), [verweerder 3] (met [eiser] hierna:
[A]) en de gezamenlijke andere houders van aandelen in het geplaatste kapitaal van NIBC Holding (met [A] hierna:
gedaagden) gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de OK van 6 april 2021. Flora c.s. heeft daarbij gevorderd - zakelijk weergegeven - om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Openbaar bod” (rov. 3.1-3.8); (ii) “
Billijke prijs” (rov. 3.9-3.28); (iii) “
Peildatum” (rov. 3.29-3.31); en (iv) afsluitende overwegingen inzake slotsom en proceskostenveroordeling (rov. 3.32-3.33). Ik verwijs kortheidshalve daarnaar. En kom daarop terug voor zover relevant bij de behandeling van het cassatiemiddel.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
reasonably related to its value” is en daarom strijd oplevert met art. 1 Eerste Pro Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna:
EP EVRM). Dit door de OK in haar Unit4-arrest [5] geïntroduceerde uitgangspunt voor de bepaling van de peildatum strijdt namelijk wel degelijk met art. 1 EP Pro EVRM, in zoverre dat deze bepaling op grond van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna:
EHRM) verplicht tot vaststelling van een uitkoopprijs die “
reasonably related to its value” moet zijn ten opzichte van de waarde van het over te dragen goed
op het tijdstip van de overdracht. Een dergelijk algemeen uitgangspunt als door de OK in het Unit4-arrest geformuleerd, staat in de weg aan vaststelling van een prijs die “
reasonably related to its value” is. Door het tijdsverloop tussen de datum van betaalbaarstelling onder het bod en het moment van overdracht van de aandelen door de minderheidsaandeelhouder, welk moment feitelijk pas na het (eind)arrest van de OK plaatsvindt, loopt de minderheidsaandeelhouder inherent een risico dat hij verplicht wordt zijn aandelen over te dragen voor een prijs die niet de waarde daarvan op het moment van overdracht weerspiegelt. Anders gezegd staat dit uitgangspunt in de weg aan een zo concreet mogelijke waardering van de aandelen van de uit te kopen minderheidsaandeelhouder. Dat is temeer zo als minderheidsaandeelhouders, zoals in deze zaak, verschijnen en inhoudelijk verweer voeren tegen de hoogte van de door de meerderheidsaandeelhouder gevorderde uitkoopprijs, anders dan in de Unit4-zaak die een verstekzaak betreft. In een uitkoopprocedure [6] op tegenspraak kan het Unit4-uitgangspunt dan ook zonder meer niet worden aanvaard, anders dan de OK zonder nadere overweging deed.
peildatum). [7] Dat in het tijdvak vanaf de peildatum tot de overdracht van die aandelen de prijs (voor zover niet reeds betaald) wordt verhoogd met rente, gelijk aan de wettelijke rente. En dat uitkeringen op de aandelen die in dit tijdvak betaalbaar worden gesteld, op de dag van betaalbaarstelling strekken tot gedeeltelijke betaling van de prijs. [8] Sinds 2000 hanteerde de OK in uitkoopprocedures op basis van art. 2:92a BW of art. 2:201a BW als peildatum bij de vaststelling van de prijs voor de over te dragen aandelen in beginsel de datum van het eindarrest waarin de vordering tot uitkoop (uitvoerbaar bij voorraad) wordt toegewezen, althans een tijdstip dat daar zo dichtbij mogelijk ligt. Hetzelfde uitgangspunt hanteerde zij bij de vaststelling van een billijke prijs voor de over te dragen aandelen als bedoeld in art. 2:359c lid 6 BW, sinds de inwerkingtreding daarvan op 28 oktober 2007. [9] Deze - in het onderhavige geval toepasselijke - bepaling luidt:
reasonably related to its value” is (dus: tot een prijs voor de over te dragen aandelen die, gerelateerd aan hun waarde, niet ten minste redelijk is), en daarom strijd oplevert met art. 1 EP Pro EVRM. [13] De OK heeft daaraan onder meer toegevoegd dat dit nieuwe uitgangspunt niet eraan afdoet dat zich in enige zaak omstandigheden kunnen voordoen die rechtvaardigen dat een andere datum dan de datum van betaalbaarstelling onder het bod als peildatum wordt gekozen. In die gevallen, en ook indien aan een uitkoopprocedure geen openbaar bod is voorafgegaan, “kan” als peildatum worden gekozen de datum van een tussenarrest waarin de OK, in de bewoordingen van art. 2:92a/201a lid 5 BW, vaststelt dat de leden 1 en 4 van die bepaling de toewijzing van de vordering niet beletten en waarin een deskundigenbericht wordt gelast. [14] Tot genoemde omstandigheden “kan” behoren een aanzienlijk tijdsverloop tussen de betaalbaarstelling onder het bod (of het overschrijden van de 95%-grens) en de dag van de inleidende dagvaarding. [15] Dit nieuwe uitgangspunt is door haar eveneens gehanteerd bij uitkoopprocedures op basis van art. 2:359c BW, [16] in welke lijn ook het bestreden arrest past: in rov. 3.29-3.30 daarvan brengt de OK haar Unit4-arrest in herinnering.
reasonably related”). [20] Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever voor de vaststelling van de prijs van aandelen in een uitkoopprocedure anderszins een bepaald waardebegrip of een bepaalde wijze van waardevaststelling voor ogen heeft gestaan. [21] De rechter komt bij de keuze voor een waardebegrip of een wijze van waardevaststelling vrijheid toe. (…)”
reasonably related to its value” is en daarmee strijdig zou zijn met art. 1 EP Pro EVRM, wat intrinsiek gevalsafhankelijk is. [27] Dat dit door de OK is onderkend in haar Unit4-arrest, [28] waar zij dat nieuwe uitgangspunt formuleert. En dat de gedachte dat de peildatum in beginsel niet veel eerder kan liggen dan het tijdstip waarop de verplichting tot overdracht van de aandelen ontstaat, verder gaat dan op grond van art. 1 EP Pro EVRM is vereist. Ik lees in genoemd Hoge Raad-arrest uit 2020 niets wat hieraan in de weg staat. [29] Ook dit een en ander laat zich doortrekken naar het kader van art. 2:359c BW (net als dat van art. 2:92a BW). Toegespitst op het Unit4-arrest voeg ik daaraan nog toe dat, waar de OK daarin dit nieuwe uitgangspunt formuleert, zij geen twijfel erover laat bestaan dat dát is wat zij doet: het markeren van een nieuw
vertrekpunt in de analyse, geen eindpunt. De OK betrekt daarbij niet voor niets met zoveel woorden dat met dit nieuwe uitgangspunt gepaard gaat de mogelijkheid dat zich in enige zaak omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat een andere datum dan de datum van betaalbaarstelling onder het bod als peildatum wordt gekozen, wat dus ook een datum kan zijn die ligt na de datum van betaalbaarstelling onder het bod. [30] Zij vult deze mogelijkheid niet op voorhand in met een uitputtende lijst aan mogelijke omstandigheden, of een hoge drempel, maar kiest voor open bewoordingen en geeft daarbij een voorbeeld. [31] Dat is ook logisch, nu uiteindelijk door de OK aan de uitgekochte minderheidsaandeelhouder(s) een reële en redelijke vergoeding moet worden toegekend, ermee strokend dat op grond van art. 1 EP Pro EVRM de vastgestelde prijs voor de over te dragen aandelen gerelateerd aan hun waarde ten minste redelijk dient te zijn (“
reasonably related”). Aldus is bijvoorbeeld bepaald niet uitgesloten dat zij in een concreet geval als peildatum een andere datum kiest dan de datum van betaalbaarstelling onder het bod, omdat zich daarin na laatstgenoemde datum omstandigheden hebben voorgedaan die een hogere uitkoopprijs rechtvaardigen dan de uitkomst zou zijn ingeval van gelijkstelling van de peildatum met de datum van betaalbaarstelling onder het bod (kort gezegd: de biedprijs). [32] Daarmee zij intussen ook gezegd dat de OK in het kader van dit nieuwe uitgangspunt niet de weg afsnijdt naar het bij de prijsbepaling rekening kunnen houden met omstandigheden die de waarde van de over te dragen aandelen beïnvloeden en zich voordoen in de periode na de datum van betaalbaarstelling onder het bod. Kortom, ook bij dit nieuwe uitgangspunt heeft de OK oog voor de feiten en omstandigheden van het concrete geval, met inachtneming van het processuele debat.
reasonably related to its value” is en daarom strijd oplevert met art. 1 EP Pro EVRM. Dit laatste is naar de aard gevalsafhankelijk, wat zij onderkent in het kader van dit nieuwe uitgangspunt; waarbij de OK dus oog heeft voor de feiten en omstandigheden van het concrete geval, met inachtneming van het processuele debat. Kortom, een dergelijke werkwijze is niet prohibitief voor toekenning aan de uitgekochte minderheidsaandeelhouder(s) van een reële en redelijke vergoeding, ermee strokend dat op grond van art. 1 EP Pro EVRM de vastgestelde prijs voor de over te dragen aandelen gerelateerd aan hun waarde ten minste redelijk moet zijn (“
reasonably related”). Evenmin valt dan vol te houden dat als de uitkomst van deze werkwijze bestaat uit het gelijkstellen van de peildatum met de datum van betaalbaarstelling onder het bod, waar de bieder ten minste 95% van het geplaatste kapitaal (en ten minste 95% van de stemrechten) van de doelvennootschap houdt, daarmee ‘dus’ reeds zo’n strijd met art. 1 EP Pro EVRM gegeven is. Ook dit is te absoluut. Of zo’n gelijkstelling leidt tot toekenning aan de uitgekochte minderheidsaandeelhouder(s) van een reële en redelijke vergoeding, ermee strokend dat op grond van art. 1 EP Pro EVRM de vastgestelde prijs voor de over te dragen aandelen gerelateerd aan hun waarde ten minste redelijk moet zijn (“
reasonably related”), vergt, naar de OK - ook in het arrest - onderkent, telkens een contextuele beoordeling. Dus met oog voor de feiten en omstandigheden van het concrete geval, met inachtneming van het processuele debat. Welke beoordeling in een concreet geval best kan leiden tot bevestigende beantwoording van genoemde vraag. Kort en goed: zo’n gelijkstelling is niet in abstracto, op voorhand, onverenigbaar met art. 1 EP Pro EVRM. Ik vat samen, in de woorden van Salemink: [33]
het kan toch niet zo zijn dat"-zaken. Dat is in Unit4 duidelijk niet het geval.” [34]
They also complain that the compensation they received therefor was inadequate. They allege that the price which was paid for their shares when the handover eventually took place was considerably higher than that set by the Corporation Law Division of the Amsterdam Court of Appeal, the increase in the price of the shares on the stock exchange having risen at a higher rate than the statutory interest. In addition, the total value of the Nationale-Nederlanden company over and above the stock-exchange price of the individual shares had not been considered.
tussen de betaalbaarstelling onder het bod en de dag van dagvaardingeen uitzondering op het Unit4-uitgangspunt voor bepaling van de peildatum [43] met zich kan brengen. Het subonderdeel keert zich dan tegen rov. 3.31, eerste zin, ervan uitgaande dat de OK daar met de woorden “het tijdsverloop” uitsluitend doelt op het tijdsverloop tussen de betaalbaarstelling onder het Bod en de dag van dagvaarding. Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat laatstgenoemd tijdsverloop voor een uitkoopprocedure op basis van art. 2:359c BW, mede gezien de driemaandentermijn van art. 2:359c lid 3 BW, anders dan voor een uitkoopprocedure op basis van art. 2:92a BW (zoals voorlag in het Unit4-arrest) geen toereikende uitzonderingsgrond vormt.
lateredatum, primair een datum die zo dicht mogelijk bij de datum van overdracht is gelegen; zie rov. 1.4 sub b en 3.10 sub d). Daarom opent de OK in rov. 3.31, eerste zin met op te merken dat zij in dit geval “in het tijdsverloop sinds de betaalbaarstelling onder het Bod” geen aanleiding ziet af te wijken van het uitgangspunt en de peildatum vaststelt op 30 december 2020, waarover hiervoor. Welk tijdsverloop dus niet beperkt is tot de periode tussen de betaalbaarstelling onder het Bod en de dag van de inleidende dagvaarding (wat ook niet staat in rov. 3.31, eerste zin), maar loopt tot en met de datum van het arrest. Zie ook onder 3.5.6 hiervoor.
Fairness Opinion.” Het is duidelijk dat de OK daarin dus geen aanleiding ziet af te wijken van het uitgangspunt, te weten 30 december 2020 als peildatum.
Fairness Opinion”) passeert de OK daar m.i. met inachtneming van de reeds in rov. 3.12-3.28 uiteengezette toepasselijkheid van het prijsvermoeden van art. 2:359c lid 6, tweede zin BW inzake de Biedprijs. [49] Onbegrijpelijk is dit oordeel evenmin, nu die toepasselijkheid insluit - getuige de ratio van het 90%-criterium, waaraan is voldaan - dat degenen tot wie het Bod was gericht in grote mate bereid zijn gebleken tegen de Biedprijs hun belang in NIBC Holding te verkopen. En de Biedprijs dus kennelijk ten minste een adequate weerspiegeling van de waarde van de desbetreffende aandelen achtten. [50] Daarbij verdient nog opmerking dat [A] bij het tweede punt niet heeft uitgelegd waarom dit (mede) afwijking van genoemd uitgangspunt zou rechtvaardigen, bestaande uit het kiezen voor een latere peildatum (primair een datum die zo dicht mogelijk bij de datum van overdracht is gelegen). Het voorgaande inzake het tweede punt gaat ook op voor het door [A] in het kader van diens peildatumverweer genoemde punt “dat NIBC bestuurders, met retentiebonussen in het vooruitzicht, in ernstige mate geconflicteerd [waren] toen [zij] aan minderheidsaandeelhouders aanbevolen het verlaagde bod te aanvaarden.” [51] Nu de OK acht slaat op dit peildatumverweer sorteert evenmin effect het door [A] in dat kader als laatste genoemde punt, te weten dat “[a]nders dan inzake Unit4, in dit geding wel gedaagden [zijn] verschenen die bezwaren kenbaar hebben gemaakt.” [52] Bij welk punt [A] evenmin heeft uitgelegd waarom dit (mede) zo’n afwijking zou rechtvaardigen. [53] Een onjuiste rechtsopvatting kan ik niet ontwaren in deze oordelen van de OK, die geen nadere motivering behoefden. [54]
[eiser]vult aan dat indien de vordering wordt toegewezen hem de kans wordt ontnomen te profiteren van het herstel van bankaandelen zoals dat bij andere banken sinds 30 december 2020 is ingezet en zich ook bij NIBC Holding zou hebben voorgedaan. Meegewogen dient te worden of de uitkoopregeling op zichzelf wel billijk is onder deze omstandigheden.”
reasonably related”). Zie ook onder 3.5.1-3.5.6 hiervoor. Dit behoefde geen nadere motivering door de OK.
reasonably related to its value” is, zodat de datum van betaalbaarstelling onder het Bod niet langer als peildatum kan worden gehanteerd. Dat is temeer zo in een geval als dit, waar de koersen van beursgenoteerde banken zich in de relevante periode, ná 7 augustus 2020 zeer aanzienlijk hebben hersteld en dit herstel voortduurde na 14 januari 2021, omdat de beurs de sterk verbeterde uitzichten voor banken ging verdisconteren.
reasonably related”). Dit is te absoluut: het “strijd met artikel 1 EP Pro EVRM”-automatisme waarvan het subonderdeel uitgaat, vindt geen steun in het recht. Zie ook onder 3.5.5-3.5.6 hiervoor. Overigens heeft [A] in het kader van diens peildatumverweer niet aangevoerd bij de OK dat de duur van de onderhavige uitkoopprocedure op zichzelf aanleiding geeft om af te wijken van het door haar in het Unit4-arrest geformuleerde uitgangspunt, waarover onder 3.5.1-3.5.6 hiervoor. Het subonderdeel noemt ook geen daartoe strekkende stellingname van [A] , laat staan met vindplaats.
reasonably related to its value” is. Dat is temeer zo in een geval als dit, waar de koersen van beursgenoteerde banken zich in de relevante periode, ná 7 augustus 2020 zeer aanzienlijk hebben hersteld en dit herstel voortduurde na 14 januari 2021, omdat de beurs de sterk verbeterde vooruitzichten voor banken ging verdisconteren.
