ECLI:NL:PHR:2023:69
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring betrokkene wegens niet-indienen middelen van cassatie in profijtontnemingszaak
In deze zaak betreft het een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin een bedrag van €70.400,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel was vastgesteld en een ontnemingsmaatregel van €60.000,- was opgelegd. Het hof had tevens de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat niet is voldaan aan de verplichting om binnen twee maanden na betekening van de aanzegging schriftuur houdende de middelen van cassatie in te dienen. Deze verplichting volgt uit artikel 437, tweede lid, Sv, dat ook van toepassing is op ontnemingszaken krachtens artikel 511h Sv.
De aanzegging is op 12 mei 2022 betekend aan een persoon op het adres dat overeenkomt met het BRP-adres van betrokkene. Ondanks deze betekening heeft betrokkene geen middelen van cassatie ingediend, waardoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie.