Conclusie
forward starting swapsafgesloten (hierna ook tezamen: ‘de
forward starting swaps’), die ingingen op de afgesproken einddatum van de leningen 1 en 2, wat tevens de einddatum van de onder 1.7 en 1.8 bedoelde rentederivaten was. De ene
forward starting swaphad een hoofdsom van € 21 miljoen en een looptijd van 1 juli 2011 tot 1 juli 2016 en de andere had een hoofdsom van € 17 miljoen en een looptijd van 1 januari 2012 tot 1 januari 2018.
Vanaf sluiting tot 2 januari 2013:
2.Procesverloop
fundingen dit
off balancevia rentederivaten uit te zetten, terwijl de onderpanden onrealistisch hoog waren gewaardeerd en de acceptatiecriteria onverantwoord waren verlaagd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.1 tot en met 1.4over rov. 4.16. Onderdeel 2 klaagt in de
subonderdelen 2.1 en 2.2over rov. 4.19 en 4.23.
subonderdeel 1.1.1.
subonderdelen 1.1 en 1.1.1lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij falen omdat zij (uiteindelijk) berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en daarom feitelijke grondslag missen. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat ShoppingParks c.s. in 2005 bij andere banken geconfronteerd zouden zijn met vergelijkbare renteopslagen, maar dat zij daarmee in 2012 bij de herfinanciering zouden zijn geconfronteerd. [6]
subonderdelen 1.1 en 1.1.1bedoelde aanname van het hof, voor het geval het hof met die aanname bedoeld heeft dat ShoppingParks c.s. niet in een financieel betere positie hadden verkeerd als Rabobank in 2005 nadrukkelijk en indringend zou hebben gewaarschuwd over het herfinancieringsrisico en ShoppingParks c.s. hieraan gevolg hadden gegeven door te kiezen voor rentederivaten die in tijd gelijkliepen met de leningen (de hypothetische situatie), omdat ShoppingParks c.s. dan in 2012 bij andere banken alsnog waren geconfronteerd met vergelijkbare renteopslagen als die bedongen door Rabobank. Volgens het subonderdeel heeft het hof dan miskend dat uit de gedingstukken geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat het financiële nadeel voor ShoppingParks c.s. in de werkelijke situatie aanzienlijk groter was, omdat daarin (anders dan in de hypothetische situatie) ook de nadelige gevolgen van de mismatch (tussen de looptijd van de leningen en de rentederivaten) zijn bijgekomen) en de doorlopende rentebetalingen uit hoofde van de forward starting renteswaps vanaf 2012.
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof in rov. 4.16 in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten, omdat het niet is ingegaan op de essentiële stelling van ShoppingParks c.s. dat Rabobank in haar zorgplicht is tekortgeschoten en wanprestatie heeft gepleegd door in 2005 de looptijden van de leningen en de rentederivaten niet deugdelijk op elkaar af te stemmen, hoewel Rabobank verantwoordelijk was voor de hedge-constructie (met de afgesproken 1-op-1-hedge). Volgens het subonderdeel gaat het hier om een essentiële stelling omdat deze ‘mismatch’ tot extra financieel nadeel in de werkelijke situatie leidde, hetgeen niet is te rijmen met het oordeel van het hof dat ShoppingParks c.s. in de hypothetische situatie (als Rabobank wel aan haar waarschuwingsplicht zou hebben voldaan) niet in een financieel betere positie hadden verkeerd.
subonderdelen 1.1.2 en 1.2lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij falen, omdat van de door de klachten bedoelde onbegrijpelijkheid geen sprake is. Het hof behoefde zich niet uit te laten over ‘de nadelige gevolgen van de mismatch’ en de ‘doorlopende rentebetalingen uit hoofde van de forward starting renteswaps’. De bestreden overweging van het hof heeft betrekking op de renteopslagen waarmee volgens het hof ShoppingParks c.s. ook in de hypothetische situatie zouden zijn geconfronteerd en is daartoe beperkt, omdat de vordering van ShoppingParks c.s. daarop zag. Zie in dit verband rov. 4.5, waarover in cassatie niet wordt geklaagd. [7]
Het hof is niet voorbijgegaan aan de stellingen van ShoppingParks c.s. over de zorg- en waarschuwingsplicht, maar heeft de juistheid daarvan in het midden gelaten (rov. 4.6 en 4.16) en geoordeeld dat de vorderingen van ShoppingParks c.s. moeten worden afgewezen bij gebrek aan causaal verband (rov. 4.16, slot). Onbegrijpelijk is deze door het hof gekozen route niet, omdat voor het slagen van een vordering tot schadevergoeding vereist is dat er causaal verband bestaat tussen de verweten gedraging en de schade.