Het subonderdeel klaagt verder dat althans dit oordeel van de OK onbegrijpelijk is gemotiveerd, nu zij geen inzicht biedt in haar gedachtegang waarom een dergelijke omstandigheid geen afwijking van het Unit4-uitgangspunt kan rechtvaardigen. Dat is temeer zo nu de OK een oordeel over de juistheid van de stelling van [A] , dat hij aldus niet in de gelegenheid is om van een koersstijging te profiteren, in het midden heeft gelaten, zodat deze omstandigheid in cassatie tot uitgangspunt dient.
Unit4-uitgangspunt”, dat door de OK is geformuleerd in een verstekzaak waarin gedaagden, anders dan in deze procedure, geen aanknopingspunten voor de bepaling van de peildatum hebben aangedragen. Het subonderdeel noemt aan essentiële stellingen van [A] , kort gezegd, het volgende.
Unit4zijn in dit geding wel gedaagden verschenen die onderbouwde bezwaren kenbaar hebben gemaakt.”
free floatvan 23,46% van de aandelen NIBC Holding niet als gering aanmerkt, althans de OK op basis van dit percentage
free floatoverweegt dat de acceptatiegraad van het Bod onvoldoende aanleiding biedt te veronderstellen dat de Biedprijs niet billijk zou zijn. Met name ziet de OK eraan voorbij dat, zoals zij zelf heeft vastgesteld, een
free floatvan 23,46% met zich brengt dat 76,54% in vaste handen was. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan bij die stand van zaken niet gezegd worden dat geen sprake is van een geringe
free floatwaarvan de acceptatiegraad het vermoeden niet kan rechtvaardigen dat de Biedprijs billijk is. De OK heeft geen enkel inzicht gegeven in haar gedachtegang waarom de omvang van de
free floatgeen aanleiding vormt om af te wijken van het prijsvermoeden van art. 2:359c lid 6 BW.
free floatvan de aandelen NIBC Holding met 23,46% (“34.606.069 / 147.512.369 x 100%”) niet zodanig gering is dat de in rov. 3.12 bedoelde rechtvaardiging van het (weerlegbare) prijsvermoeden van art. 2:359c lid 6, tweede zin BW [66] geen opgeld doet, ook al is aan het 90%-criterium voldaan. Daarmee respondeert de OK op het in rov. 3.10 sub b bedoelde verweer van [A]
free float(76,54% in vaste handen) is er voldoende markt voor doeleinden van genoemd prijsvermoeden [67] - is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Daarmee is het voorbehouden aan de OK. Daarbij verdient opmerking dat, anders dan het subonderdeel suggereert, er geen natuurlijk omslagpunt is dat meebrengt dat bij zo’n 23,46%
free float(76,54% in vaste handen) genoemd prijsvermoeden in beginsel toepassing mist, behoudens nadere toelichting met rechtvaardiging voor een andere uitkomst. [68]
eerste klacht.
tweede klacht.
derde klacht.
material adverse change-clausule bevatte, die het uitbreken van een pandemie en ontwikkelingen in economische, politieke en marktomstandigheden uitdrukkelijk uitsloot als
material adverse change.
eerste klacht. Lees ik rov. 3.27, eerste t/m zesde zin van het arrest als geheel, dan is duidelijk dat de OK ook oordeelt dat de enkele omstandigheid dat aanvankelijk (voorwaardelijk) [70] een hogere biedprijs was overeengekomen niet betekent dat een nadien geboden en breed geaccepteerde prijs - hier de Biedprijs - niet billijk zou zijn. Daarbij voor het onderhavige geval betrekkend, in verklarende zin (“immers”, etc.), dat de waarde van de aandelen in NIBC Holding mede wordt bepaald door externe en marktfactoren, die in de loop van de tijd (sterk) kunnen wijzigen. Uit het vervolg van rov. 3.27, specifiek de achtste zin, wordt duidelijk dat de OK bij dit laatste het oog heeft op (de economische gevolgen van) het uitbreken van de COVID-19 pandemie in de eerste helft van 2020. Wat hier de relevante periode is en in welk licht die prijsaanpassing dus moet worden bezien. [71] Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht.
tweede klacht. Ook deze loopt vast, en wel in het voetspoor van de behandeling van de eerste klacht onder 3.25.1 hiervoor. Daaruit volgt immers reeds dat de OK in rov. 3.27, eerste t/m zesde zin, wat betreft de in de klacht bedoelde “externe ontwikkeling”, kenbaar het oog heeft op (de economische gevolgen van) het uitbreken van de COVID-19 pandemie in de eerste helft van 2020. Daaraan ziet de klacht voorbij.
derde klacht. Ook deze loopt vast.
Daarmee valt het doek voor de klacht voor zover deze leunt op de stellingname van [A] als bedoeld in het subonderdeel sub (i).
Voor zover er licht zit tussen enerzijds genoemde stellingname van [A] als bedoeld door de OK in rov. 3.10 sub c en 3.27 en anderzijds de stellingname van [A] als bedoeld in het subonderdeel sub (ii), baat dit het subonderdeel niet. Het is immers, gezien hetgeen [A] daadwerkelijk heeft aangevoerd bij de OK, niet onbegrijpelijk dat zij daarin niet leest dat volgens [A]
Blackstone evenmin een deugdelijke verklaring heeft gegeven waaromde verlaging van de biedprijs disproportioneel ten laste van de minderheidsaandeelhouders is gebracht. [73] Daarmee valt het doek voor de klacht voor zover deze leunt op de stellingname van [A] als bedoeld in het subonderdeel sub (ii).
Offer Memorandumaangegeven
Reference Date(5 juni 2020) en 12% lager dan de naar omzet gewogen gemiddelde slotprijs over de periode van twaalf maanden tot en met die datum. Flora c.s. heeft dat niet betwist, naar [A] bij de OK constateerde, terwijl de OK een oordeel daarover in het midden heeft gelaten. Dat vormt eens temeer een indicatie van het feit dat de Biedprijs niet een billijke prijs is, ook in het licht van de algemene overweging van de OK in rov. 3.27 dat de waarde van de aandelen mede bepaald wordt door externe en marktfactoren, die ter beurze in een aandelenwaarde worden weerspiegeld. Voor zover de OK van oordeel is dat deze omstandigheid rechtens niet relevant is voor de vraag of sprake is van een reële en redelijke vergoeding voor de waarde van de aandelen van de minderheidsaandeelhouders, is dat oordeel rechtens onjuist. Meer in het bijzonder miskent de OK daarmee dat een verplichte uitkoop tegen een prijs lager dan de beurskoers in strijd komt met art. 1 EP Pro EVRM. Ook miskent de OK daarmee dat het in het kader van de vraag of de Biedprijs een billijke prijs is, acht had moeten slaan op het bepaalde in art. 25 lid 2 van Pro het Besluit openbare biedingen Wft, welke bepaling voorschrijft dat de billijke prijs gelijk is aan de prijs van de gemiddelde beurskeurs van die effecten op een gereglementeerde markt waarop de effecten in die periode waren toegelaten tot de handel. In ieder geval is haar oordeel op dit punt onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat de OK geen enkele aandacht heeft besteed aan dit wezenlijke aspect van de zaak, dat in cassatie tot uitgangspunt dient.
bijna de helft lager. [78] ING stond bijna een kwart lager. De enige reden dat de koers van NIBC wel op EUR 7 bleef staan in de periode van augustus tot en met december 2021 [bedoeld zal zijn: 2020, A-G], is uiteraard dat er een bod lag van EUR 7 (of EUR 7,53 met dividend). Kortom: beleggers werd wel degelijk een zeer fikse premie geboden ten opzichte van de situatie die had bestaan als er geen bod lag.
het zeer aanzienlijke herstel” [80] dat zich “
in de sector tot de datum van betaalbaarstelling onder het bod” [81] zou hebben voltrokken was “ten tijde van het bod” geen enkele sprake.”
Mr. Drenth[advocaat van Flora c.s., A-G] brengt naar voren dat wat betreft het koersverloop, zoals weergegeven in productie 52 gekeken moet worden naar de koers van aandelen van andere banken en niet naar het koersverloop van NIBC Holding, nu de koers van het aandeel NIBC Holding en de relatieve stabiliteit daarvan werd beïnvloed door het toen aangekondigde bod van ruim € 9,-. Kijkend naar de koers van andere banken in deze periode bevatte het (nieuwe) prijsaanbod van € 7,- nog steeds een significante premie. Het koersverloop van NIBC Holding laat een geringere daling zien dan het koersverloop van andere banken juist vanwege het bod dat er al lag. Er is bij een bod van € 7,- geen sprake van strijd met het eerste protocol bij het EVRM nu het bod ruim lag boven de waarde die de aandelen in NIBC zouden hebben gehad bij een eenzelfde koersverloop als dat van vergelijkbare banken.”
ontwikkelingzou doormaken als de ontwikkeling bij andere banken, de aandelenwaarde van NIBC Holding per 14 januari 2021 een stuk hoger zou hebben gelegen dan de Biedprijs (€ 7,-- per aandeel). Het feit dat de aandelenkoers van andere banken per 14 januari 2021 (na herindexering (“rebasing”)) op basis van de koers van een aandeel NIBC Holding per 1 januari 2020) onder de € 7,-- lag, zoals Flora c.s. heeft gesteld en de OK in rov. 3.27 tot uitgangspunt neemt, doet er niet aan af dat die aandelen vanaf de tweede helft van 2020 [89] sterk in waarde gestegen zijn. Uit de grafieken die Flora c.s. zelf als producties 52-53 heeft overgelegd, blijkt namelijk dat de door Flora c.s. herrekende aandelenkoers van de andere banken van augustus 2020 tot januari 2021 steeg van circa € 4,-- tot € 6,40 (de onderste, lichtblauwe lijn). De beurs anticipeerde fors op het komende herstel. Er is alle reden om aan te nemen dat de waarde van de aandelen NIBC Holding minstens zo sterk zou zijn gestegen, gelet op de volgende verdertigvoudiging van de halfjaarwinst van NIBC en de zeer royale dividenduitkeringen daaruit.
in februari 2020 en nadienstabiel is gebleven (“rov. 3.27-slot”), waarbij zij dus wel omstandigheden voorafgaand aan het Bod (op 7 augustus 2020) in ogenschouw neemt. De oordeelsvorming van de OK is daarom innerlijk tegenstrijdig. Althans was de OK gehouden inzicht te geven in haar gedachtegang waarom het “standhouden” van de koers sinds februari 2020 (de datum van het eerste bod) relevant zou zijn.
total return index, ontstaat een ander beeld waaruit blijkt dat de waarde van de aandelen op de datum onmiddellijk vóór de mondelinge behandeling bij de OK ruim tweemaal zo hoog was als op de datum van het biedingsbericht. En dat is reden om aan te nemen dat de aandelen NIBC Holding minstens zo sterk zijn gestegen, temeer als in ogenschouw wordt genomen dat de halfjaarwinst van NIBC Holding in de relevante periode is verdertigvoudigd en royale dividenduitkeringen zijn gedaan.
Relevante Index/Peer Group
total return index”, die dat wel doet.
back up-plan. [A] heeft onderbouwd betoogd waarom dit plan minderheidsaandeelhouders ertoe heeft gebracht het Bod te accepteren, aangezien dit plan zou resulteren in een doorverkoop van de activa van NIBC Holding en vervolgens liquidatie. De OK heeft deze stelling van [A] niet op de stelplicht van de hand gewezen, maar in plaats daarvan kennelijk overwogen dat het de stelling inhoudelijk niet waarschijnlijk acht (“te speculatief”). Dat oordeel is onjuist, nu [A] deze stelling naar voren heeft gebracht in het kader van de betwisting van het vermoeden op de voet van art. 2:359c lid 6 BW dat de Biedprijs een redelijke prijs is. [A] heeft bovendien een bewijsaanbod gedaan. Nu [A] zijn stelling in de ogen van de OK voldoende heeft onderbouwd, had hij tot nadere bewijslevering daarvan toegelaten moeten worden.