ECLI:NL:PHR:2023:755

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2023
Publicatiedatum
30 augustus 2023
Zaaknummer
22/01710
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep vernietigd en zaak terugverwezen

De verdachte werd door het hof Den Haag bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter, omdat hij geen schriftuur met grieven had ingediend en niet ter zitting was verschenen. Namens de verdachte werd cassatie ingesteld tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en concludeerde dat de cassatie tijdig was ingesteld. Vervolgens bleek uit de overgelegde stukken dat namens de verdachte wel degelijk een appelschriftuur was ingediend, waarin bezwaren tegen het vonnis werden geuit en getuigenverzoeken werden gedaan. Dit was in strijd met de overweging van het hof dat geen schriftuur was ingediend.

Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk was en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. De procureur-generaal vond geen aanleiding tot verdere vernietiging.

Uitkomst: Het arrest van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde in hoger beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01710

Zitting5 september 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

Inleiding

Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 24 augustus 2021 bij verstek met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, van 5 oktober 2020.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3. Voordat ik aan de bespreking van het middel toekom, besteed ik eerst aandacht aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het bestreden arrest dateert van 24 augustus 2021, terwijl namens de verdachte pas op 9 mei 2022 cassatie in ingesteld. Dat doet de vraag rijzen of de verdachte in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
4. Bij de stukken van het geding bevinden zich, voor zover voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van belang, de volgende stukken:
(i) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van 24 augustus 2021, die volgens de akte van uitreiking van 24 juni 2021 op het adres [a-straat 1] te [plaats] is uitgereikt “aan een ander op het vermelde adres”.
(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2021, dat inhoudt dat de verdachte niet is verschenen en dat tegen hem verstek wordt verleend.
(iii) Het arrest van het hof van 24 augustus 2021 waarbij de verdachte bij verstek op grond van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk is verklaard.
(iv) Een brief van 10 september 2021 namens de advocaat-generaal, met als kenmerk “22-002626-20” en met in de onderwerpregel “Mededeling uitspraak (O.V.), waarin kennis wordt gegeven van voornoemd arrest.
(v) Een brief van 9 november 2021 namens de advocaat-generaal, met als kenmerk “22-002626-20” en met in de onderwerpregel “Mededeling uitspraak (O.V.), waarin kennis wordt gegeven van voornoemd arrest.
(vi) Een akte van uitreiking van de “gerechtelijke brief met parketnummer 22-002626-20”, die – behoudens de persoons- en adresgegevens van de verdachte – verder niet is ingevuld en ondertekend.
(vii) Een screenshot van een systeem op een computerscherm, waaruit (met enige welwillendheid) zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte op 27 januari 2022 is gesignaleerd ten behoeve van de mededeling uitspraak en dat die signalering op 9 mei 2022 definitief is afgedaan omdat de stukken toen in persoon zijn betekend. [1]
5. Uit de stukken van het geding kan niet worden afgeleid dat zich voorafgaand aan 9 mei 2022 een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend was. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat cassatie tijdig is ingesteld, zodat de verdachte in het cassatieberoep kan worden ontvangen.

Het middel

6. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de verdachte in zijn hoger beroep.
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2021 houdt het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
adres: [a-straat 1] te [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
De advocaat-generaal legt de op schrift gestelde vordering aan het gerechtshof over.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.”
8. De uitspraak van het hof houdt het volgende in:
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
9. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een “akte instellen hoger beroep”, die inhoudt dat op 5 oktober 2020 door mr. M. de Reus namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, van diezelfde datum.
10. Verder bevindt zich in het dossier:
(i) een mail van 13 oktober 2020 van mr. M. de Reus aan de rechtbank Rotterdam, waarbij een appelschriftuur als bijlage is gevoegd;
(ii) de betreffende appelschriftuur van 13 oktober 2020, opgesteld namens de verdachte, met daarop een stempel waaruit blijkt dat deze op 13 oktober 2020 bij de rechtbank Rotterdam is ingekomen. In deze appelschriftuur wordt vermeld dat de verdachte zich niet met de uitspraak kan verenigen en dat de verdachte vindt dat hij onterecht is veroordeeld. Ook wordt daarin verzocht om het horen van een drietal getuigen;
(iii) een mail van 29 januari 2021 van de ‘poortraadsheer’ van het hof Den Haag waarin een beslissing wordt meegedeeld over de in de appelschriftuur gedane getuigenverzoeken.
11. Uit deze stukken blijkt – anders dan het hof heeft overwogen – dat er namens de verdachte wel degelijk een appelschriftuur is ingediend. Daarom is het oordeel van het hof dat de verdachte op de voet van artikel 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, niet begrijpelijk.

Slotsom

12. Het middel slaagt.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Van deze uitreiking bevindt zich geen akte in het dossier. Ook staan er in het screenshot geen gegevens die aantonen dat de informatie betrekking heeft op de verdachte of op het bestreden arrest van het hof van 24 augustus 2021. Wel komt de datum waarop de mededeling uitspraak zou zijn betekend, overeen met de datum van instellen cassatie. Overigens maken mijn bedenkingen bij de gevolgtrekkingen uit het screenshot voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep geen verschil.