Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
die niet is een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, als bedoeld in de Algemene termijnenwet” de voortzetting van de inbewaringstelling moest vorderen, en dat de president van de rechtbank beslist “
binnen drie dagen, in hoogste resort, of de inbewaringstelling moet worden voortgezet”. In HR 31 augustus 1984, NJ 1985/52 was aan de orde de vraag of de beslistermijn voor de president wordt verlengd indien de laatste dag van deze termijn op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag valt. Het middel betoogde dat uit het ontbreken in art. 35i van een verwijzing naar de Algemene termijnenwet zoals die bij de termijn voor de officier van justitie is opgenomen, volgt dat de Algemene termijnenwet niet ten aanzien van de beslistermijn zou gelden. De Hoge Raad verwierp dit betoog: “
Het bepaalde in de Algemene Termijnenwet is van toepassing op de onderhavige termijn, nu uit de tekst van voormelde bepaling der Krankzinnigenwet, noch uit de geschiedenis van haar totstandkoming blijkt dat de wetgever heeft beoogd de onderhavige termijn uit te sluiten van de werking van de Algemene termijnenwet.” [6]
in effecteen termijn van vrijheidsbeneming. [7] Hiertegen heeft De Boer ingebracht dat gedurende de driedagentermijn de inbewaringstelling weliswaar doorloopt, maar dat het hier gaat om een procesvoorschrift, niet om een termijn van vrijheidsbeneming. Hij verwees daarbij naar de hiervoor in 3.3 aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij de Algemene termijnenwet. [8]
werkdagen na ontvangst van het verzoek. [13] In de memorie van toelichting werd over de toepasselijkheid van de Algemene termijnwet opgemerkt:
binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de dag na die van het indienen van het verzoek door het CIZ.” Waar volgens deze bepaling de rechter altijd drie werkdagen ter beschikking staan om te beslissen, zijn dat op grond van art. 7:8 lid 3 Wvggz Pro in verbinding met art. 2 Atw Pro minimaal twee ‘werkdagen’ (dagen die geen weekeind- of feestdagen zijn). In dit opzicht is de termijn van art. 39 lid 1 Wzd Pro ruimer. Indien art. 2 Atw Pro
nietop de termijn van art. 7:8 lid 3 Wvggz Pro van toepassing zou zijn, dan is het verschil met de termijn van art. 39 Wzd Pro nog groter. [20]