Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
een verandering van de persoonlijke staat van partij [de onderbewindgestelde]’ en dat zij deze verandering in de persoonlijke staat kan erkennen.
in diens hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die toebehoren aan’ [de onderbewindgestelde] ‘
het geding per 28 december 2021 als formele procespartij namens [de onderbewindgestelde] heeft overgenomen’ en heeft hervat (art. 225 lid Pro 1, onder b, Rv en art. 227 Rv Pro, jo. art. 353 lid 1 Rv Pro), en dat [de onderbewindgestelde] zelf derhalve geen procespartij meer is. [12]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht 2(onder 1.4-1.15) geeft het bestreden oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat een door de politie opgemaakt proces-verbaal niet de in art. 157 lid 1 Rv Pro bedoelde dwingende bewijskracht heeft. De klacht voert daartoe onder meer aan dat een proces-verbaal van politie geen authentieke akte is. [16] Klacht 3(onder 1.16-1.20) houdt in dat het hof met zijn bestreden oordeel de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden, nu geen van de partijen heeft gesteld dat het proces-verbaal van de politie dwingende bewijskracht heeft.
burgerlijkbewijs. Een ‘
ambtshalve door de politie opgemaakt proces-verbaal’ is niet tot burgerlijk bewijs bestemd, zo vermeldt dezelfde parlementaire geschiedenis. [17] Een proces-verbaal van politie is dan ook geen akte als bedoeld in art. 156 lid 1 Rv Pro. Bijgevolg kan dat proces-verbaal ook niet als authentieke akte in de zin van het tweede lid van art. 156 Rv Pro worden aangemerkt, [18] wat weer betekent dat het niet de dwingende bewijskracht van art. 157 lid 1 Rv Pro heeft. [19] Daarmee komt in de civiele procedure aan een proces-verbaal van politie slechts vrije bewijskracht toe. [20]
hetop de weg van [de onderbewindgestelde][had] gelegengemotiveerd te betwistendat hij de auto heeft geheeld’(mijn onderstrepingen), dat [de onderbewindgestelde] dit op onvoldoende wijze heeft gedaan, en dat daarom
als vaststaand wordt aangenomendat [de onderbewindgestelde] de auto heeft geheeld. Deze overwegingen moeten m.i. zo worden gelezen dat de omstandigheden die het hof noemt (de aanwezigheid van [de onderbewindgestelde] , de inhoud van het proces-verbaal en de strafrechtelijke veroordelingen) voldoende grond vormen voor voornoemde stelling van Provinzial Rheinland en dat het bij die stand van zaken aan [de onderbewindgestelde] was om die stelling
gemotiveerd te betwisten, waarbij het hof geen onderscheid maakt naar de verschillen in bewijskracht die de genoemde omstandigheden naar zijn oordeel hebben. Het hof is dus uiteindelijk bij de daadwerkelijke beoordeling of [de onderbewindgestelde] de auto heeft geheeld (rov. 5.7), in weerwil van zijn oordeel in rov. 5.4, kennelijk
nietuitgegaan van dwingende bewijskracht van het proces-verbaal van de politie. In dat geval zou immers hebben gegolden dat het hof hetgeen de politieagenten binnen de kring van hun bevoegdheid in het proces-verbaal hebben verklaard over hun waarnemingen en verrichtingen, als waar had moeten aannemen, behoudens tegenbewijs door [de onderbewindgestelde] (art. 157 lid 1 jo Pro. art. 151 Rv Pro). Het hof neemt dit in rov. 5.4 tot uitgangspunt, maar uit niets blijkt dat het daar in rov. 5.7 – waarin, als gezegd, de daadwerkelijke beoordeling plaatsvindt – óók vanuit is gegaan.
klachten 1 en 3, die ’s hofs oordeel over de bewijskracht het proces-verbaal van de politie langs andere lijnen bestrijden, stranden op gebrek aan belang.
onder (a)is volgens het onderdeel (toelichting onder 2.1-2.10) feitelijk onjuist en daarmee onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel wijst erop dat in het proces-verbaal van de politie weliswaar staat dat de camper het zicht op de garage ‘
enigszins ontnam’, maar dat bij een van de in dat proces-verbaal opgenomen foto’s – waarnaar [de onderbewindgestelde] volgens het onderdeel heeft verwezen voor zijn stelling dat voor de garage een bruine camper stond die het zicht op de garage ontnam [21] – het onderschrift is opgenomen ‘
Camper die voor de garage stond en vanaf de openbare weg het zicht op de garage ontnam’. [22] Gelet op de ‘
klaarblijkelijke discrepantie tussen de genuanceerde waarneming in het proces-verbaal (“enigszins ontnam”) en de stellig en zonder voorbehoud weergegeven waarneming onder de foto (“ontnam”)’ had het hof voornoemde stelling van [de onderbewindgestelde] niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, mogen verwerpen. Het is tenslotte van tweeën een: de camper ontnam het zicht of niet, aldus steeds het onderdeel. Verder wordt aangevoerd (onder 2.11-2.18) dat indien het hof zou hebben geoordeeld dat de betreffende foto niet tot het proces-verbaal van de politie zou behoren, het hof de grenzen van het partijdebat heeft overschreden althans een onbegrijpelijke dan wel onvoldoende gemotiveerde interpretatie van de stellingen van partijen heeft gegeven.
in’ het proces-verbaal van de politie (waarbij wordt verwezen naar de tekst van dat proces-verbaal) en op de in het strafdossier opgenomen foto’s. Het hof gaat in rov. 5.5 op beide bouwstenen in; het hof bespreekt eerst wat er in het proces-verbaal staat en beziet vervolgens wat er uit de foto’s volgt. Uit dit een en ander volgt dat het hier bestreden oordeel (‘
in het proces-verbaal staat’) onmiskenbaar slechts betrekking heeft op de eigenlijke
tekstvan het proces-verbaal van de politie, meer specifiek op de volgende passage: [23]
in het proces-verbaal (…) echter slechts [staat] dat de camper het zicht op de garage enigszins ontnam’, strookt dus met de tekst van het proces-verbaal. Onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dit oordeel dan ook niet. Voor de door het onderdeel voorgestane lezing dat het hof er in rov. 5.5 vanuit is gegaan dat de foto’s niet tot het proces-verbaal behoren, zie ik geen aanknopingspunten in het bestreden arrest. Daarbij komt dat niet valt in te zien welk belang [de onderbewindgestelde] bij de klacht op dit punt heeft, nu het hof in rov. 5.5, als gezegd, beide bouwstenen van het betoog van [de onderbewindgestelde] met betrekking tot het zicht op de garage gemotiveerd bespreekt. [24]
nietblijkt dat het zicht van de politieagenten op de garage werd belemmerd door de camper en het oordeel dat dit ook
nietvolgt uit de foto’s, zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd te noemen in het licht van de door het onderdeel gestelde discrepantie tussen de tekst van het proces-verbaal en het onderschrift bij de betreffende foto. Daarbij teken ik nog aan dat uit de door het onderdeel genoemde vindplaatsen in de memorie van grieven (onder 10 en 12) niet blijkt dat [de onderbewindgestelde] in feitelijke instanties een beroep heeft gedaan op de hier gestelde discrepantie.
onder (b)dat ook uit de foto’s niet volgt dat het zicht op de garage door de camper werd belemmerd, nu niet vaststaat waar de politieagenten zich precies bevonden toen zij [de onderbewindgestelde] uit de garage zagen lopen, is volgens het onderdeel feitelijk onjuist (toelichting onder 2.19-2.23), onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd (algemene klacht onderdeel 2), nu in het proces-verbaal van de politie is vastgelegd waar de agenten zich op dat moment precies bevonden, namelijk aan de toegangspoort van het perceel. Het onderdeel wijst daartoe op de volgende passage uit het proces-verbaal, die direct voorafgaat aan de passage die inhoudt dat de politieagenten hebben waargenomen dat [de onderbewindgestelde] uit de garage kwam lopen: [25]
[verbalisant 1]stond samen met collega
[de hulp-officier van justitie] aan de toegangspoort van perceel [a-straat 1] te [plaats 2].
[verbalisant 1] en [verbalisant 2],
zagen dat uit de eerder genoemde garage, een man gelopen kwam. Wij zagen dat deze
in de richting van [verbalisant 1] en [de hulp-officier van justitie]kwam gelopen. We verzochten hem om de honden weg te zetten. Wij hoorden dat hij zei dat hij de honden in de bench zou zetten. Wij wachtten hierop.
klachten 1 en 2richten zich tegen het oordeel dat wordt voorbijgegaan aan de stellingen van [de onderbewindgestelde] over de uitvoering van het politieonderzoek, ‘
nu [de onderbewindgestelde] ondanks deze bezwaren is veroordeeld voor heling’.
in een ander licht doen staan. In ’s hofs ontkennende beantwoording van die vraag laat zich moeilijk lezen dat het hof – in weerwil van zijn direct daaraan voorafgaande oordeel dat de rechterlijke uitspraken in de strafzaak
vrijebewijskracht hebben – van doorslaggevende en daarmee dwingende bewijskracht van de strafrechtelijke veroordelingen is uitgegaan, zoals de klacht stelt.
ook indien deze bezwaren juist zijn, deze [de onderbewindgestelde] niet vrijpleiten’) tot uitgangspunt neemt dat de stellingen (inhoudelijk) juist zijn.
klacht 2(onder 3.7) heeft het hof met zijn onder 4.26 genoemde oordeel te kennen gegeven dat het cassatieberoep van [de onderbewindgestelde] tegen de strafrechtelijke veroordeling in hoger beroep, gelet op de eerdere afwijzing van zijn verweer in de strafzaak, kansloos of weinig kansrijk zou zijn. Geklaagd wordt dat het hof zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een verboden prognose van dat cassatieberoep.
voorts’onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof de in rov. 5.6 bedoelde stellingen van [de onderbewindgestelde] niet inhoudelijk heeft besproken. Volgens de klacht kunnen die stellingen [de onderbewindgestelde] , anders dan het hof heeft gemeend, wel vrijpleiten, omdat zij de band bestrijden tussen [de onderbewindgestelde] en achtereenvolgens [betrokkene 1] , de bestelbus van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , de auto en de garage.
voorts’– net als de klachten 1 en 2 van het onderdeel te keren tegen het onder 4.26 genoemde oordeel van het hof, met de klacht dat dit oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is omdat het hof de stellingen van [de onderbewindgestelde] niet inhoudelijk heeft besproken. Deze klacht, die kennelijk tot uitgangspunt neemt dat het hof dwingende bewijskracht (‘
doorslaggevende waarde’) heeft toegekend aan de strafrechtelijke veroordelingen, faalt op dezelfde gronden als de eerste klacht van onderdeel 3 (zie onder 4.28-4.29).
kan niet worden gelieerd aan de garage en bestelbus’ – in de eerste plaats betoogd dat hij niet in verband kan worden gebracht met de garage waarin de auto is aangetroffen (onder 12-21), in welk kader hij onder meer de juistheid en de betrouwbaarheid van het proces-verbaal van de politie ter discussie heeft gesteld (onder 12-17; zie ook onder 32-33 (grief II) [31] ). Dat laatste aspect van het betoog van [de onderbewindgestelde] wordt door het hof besproken in rov. 5.5 (vgl. ook het slot van rov. 5.7). Daarnaast heeft [de onderbewindgestelde] (onder hetzelfde opschrift) aangevoerd dat hij evenmin kan worden gelieerd aan de onderdelen van de auto die door de politie zijn aangetroffen in de bestelbus waarvan [betrokkene 1] de bestuurder was (memorie van grieven, onder 22-24). In dát verband heeft [de onderbewindgestelde] gesteld – kort gezegd – dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de wijze waarop het politieonderzoek is uitgevoerd:
de stellingen van [de onderbewindgestelde] die erop neer komen dat het politieonderzoek niet juist zou zijn uitgevoerd’. [32] Het oordeel van het hof dat die stellingen, indien juist, [de onderbewindgestelde] niet vrijpleiten, acht ik niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De stellingen zien blijkens de hiervoor geciteerde passages uit de memorie van grieven op het politieonderzoek met betrekking tot de in de bestelbus aangetroffen auto-onderdelen. Het hof betrekt bij de beoordeling of [de onderbewindgestelde] de auto heeft geheeld echter niet dat in de bestelbus onderdelen van de auto zijn aangetroffen, maar dat [de onderbewindgestelde] aanwezig was op het terrein waar de gestolen auto is aangetroffen, de inhoud van het proces-verbaal van de politie en de strafrechtelijke veroordeling van [de onderbewindgestelde] in twee instanties (vgl. rov. 5.7). Daarop zien de in rov. 5.6 bedoelde stellingen van [de onderbewindgestelde] niet. De motiveringsklacht kan dus ook in deze lezing niet tot succes leiden.
ook indien deze bezwaren juist zijn, deze [de onderbewindgestelde] niet vrijpleiten’. De klacht stelt dat deze overweging rechtens onjuist is, omdat het hof de aard en de omvang van de op Provinzial Rheinland rustende stelplicht en bewijslast met betrekking tot haar stelling dat [de onderbewindgestelde] de heler van de auto is, heeft miskend. Aangevoerd wordt dat [de onderbewindgestelde] zich in deze civiele zaak niet hoeft ‘vrij te pleiten’ tegenover een beschuldiging van Provinzial Rheinland, maar afdoende verweer moet voeren tegen diens vordering. De klacht vervolgt dat hof in dat kader heeft verzuimd vast te stellen of Provinzial Rheinland voldoende heeft gesteld en zo ja, wat de waarde is van het verweer van [de onderbewindgestelde] , zodat de bestreden overweging, bij gebrek aan nadere uitleg, eveneens onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.
ook indien de bezwaren van [de onderbewindgestelde] juist zijn, deze [de onderbewindgestelde] niet vrijpleiten’. De klacht kan daarin niet worden gevolgd. Het hof heeft met het woord ‘vrijpleiten’ kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de bezwaren van [de onderbewindgestelde] met betrekking tot de wijze waarop het politieonderzoek is uitgevoerd niet kunnen afdoen aan de strafrechtelijke veroordeling voor heling. In de bestreden overweging laat zich dan ook niet – te meer niet in het licht van het onder 4.40 besproken oordeel van het hof in rov. 5.7 – een ‘vrijpleiten’ in de door de klacht voorgestane zin lezen, net zo min als de door de klacht gestelde miskenning van de stelplicht- en bewijslastverdeling. Ook kan het hof niet worden verweten dat het in rov. 5.6 ‘de waarde van het verweer van [de onderbewindgestelde] ’ niet heeft vastgesteld; het hof heeft het betoog [de onderbewindgestelde] met betrekking tot de wijze waarop het politieonderzoek is uitgevoerd immers gemotiveerd verworpen.
klacht 5(onder 3.13-3.17) is het ‘
eventuele’oordeel van het hof dat Provinzial Rheinland wel voldoende heeft gesteld ‘
om in het licht van de grieven van [de onderbewindgestelde] haar eis te kunnen laten slagen’, rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De klacht stelt – na te hebben uiteengezet dat het verweer dat [de onderbewindgestelde] in deze procedure heeft gevoerd door Provinzial Rheinland niet is betwist – dat het hof op grond van art. 149 lid 1 Rv Pro had moeten vaststellen dat [de onderbewindgestelde] voldoende verweer heeft gevoerd en de vordering van Provinzial Rheinland had moeten afwijzen, althans zijn andersluidende oordeel ‘
van een daarop toegespitste motivering’ had moeten voorzien.
in aansluiting’op de eerste klacht van het onderdeel, dat het hof door te oordelen dat ‘
de enkele aanwezigheid’ van [de onderbewindgestelde] gewicht in de schaal legt, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu Provinzial Rheinland die enkele aanwezigheid niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.
klacht 3(onder 4.3) had het hof moeten vaststellen hoe ‘
de enkele aanwezigheid’ van [de onderbewindgestelde] hem tot heler maakt, nu [de onderbewindgestelde] ‘
onmiskenbaar’heeft gesteld dat heling een daarop gerichte handeling dan wel intentie veronderstelt. [34] Daarover heeft het hof niets vastgesteld, terwijl de enkele aanwezigheid van [de onderbewindgestelde] niet, althans niet zonder nadere overweging, die ontbreekt, op een helingshandeling of -intentie wijst, aldus de klacht.
enkeleaanwezigheid van [de onderbewindgestelde] . De klachten lijken aldus ervan uit te gaan – mede gelet op het feit dat de eerste klacht van onderdeel 4 onder meer ziet op het proces-verbaal van de politie en de strafrechtelijke veroordelingen, die het hof in rov. 5.7 eveneens in zijn oordeel betrekt – dat het oordeel van het hof in rov. 5.7 dat als vaststaand wordt aangenomen dat [de onderbewindgestelde] de auto heeft geheeld, alleen erop is gestoeld dat [de onderbewindgestelde] (niet afdoende heeft verklaard waarom hij) aanwezig was op het terrein waar de gestolen auto werd aangetroffen. Die lezing is onjuist. Bij zijn oordeel dat het op de weg van [de onderbewindgestelde] had gelegen om gemotiveerd te betwisten dat hij de auto heeft geheeld, betrekt het hof óók de inhoud van het proces-verbaal van de politie en de strafrechtelijke veroordeling in twee instanties. Het oordeel van het hof dat [de onderbewindgestelde] dit niet op voldoende wijze heeft gedaan (zodat als vaststaand wordt aangenomen dat hij de auto heeft geheeld) berust evenmin op alleen de aanwezigheid van [de onderbewindgestelde] ; het hof neemt daarbij onder meer ook in aanmerking dat [de onderbewindgestelde] geen stellingen naar voren heeft gebracht ‘
waardoor het hof zou moeten twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal van de politie of de strafrechtelijke veroordeling’. Voor zover de klachten 2 en 3 tot uitgangspunt nemen dat het hof zich in rov. 5.7 alleen heeft gebaseerd op de aanwezigheid van [de onderbewindgestelde] , falen zij derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Ik was aanwezig op het terrein om even naar iemand toe te gaan, maar die was er niet. Ik wil niet zeggen naar wie ik ging. Ik was daar vijf minuten toen de politie kwam.’ [36] In het verzetvonnis van de rechtbank is de aanwezigheid van [de onderbewindgestelde] vervolgens ook aan de orde gekomen (rov. 4.4-4.5). Ook in hoger beroep heeft [de onderbewindgestelde] zich, in het kader van zijn grief I tegen het oordeel van de rechtbank dat [de onderbewindgestelde] de auto heeft geheeld en dat die heling een onrechtmatige daad vormt, op het standpunt gesteld – kort gezegd – dat hij weliswaar op het terrein aanwezig was, maar dat hij de auto niet heeft geheeld en überhaupt niets met de auto van doen heeft gehad. [37]
werkplaats’) van [de onderbewindgestelde] [39] en dat [de onderbewindgestelde] tegenover de politie heeft erkend dat hij de auto gestript heeft in zijn garage. [40] Daarmee heeft Provinzial Rheinland (impliciet) tevens aan haar stelling ten grondslag gelegd dat [de onderbewindgestelde] aanwezig was op het terrein waar de auto werd aangetroffen. Overigens heeft Provinzial Rheinland ook een beroep gedaan op het proces-verbaal van de politie (zie ook rov. 5.3 van het bestreden arrest), waarin eveneens melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van [de onderbewindgestelde] bij de garage. Dat het hof in rov. 5.7 de aanwezigheid van [de onderbewindgestelde] heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of [de onderbewindgestelde] de auto heeft geheeld, levert dan ook geen schending op van het verbod tot aanvulling van de feitelijke grondslag. Klacht 2 faalt derhalve.
heling een daarop gerichte handeling dan wel intentie veronderstelt’. In dit punt 3 is een dergelijke stelling echter niet te lezen. De verzetdagvaarding behelst daar niet méér dan de opmerking dat heling ‘
het kopen, bezitten of verkopen van gestolen artikelen en voertuigen’is, waarna wordt vermeldt hoe heling in de wet is omschreven, door een citaat van de wettekst van art. 416 Wetboek Pro van Strafrecht. Ook in de direct na dit citaat volgende alinea (onder 4) is geen stelling van de door de klacht vermelde strekking te lezen; daar wordt (slechts) aangevoerd, samengevat, dat Provinzial Rheinland geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van heling, dat derhalve van een onrechtmatige daad geen sprake is en dat dit temeer geldt nu geen straf is opgelegd aan [de onderbewindgestelde] . Hetzelfde geldt voor punt 2 van de verzetdagvaarding, waarin [de onderbewindgestelde] aanvoert dat hij uitdrukkelijk betwist dat hij ‘
een auto/eigendomsobject van Provinzial heeft geheeld en dat Provinzial hierdoor schade heeft geleden’. Hiermee faalt ook klacht 3.
klacht 4(onder 4.4-4.5) wordt aangevoerd dat het hof inhoudelijk onbesproken heeft gelaten het – door Provinzial Rheinland niet weersproken – verweer van [de onderbewindgestelde] dat (1) door de misleidende verklaring het hele proces-verbaal ongeloofwaardig is, dus ook de beweerde verklaring van [de onderbewindgestelde] ; (2) dat sporen (vieze handen) ontbreken die op zijn betrokkenheid als heler duiden; en (3) deze verweren aan toewijzing van de vordering in de weg staan. [41] Volgens de klacht is het hof ten onrechte niet van de juistheid van deze verweren uitgegaan (art. 149 lid 1 Rv Pro), hoewel ze door Provinzial Rheinland ongemoeid zijn gelaten. De klacht vervolgt dat het hof ‘
door desondanks te menen dat deze verweren [de onderbewindgestelde] niet vrijpleiten’, buiten de rechtsstrijd is getreden, althans zijn verplichting uit art. 149 lid 1 Rv Pro heeft geschonden, om de stellingen van [de onderbewindgestelde] voor juist te houden.
misleidende verklaring’, waarmee [de onderbewindgestelde] bedoelt de in het proces-verbaal van de politie opgenomen verklaring van twee van de verbaliserende agenten dat zij dat [de onderbewindgestelde] uit de garage hebben zien lopen [42] . Het hof heeft in rov. 5.5 immers de stelling van [de onderbewindgestelde] dat die verklaring onmogelijk is, verworpen – tegen welke verwerping onderdeel 2 tevergeefs opkomt –, en geoordeeld dat ‘
grief 2, waarin [de onderbewindgestelde] stelt dat er aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal’ niet slaagt. Verweer (1) vraagt bovendien om een normatief oordeel van het hof. Ook daarom valt niet in te zien dat het hof deze stelling bij het gestelde gebrek aan betwisting daarvan door Provinzial Rheinland als vaststaand had moeten beschouwen. Hetzelfde geldt voor verweer (3).
en daarmee’ de vordering van Provinzial Rheinland, erop is gebaseerd dat hij uit de garage kwam lopen, en niet op zijn aanwezigheid op zichzelf bezien. Volgens de klacht hoefde [de onderbewindgestelde] dan ook, anders dan waar het hof vanuit is gegaan, geen nadere tekst en uitleg te geven over zijn aanwezigheid, althans niet verder dan hij heeft gedaan.
in aansluiting op’het voorgaande opgemerkt dat daar waar Provinzial Rheinland
de factohet strafrechtelijk oordeel over [de onderbewindgestelde] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, [de onderbewindgestelde] kon volstaan met een verweer dat (praktisch) hetzelfde is als zijn verweer in de strafzaak. Die strafzaak is nog niet definitief beslecht en [de onderbewindgestelde] kan niet gehouden worden via het civiele procesrecht zijn in de strafzaak gekozen strategie – een beroep op zijn zwijgrecht – te torpederen, laat staan het risico te nemen dat zijn beroep op zijn zwijgrecht nutteloos zou worden (onder 4.7). Volgens de toelichting dient de vaststelling van het hof dat [de onderbewindgestelde] niet heeft willen reageren op nadere vragen van de rechtbank dan ook te worden bezien in het licht van het zwijgrecht van [de onderbewindgestelde] . Het hof had deze proceshouding moeten respecteren althans met meer begrip tegemoet moeten treden (onder 4.8). Immers, zo vervolgt de toelichting, ook het hof had [de onderbewindgestelde] voor onschuldig moeten houden bij gebrek aan een definitieve strafrechtelijke veroordeling, hetgeen het hof klaarblijkelijk niet heeft gedaan. Daarbij komt volgens de toelichting dat moet worden vastgesteld dat [de onderbewindgestelde] , gelet op de summiere stellingen van Provinzial Rheinland, heeft voldaan aan zijn civielrechtelijke verplichting mee te werken aan waarheidsvinding (onder 4.9).
nutteloos’) zou worden.
criminal charge’ tegen de belastingplichtige, dat de gevraagde informatie gebruikt kon of zou worden voor beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige en dat het afdwingen van die informatie in strijd kwam met het nemo tenetur-beginsel (het verbod op gedwongen zelfincriminatie; art. 6 EVRM Pro [44] ). [45] De Hoge Raad kwam – voor zover hier van belang – op basis van de rechtspraak van het EHRM tot het volgende oordeel: [46]
criminal charge’ tegen de gefailleerde zouden worden gebruikt. De Hoge Raad overwoog, voor zover hier van belang (rov. 3.5 en 3.7):