Voorts heeft het hof − ook in het kader van de door Shoppingspark c.s. in verband met de renteopslagen aangevoerde andere grondslagen dan tekortschieten van Rabobank in de nakoming van de in rov. 4.8 e.v. bedoelde afspraak − geoordeeld dat de ShoppingParks c.s. de renteherzieningsmogelijkheid (en dus ook, zo voeg ik toe, de mogelijkheid van verhoging van de opslag) kenden ten tijde van het afsluiten van de 2005-rentederivaten, althans daarvan op de hoogte behoorden te zijn (rov. 4.15, slot). In de daaraan voorafgaande overwegingen, waarnaar het hof in rov. 4.15 verwijst, heeft het hof onder meer overwogen dat uit de jaarverslagen van ShoppingParks over 2009-2011 blijkt dat zij ervan uitging dat door toegenomen bancaire opslagen het gemiddelde effectieve rentepercentage vanaf 2012 zou gaan toenemen (rov. 4.9, vierde volzin; zie ook rov. 4.10, slot). Ook heeft het hof in verband met de opslagen de stelling van ShoppingParks c.s. dat een risicomijdende onderneming of een weldenkend mens nooit rentederivaten zou afsluiten als daardoor geen sprake zou zijn van gemaximeerde rentelasten, verdisconteerd (rov. 4.11).
Ten slotte heeft het hof in rov. 4.16, vierde volzin, overwogen dat niet kan worden aangenomen dat de renteswaps ongeschikte producten waren voor ShoppingParks c.s.
[b]ij het voorgaande in aanmerking heeft genomen dat de in 2012 overeengekomen renteopslagen, die bestonden uit een debiteurenopslag en een liquiditeitsopslag, voorzien in een redelijke vergoeding voor het risico en de kosten van Rabobank”. Het hof licht dit toe in de rov. 4.19 tot en met 4.23, waarvan de rov. 4.19 en 4.23 door het onderdeel worden bestreden. [8]
Voor zover het onderdeel zou beogen ook de in rov. 4.16 beoordeelde grondslag te bestrijden, zou het onderdeel reeds moeten falen bij gebrek aan belang. De in rov. 4.18 e.v. behandelde vraag of de in 2012 overeengekomen renteopslagen een redelijke vergoeding voor Rabobank inhielden, staat immers los van het in rov. 4.17 bedoelde ontbreken van causaal verband nu kennelijk in 2012 andere banken geen gunstige(re) voorwaarden zouden hebben gehanteerd.
de waarde van het vastgoed van Shoppingparks c.s. in belangrijke mate hun debiteurenpositie bepaalde” en dat “
Rabobank onvoldoende gemotiveerd bestreden heeft gesteld dat deze waarde in 2012 (als gevolg van de kredietcrisis van 2008) sterk was gedaald.”
Voor zover deze klacht doelt op de algemene waardedaling van vastgoed, faalt de klacht om de hiervoor gegeven redenen.
Deze klacht faalt eveneens. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk te noemen in het licht van de stellingen van Rabobank dat (i) het Fonds vanaf eind 2008 niet langer voldeed aan de met FGH (de rechtsvoorgangster van Rabobank) overeengekomen convenanten, omdat tijdens de financiële crisis de waarde van vastgoed onder druk kwam te staan, zodat het risico van de financiering van het Fonds door FGH sterk toenam [10] ; (ii) FP op 12 november 2008 aan Rabobank een brief heeft gestuurd waarin zij te kennen geeft dat alles erop wijst dat de vastgoedportefeuille afgewaardeerd zou gaan worden [11] ; en (iii) het Fonds in 2008 niet langer voldeed aan het LTV-convenant, mede veroorzaakt door een waardedaling van haar vastgoed in verband met de financiële crisis. [12]
(i) Anders dan het subonderdeel aanvoert, heeft het hof wel de stelling van ShoppingParks c.s. dat de liquiditeitsopslag voor het eerst in 2009 is gehanteerd, in zijn oordeel verdisconteerd (zie rov. 4.22 en 4.23).
(ii) Anders dan het subonderdeel onder verwijzing naar
subonderdeel 1.1.1aanvoert, heeft het hof niet miskend dat de stelling van ShoppingParks c.s. dat andere banken ook een liquiditeitsopslag hanteerden, ziet op de situatie in 2012 (zie rov. 4.18 en 4.23).
(iii) Anders dan het subonderdeel aanvoert, is het hof ingegaan op de stelling van ShoppingParks c.s. over de in 2005 gemaakt afspraken om het renterisico te hedgen en op de stelling van ShoppingParks c.s. dat zij de constructie niet zouden zijn aangegaan indien zij zouden hebben geweten van de mogelijkheid van eenzijdige renteopslagen door de bank op een later moment. Het hof heeft deze stellingen in rov. 4.8-4.13 beoordeeld en verworpen en daarnaar verwezen in rov. 4.15 in verband met de door ShoppingParks c.s. gestelde andere grondslagen; het hof heeft overwogen dat ShoppingParks c.s. de renteherzieningsmogelijkheid kenden ten tijde van het afsluiten van de 2005-rentederivaten, althans daarvan op de hoogte behoorden te zijn. In rov. 4.23 behoefde het hof zich niet nog eens uit te spreken over de betreffende stellingen van ShoppingParks c.s.