ECLI:NL:PHR:2023:69

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
16 januari 2023
Zaaknummer
21/01108
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 511h Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring betrokkene wegens niet-indienen middelen van cassatie in profijtontnemingszaak

In deze zaak betreft het een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin een bedrag van €70.400,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel was vastgesteld en een ontnemingsmaatregel van €60.000,- was opgelegd. Het hof had tevens de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat niet is voldaan aan de verplichting om binnen twee maanden na betekening van de aanzegging schriftuur houdende de middelen van cassatie in te dienen. Deze verplichting volgt uit artikel 437, tweede lid, Sv, dat ook van toepassing is op ontnemingszaken krachtens artikel 511h Sv.

De aanzegging is op 12 mei 2022 betekend aan een persoon op het adres dat overeenkomt met het BRP-adres van betrokkene. Ondanks deze betekening heeft betrokkene geen middelen van cassatie ingediend, waardoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01108 P
Zitting17 januari 2023

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 70.400,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/00926, 21/00911, 21/00990, 21/00996, 21/01052, 21/01109, 21/01110 en 21/01191. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 12 mei 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een ander op het adres [adres], die heeft beloofd de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven. Uit de BPR-bevragingen van 2 en 18 mei 2022 blijkt dat dit adres het BRP-adres van de betrokkene is.
Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Ingevolge art. 511h Sv zijn deze artikelen ook van toepassing op ontnemingszaken. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de betrokkene niet in het beroep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG